In het kader van het meisje dat op dinsdag het bier schenkt is zielig omdat ze zo moe is en natuurlijk in het kader van wie breed heeft laat breed hangen, besloot 't Mannetje me mee te nemen naar de Efteling.
We kennen elkaar al lang. Uit het dorp, waar hij een mat had en een leren jas met elastiek aan de onderkant en ik een dikke bril en Hein de Kort-shirts droeg. Maar bovenal waren we ooit, in een bruin, ver, eenvoudig en gelukkig verleden, buren in een studentenhuis. Of ja, we waren een soort van Will & Grace. Ik had een kamer van acht vierkante meter en sliep hele middagen op zijn bank, ik at uit zijn koelkast, rookte zijn asbak vol (hij heeft zelf nooit gerookt) en leende (lees: kreeg, nee, nam) zijn geld. En in de kroegen zochten we jongens voor elkaar uit, met steevast een stevig verschil in smaak. Ach, al doende leert men.
Nooit in mijn leven heb ik meer zoveel en zo vaak gelachen als toen. Ik denk dat we elke dag wel een keer ervan moesten hurken met de armen om het middel geslagen.
Toen ontstonden ook de bijnamen. Hij noemde mij de Vrouw, ik hem de Man. Maar Vrouw sneuvelde al gauw en werd Suikerdruifje (S. D. Ruifje in de volksmond). Hij heeft vrienden die niet eens weten dat ik ook een echte naam heb. Net zoals ik wel eens hoor: "Wie Mark? Oh, 't Mannetje!"
We blijken in alles ontzettend verschillend en in alles zo ontzettend hetzelfde.
Gehuild heb ik toen ik hem in het vrachtwagentje van zijn ouders zag vertrekken toen hij verhuisde, nu alweer zes jaar terug.
Maar gisteren togen we naar de Efteling. Het was droog en rustig, zo op een Hemelvaartsdag.
Ongepland allebei in het bruin en blauw. Hij in jas-bloes en ik drentelde op hakjes voor hem uit, wijzend naar alle paddestoelen, draken, white trash-gezinnen, eendjes en lastige kinderen.
De kracht van een grap zit in de herhaling.
"Stel je voor dat de deuren nooit meer open gaan en dat we de rest van ons leven met deze mensen moeten doorbrengen," zei ik.
"Of erger, dat we helemaal niet dood gaan. Net zoals bij dat stuk van Sartre," sprak 't Mannetje.
We keken de wachtruimte van Villa Volta door. Naast ons stond een man met een snor en zijn vrouw. Een kinderwagen met een dikke moeder in spandex en een jongetje met een blikje River-cola. Een stukje verderop een koppeltje met elkaars naam in diamanten om de nek, zwijgend.
Wij waren ook even stil.
"Ik denk dat we nu de enige twee zijn die het hier over Sarte hebben."
In elke afgesloten ruimte hadden we het er over.
Met als hoogtepunten het bedenken van wiens kind ik dan zou baren in de Pandadroom tot de horror toen plots het karretje in Carnival Festival stil bleef staan.
De kracht van de grap zit in de herhaling.
"De hel, dat is de ander," zei Sartre ooit. Maar met Mannetjes in de buurt biedt die hel in ieder geval bakken materiaal.
Om zo hard te lachen dat ik ervan met mijn armen moet zwaaien.







OHHHHH, wat schattig en lief. Was leuk hè ruifje....
Ik moet er bijna van huilen!
Kijk, daar loopt al een traan. Zoveel elven en trollen kan het meisje niet aan.