bar

Observaties van een barvrouw

Het stel aan de bar haat de wereld. Of ja, de man kan ik door de tap niet goed zien, maar zijn mevrouw haat de wereld zeer zeker. Ze is nog niet eens zou oud, ze is netjes gekleed, blond, met nette rustige make-up en met mondhoeken die diep naar beneden hangen. Het lijkt bijna of ze er moeite voor moet doen om ze zo laag te krijgen. Elk normaal mens zou moeite moeten doen om die mondhoeken zo laag te krijgen.
Misschien heeft ze dit gezicht getrokken toen de klok twaalf uur sloeg, bedenk ik.
Ze heeft haar gedrag er in elk geval op aangepast.
Als de groep aan het tafeltje meteen achter hen in luid gelach uitbarst, draait de vrouw met die omlaaggetrokken mondhoeken zich om en bekijkt ze met een paar korte op en neer bewegingen van haar hoofd het meisje dat het dichtst bij hen zit.
Als ze wegkijkt snuift ze.
Ik kan door de herrie steeds net niet verstaan wat ze zeggen, maar de vrouw is het meest aan het woord. De man hoor ik alleen maar af en toe soort van instemmend mompelen. Ze is het ergens niet mee eens, haalt een stuk papier uit haar tas en wijst erop met een perfect gemanicuurde vingernagel. De mondhoeken blijven naar beneden.

Ik hoor haar het woord “rekening” noemen, nog voordat haar man halverwege zijn biertje is. Haar witte wijntje heeft ze al op, wat me best lastig lijkt met zulke omlaag getrokken mondhoeken. De man klokt haastig zijn Koninkje naar binnen, terwijl zijn vrouw de jas al aan heeft. Met een licht geërgerde blik wacht ze tot haar man zijn jas heeft aangetrokken. Dat gaat door de haast een beetje stuntelig. Hij rekent af. Een bleke grijze man. Met eerder een treurige dan een geërgerde blik.
De blik van iemand die vele jaren geleden heeft besloten om gewoon niet meer deel te nemen.
De vrouw loopt alvast naar de deur.
Ze haat de wereld.
Ze lust waarschijnlijk niet eens witte wijn.
De man struikelt een beetje over een kruk.
Ze kijkt niet om.
De man wel.
Ik knik hem toe.
Voor eeuwig op weg naar slachtbank, denk ik.
Tevreden drink ik mijn kouwe thee op.
We hebben het maar goed.

pexels-photo-796605

Venlonaren dansen geen polonaise

Het is midden op vastelaovesmaandag als mijn vader ontwaakt uit zijn narcose en een delier krijgt. Ik sta buiten in een steeg met een plastic beker brand in mijn hand en mijn mobiel aan mijn oor. Binnen in de kroeg klinkt een joekskapel. Er wordt gezongen. Ik kijk de straat in. Het is nog licht.
“Hij wil steeds uit bed en dat mag niet,” zegt mijn moeder aan de andere kant van de lijn. “En ze kunnen ook niet iemand van de verpleging de hele nacht naast zijn bed zetten.”
“Nee,” zeg ik.
Mijn ogen voelen zwaar. Overal klinkt muziek en gezang en ergens hoor ik kerkklokken slaan. Terwijl mijn moeder praat, kijk ik op mijn telefoon. Het is half vijf.  Als ik de telefoon weer aan mijn oor houd, zegt mijn moeder: “Han? Han?”
“Ja?” zeg ik. Normaal kan ik haar op bed leggen en een hele wasmand was ophangen zonder dat ze het merkt. Mijn moeder vraagt nooit iets. Nooit gedaan. Behalve vandaag.  Mijn moeder zegt dat ik mijn broers moet zoeken en dat we naar het ziekenhuis moeten komen.

Na drie kroegen heb ik mijn broers gevonden. Ik ga niet meer zo vaak terug naar Venlo, voor de vastelaovend, ik kan er niet meer zo goed tegen als vroeger, al die dagen zoveel zuipen. Ik word er ziek van.  Mijn broers hangen aan de bar van De Klep en zijn verkleed als Fidel Castro en Prins Willem Alexander.
“We moeten naar het ziekenhuis,” zeg ik, terwijl ik mijn telefoon omhoog hou, alsof dat iets betekent, die telefoon. Ik heb een goedkoop zigeunerachtig pak aan waar ik me eigenlijk voor schaam, buiten frommel ik een sigaret uit een geplet pakje Belinda. Yolante Cabau van Kasbergen, had ik mezelf maar gedoopt. Maar ik zag er eerder uit als een vergeten popster uit de jaren tachtig die madonna na probeert te doen. We lenen een fiets en met z’n drieën rijden we op één fiets de Tegelseweg in, de stad uit, op weg naar het ziekenhuis.

