pexels-photo-796605

Dinsdaag

Waat hes-ste ôs toch in det glaas gedaon, ober, ober ?
Det alles heej zoë op ziene kop geit staon, ober waat hesse gedoan ?
Woar kûmp det grei vandan ? Doar lös ik waal suupke van !
Waat hes-ste ôs toch in det glaas gedaon, ober waat hesse gedoan ?

D’n ober, 1953/1954
Tekst: Frans Boermans – muziek: Thuur Luxembourg

pexels-photo-796605

Maondaag

Er is een aantal zaken die je niet moet doen tijdens de vasteloavend.
En wel:
1. Te weinig laagjes kleding
2. Te veel of te weinig eten
3. Denken: ik ga heel even thuis op de bank zitten.

1.
“Ik ben een boa verloren,” zei ik, terwijl we naar de optocht stonden te kijken. “Koud.”
Je moet niet onderschatten hoe warm zo’n laag veren is. De zon scheen, maar wij stonden aan de schaduwkant van de straat. We hadden een etalage met een afdak, wat weer handig was bij de korte hagelbuien. Het begon me langzaamaan te dagen. Ik had een vest te weinig aangetrokken. Ik zag ‘m gewoon hangen, bij ‘t Mannetje thuis over de stoel. Maar tijdens het aankleden had ik het warm. Trap op, trap af, paniek toen ik een theelepel aan wimperlijm op mijn echte wimpers liet vallen.
Dan maar dansen.
Joekskappelen, mooie wagens, mooie tractors die ze trokken. Grote groepen in mooie pekskes, kleine kindjes in pekskes in bolderwagens.
Ondertussen kropen de kleintjes die bij ons hoorden steeds verder weg in een hoekje. Eentje zat te knikkebollen. De ander kroop de buggy in en viel in slaap, hoe hard de muziek die voorbij kwam ook stond.
Bij wagen 50 ging de helft van de goegemeente met de kindjes naar De Klep.
Wij bleven nog even wachten, want ‘t Mannetje was een vervanger bij de raad. We moesten toch even zwaaien.
Totaal verkleumd belandde ik uiteindelijk ook in De Klep.

Bij De Klep trok een vrouw haar bontjas uit, waaronder weer een bontjas verscheen.
“Kan ik er niet eentje kopen?” zei ik.
“Nae,” zei de vrouw.
“Jammer,” zei ik.
De vrouw haalde haar schouders op en klopte op mijn rug.
“Morgen is het boerenbruiloft,” zei ze.
Ik knikte.

2.
“Kunnen we niet nu al gaan eten?” zei de man. “Saté ofzo? Ergens.”
“O,” zei ik. “Ik weet nog wel iets.”
We liepen naar Hemingway, daar waar ik in 1998 voor het eerst in mijn leven achter de bar ging staan. We stapten naar binnen en de eerste twee personen die ik zag achter de bar waren de enige twee mensen die er nu nog werken die er toen ook al waren.
“Hoera!” riepen we allemaal.
We aten saté, ik zwaaide naar de jongens van vroeger aan tafel 11.
We dronken bier.
We praatten over vroeger.
Op de wc liep ik het herentoilet op. Die bleken omgewisseld.
Twintig jaar.

Daarna wandelden we weer van kroeg naar kroeg.
In De Loco zat het toilet nog op de zelfde plek en vertelde ik aan de man dat ik daar dan ook zo stond toen ik op de middelbare school zat. Op zoek naar degene op wie ik dan dat jaar weer verliefd was. Aan de bar waren ze bezig om met een stoomstrijkijzer zonder kabel over de toog tien meter verderop een rij plastic bekers om te gooien. Ik moest ook een keer. Het was niet echt een keus. De barman verderop zette net zes bier op de bar en een jongen kon nog net met blote handen het strijkijzer tegenhouden. Mocht hij iets aan zijn hand hebben overgehouden: sorry.
Ik was als herfsttafereel verkleed dus ik heb hem getroost met een piepschuimen eikel.
Was alles maar zo simpel.
“Wao gaon we haer?”
We gingen naar de Baek.

3.
De Baek was vol.
“Anders héél even naar huis,” zei ik. “Mijn vest halen?”
Dat was immers vlakbij.

Thuis troffen we ‘t Mannetje ineengedoken op de bank aan.
“Ik heb het zo koud,” zei hij. “Ik heb zes uur op die wagen gestaan in de wind. Daarna werden in de Maaspoort alleen mijn oren heel heet en dat was het.”
“Och jongen toch,” zei ik.
“Wat heb je gegeten?” zei de man.
“Niks,” zei ‘t Mannetje.
Ik besloot om broodjes voor hem te gratineren.
We ploften op de bank.
Héél even zitten.
Héél maar.
Buiten liep een joekskapel voorbij.
De fluitketel floot.
Op de televisie vertelde Oscar van den Boogaard dat Prins Bernhard zijn vader was.
Ik zette mijn hoedje af.
De batterij van mijn lampjes was leeg.