In het ziekenhuis is het een drama op de kamer van mijn vader. Mijn moeder houdt hem vast, samen met een verpleegster, maar mijn vader is sterk en mijn moeder al in de zeventig. Mijn moeder laat los als ze ons ziet, ze begint te huilen en zet een stap naar achter. Ik word altijd boos als mijn moeder huilt, ik weet niet hoe dat kan. De verpleegster roept dat we het over moeten. We pakken hem vast. Fidel Castro, Willem Alexander en Yolanthe Cabau van Kasbergen houden mijn vader in een houdgreep. Mijn broers hebben zijn armen en zijn benen en ik leg een hand in zijn warme nek, die nat van het zweet is. Mijn vader is een man die nooit veel zegt, die zich nooit verzet heeft en ergens achterin mijn hoofd, ergens achter diegene die hier aan het handelen is, die haar vader probeert te kalmeren, verbaas ik me erover dat deze man zo op mijn vader lijkt, maar zo totaal anders doet dan mijn vader. Het lijkt of na al die jaren, dat hele leven stilte, ineens alles eruit wil. Hij schreeuwt, brult en alles aan hem slaat en schopt met alles wat hij in zich heeft.  Dan komt er iemand binnen die iets in zijn infuus spuit. Mijn vader valt in slaap. Ik kan me niet meer herinneren dat ik hem ooit zo stevig heb vastgehouden. Mijn vader is geen knuffelaar.

“Jij hoeft hier niet te blijven slapen,” zegt mijn oudste broer tegen mijn moeder. “Wij doen het wel.”
Ik kijk mijn broer aan. Ik wil helemaal niet in het ziekenhuis slapen.
“Ja,” zeg ik.
Ik vraag ook nooit iets. Nooit gedaan ook.
“Ga maar,” zeg ik.
Mijn moeder pakt haar tas en we krijgen allemaal een kus.
“Hij lijkt op jou, als je dronken bent,” zegt mijn ene broer tegen mijn andere broer als mijn moeder weg is.
“Inderdaad,” zegt mijn andere broer.
Op de kamer hangen ballonnen. We kijken televisie en om de beurt gaan we een sigaretje roken. Over de gang rollen karretjes, alles ruikt zoals je verwacht dat het ruikt in een ziekenhuis. Ik denk aan mijn dode tantes, aan sommige vriendinnen, aan iedereen die hier lag, aan iedereen die hier huilde. Ik ga naast mijn broer in het bed naast mijn vader liggen. Op de tv loopt een vrouw met een geweer door een steeg, de carnavalszender hebben we afgezet. Mijn pruik hangt aan de kapstok. Ik val in slaap.

Mijn vader rent als een dronkenman de gang over en mijn oudste broer heeft hem bijna. Hij heeft een punt van mijn vaders ziekenhuisjurk al vast. Ik ren er achteraan om de infuusstok overeind te houden, die hij achter zich aan sleept. De standaard krast over het linoleum. Achter me hoor ik mijn andere broer uitglijden, ik voel zijn handen zich nog vastgrijpen aan mijn kuiten.
We lijken wel een kroeg in polonaise, maar venlonaren dansen geen polonaise.
Al worstelend krijgen we mijn vader terug naar de ziekenhuiskamer. Zijn katheter is losgesloten en overal ligt bloed. Mijn vader slaat me. We wachten op de verpleging. Ik leg mijn wang tegen zijn warme hoofd, zijn schokkende hoofd, het ruikt naar een oud mannetje. Ik kan me niet herinneren dat ik hem ooit zo stevig heb vastgehouden. Ik duw mijn wang strak tegen hem aan, bij zijn oor en ik wieg hem, zo goed en kwaad als het kan en ik zing mijn lievelings vastelaovendsliedjes.
Ik zing: Dich maks de kachel met mich aan Marieke, waat ofste van mich dinks det luut mich kalt, me kan de roëze neet verbeeje det ze bleuje en auk mien hert neet det ik raozend van dich halt.
En dan, als laatst: Zoë is ‘t laeve, waat kan ‘t gaeve. We doon maar allemaol wat water beej de wién. Op idder paedje ein roéze-blaedje en nao `t straevele ein bietje zônneschien.
Mijn vader valt in slaap. Hij heeft nooit veel om vastelaovend gegeven.

Ik word wakker omdat een verpleegkundige de ontbijtkar naar binnenrolt.
“Wat wil hij drinken?” Vraagt de verpleegster.
“Ik denk chocomel,” zeg ik.
Ik weet dat nog van vroeger, dat hij graag chocomel dronk. Ineens moet ik huilen, alleen omdat ik aan die chocomel van vroeger denk. De verpleegkundige geeft me een klopje op mijn schouder.
Ik smeer de boterhammen. Ik zet een rietje in de chocomel. Ik voer mijn vader kleine stukjes boterhammen met kaas en af en toe duw ik het rietje tussen zijn lippen. Hij heeft honger. Hij eet gretig.
Honger is goed, denk ik.
“Lekker,” zegt mijn vader.
Hij is er wel, maar hij is er niet, denk ik en voor het eerst in mijn leven voel ik me op mijn gemak bij mijn vader. Want euver hônderd jaor, jao jao des iérlik waor, dan bisse deeze tiéd, veur altiéd kwiét, zing ik, dicht bij zijn oor, ik zie de stugge rode haren die uit zijn oor steken. Mijn vader grijpt met zijn hand in de lucht en pakt dan mijn pols. Hij zegt niets. Hij knijpt alleen maar. Ik leg mijn hand op zijn hand en zo zitten we daar.
Als mijn broers wakker worden, steek ik een duim op.
“Is het allemaal goed?” vraagt mijn oudste broer.
Ik knik.
Ik zeg: het is allemaal goed.
Het is allemaal goed.

pexels-photo

Koffie verkeerd

“Een latte doppio,” zeg ik bij de pastatent op het station waar ik altijd mijn koffie haal. Tenminste, sinds Dennis Gaens vijf jaar geleden zei dat daar de koffie het best was.
Of: meest goed, zoals iedereen tegenwoordig lijkt te zeggen.
Bah.
“Een café latte of een latte machiato?” zegt de jongen achter de balie.
Ik heb net vijftien kilometer gefietst. Het waaide flink en het hagelde af en toe en ik luisterde de podcast Alice isn’t dead. Dus ik kan niet heel goed nadenken.
“Euhm, hè?” zeg ik. “Ik bestel al jaren gewoon een latte doppio. Hier. Aan de balie.”
Mijn mp3-speler valt op de grond. Als ik weer overeindkom na het oprapen hoor ik naast me:
“Een machiato is met minder melk. Een café latte met meer.”
Volgens mij is het andersom. Betekent machiato melk met een vlekje koffie. Maar ik kan het verkeerd hebben. De man spreekt met een kak-accent en veel valse lucht. Ik kijk naar de man. Hij heeft oude geweven en gebatikte kleren aan. Ik ken zijn soort. Van die mensen die het vervelend vinden dat ze met heel veel geld zijn opgegroeid, en zich daarom zijn gaan kleden alsof ze dat niet zijn. Terwijl ze altijd veel geld zijn blijven hebben, omdat ze het steeds zijn blijven aannemen. Van ouders, van echtgenoten. Ik kwam ze vroeger al zo af en toe tegen, in Venlo toen ik daar in het eetcafé werkte. Het waren er niet veel, maar je had ze wel. In Nijmegen zijn ze er in overvloed. Ze zijn simpel te ontmaskeren, want ze verraden zichzelf altijd. Je kunt nu eenmaal niet onder je afkomst uit. Helaas. In het dorp heb ik ze nog niet ontmoet. Daar loopt iedereen in een bodywarmer en bontlaarzen. Je zwaait als je iemand op straat tegenkomt. Dat is helemaal niet veel werk.
Ik heb nog steeds gewoon vijftien kilometer gefietst.
Ik voel dat er damp uit mijn kraag omhoog slaat.
“Gewoon wat jullie altijd doen als iemand een latte doppio besteld,” zeg ik verward tegen de jongen.
“Is echt een heel verschil, hoor,” zegt de man.
Hij lacht schamper.
“Je kunt ze eigenlijk niet met elkaar vergelijken,” zegt hij.
Ik antwoord niet. Hij vroeg immers niks.
“Ik weet het al,” zegt de jongen. “Een latte machiato.”
“Ja, of bemoei ik me er nu mee?” zegt de man.
Ik zucht. Ik zeg niet dat ik zelf ooit een baristadiploma had, dat ligt nu ergens in een kast te verstoffen. Ik heb nooit goed figuurtjes kunnen maken in het melkschuim. Ik weet wél dat ik voor hem per ongeluk een kleine lul met grote ballen had gecreëerd. Of het nu linksom of rechtsom was. Maar ik zet geen koffie meer voor andere mensen. Ja, voor visite. Dat is bijna hetzelfde als in de kroeg, maar toch anders.
Ik denk aan de buurtsuper in het dorp, die na de feestdagen geen groentetaarten meer verkoopt. Die niet over de kop gaat als ieder huishouden in het dorp er wekelijks vijftien euro uitgeeft. We gaan er dus iedere week heen. Voor sap van appels uit het dorp, boerenkool, een potje van dit en een potje van dat, en nu dus niet meer voor de groentetaart.
“Als jij je daar beter bij voelt,” zeg ik. “Dan bemoei jij je er lekker mee.”
“O ja, nee,” zegt de gebatikte kakman.
Er valt een lange stilte.
Ik zeg niks meer.
Ik krijg mijn koffie.
Al dampend neem ik de eerste slok.
Ik zwaai naar de jongen en niet naar de man.
In de trein dampt alleen de koffie nog. De koffie is goed.
Precies zoals ze ‘m altijd voor me maken.