4.
Vandaag is het dinsdag.
Ik heb heerlijk geslapen.
Buiten is het krakend koud, maar ik heb mijn konijnenbonten jasje.
Dinsdag.
Mijn lievelingsdag.

pexels-photo-796605

Zondaag

De vriendin waarmee ik al 33 jaar (drie keer elf, joeksig!) mee bevriend ben, moest een paar seconden kijken voordat ze me herkende. Ik had een zwarte pruik met lampjes op en een goud geschminkt gezicht met een scheve krul in het paars hier en daar. Naast haar zat iemand met een prachtig geschilderd gezicht.
“Dit is de allereerste keer dat ik ooit iets heb geschminkt,” zei ik tegen de buurvrouw van mijn vriendin.
“Morgen gewoon alles goud en alleen nepwimpers,” zei ze.
Zeven zinnen laten hadden we het over de invloed van het brein op het lijf en het leven. Om ons heen aten mensen blokjes kaas en werd er bier gedronken, deinde de massa op en neer. Daarna gingen we weer verder: de man, ‘t Mannetje en ik.

Een half uur later stonden we in de Maaspoort. Op het podium speelde een saxofonist de sterren van de hemel, zong een man nieuwe versies van ouwe liedjes. Er stonden kinderen tussen de bandleden die dansten of rondkeken met in hun hand een koek of een zakje chips. Naast de saxofonist stonden twee kleine jongens met serieuze snoetjes de zaal in te kijken en mee te zingen. Volgens ‘t Mannetje is de Maaspoort zo gebouwd dat met de vastelaovend ze zaal zo omgegooid kan worden dat de bühne voor het publiek is en het publieksgedeelte voor de band. Wij waren ondertussen alweer halverwege onze bonnen. Voor me stond een oude mevrouw met een witte suikerspin en een witte bontjas. Ik zag mensen die twintig jaar geleden achter de bar van mijn stamkroeg in Venlo stonden, toen ik nog ieder weekend terug naar mijn ouders ging en dan thee dronk aan de bar voordat ik de bus naar het dorp pakte. Ik voelde me toen al een hele wereldreiziger. Nu logeerde mijn kind bij mijn ouders en keek ik naar de dansende kindjes tussen de muzikanten. En wie weet sta ik er over twintig jaar wel weer en dan denk ik aan toen ik daar stond met die kindjes en dat ik nog maar zo pas moeder was en dat ik dacht dat ik al een hele dame was, met mijn koophuis en auto en dagopvang en werk en belastingaangiften, de invloed van mijn brein op het nu.
Maar nu was de zondaag. En dat scheelde.

Een flits later stonden we buiten en was ‘t Mannetje aan het schmoozen met de mannen met de lange pluimen op hun muts en belanden de man en ik in de kroeg ernaast waar weer muzikanten aan het spelen waren alsof de wereld elk moment kon vergaan. Ik zwaaide naar iemand van de boekhandel en iemand die de zus is van iemand die ik ooit kende. Ze herkenden me niet, maar zwaaiden toch maar terug. Ooit ging iemand in mijn stamkroeg in Venlo elk jaar verkleed als Poolse boerin, ik hoorde pas dat hij dood is gegaan. De zaal deinde uit en kromp weer, met elke zin, met elke ademhaling, zoals soms op feestjes, als iedereen in de te kleine keuken is gaan staan. Buiten was het plein leeg. ‘t Mannetje schoof weer aan. We zongen alle liedjes.
We deelden kruidenbitter uit een platvink met de mensen naast ons.

De man en ik eindigden in D’n Gaaspiep, want ik wil altijd naar D’n Gaaspiep. Waar ‘t Mannetje was gebleven dat weet ik niet meer. We gingen binnen op een bankje zitten en keken naar de oude dames die dansten. Af en toe kwam er eentje voor ons staan en dan zongen we de teksten naar elkaar toe.

Zo kun je in een dag je leven aan je voorbij zien schieten en je hoeft er nog niet eens dood voor te gaan.

Nu zit ik op de bank, bij ‘t Mannetje die al de stad in is omdat hij op de wagen van de prins moet staan in zijn mooie pak. De man en ik zitten nog in trainingspak. Op de televisie schiet een vrouw alle gaten dicht.
Op Facebook vraagt Lean waar ik ben.
“Nog nurges,” antwoord ik.
Ik ga me maar weer eens in kostuum hijsen.

Het is alweer maandag.