Joey wil alleen maar rennen

Joey wil alleen maar rennen, zei Frenkie vanmorgen aan de bar.
Buiten liepen de groepen mensen in oranje tenues, maar binnen was het leeg.
De vrouw naast hem was al een tijdje weg. Ze had een kop koffie achterover geslagen, haar tas gepakt en geen doei gezegd. Frenkies bierglas was zo snel leeg dat het besloeg en buiten scheen voor eerst deze week de zon.
Het was nog vroeg, een uur of tien.
Joey wil alleen maar rennen, zei Frenkie aan de bar. Ik heb al een hek om de tuin gezet en hem zelfs al eens aangelijnd, maar het heeft allemaal geen zin. Hij klimt over alles heen en het touw dat bijt hij door. Mijn kind lijkt wel een hond. Vorige week moest ik hem van de Waalbrug plukken, nadat een maat me had gebeld dat hij Joey had zien rennen. Gelukkig had hij zijn pyjama aan, want dat is ook wel eens anders geweest. Lag ‘ie in zijn blote piemel in de vijver van het Kronenburgerpark. Oma sprak er schande van.
Frenkie stond al voor de deur te wachten toen ik aankwam. Ik stalde mijn fiets, en toen ik opkeek stond hij daar. Ben je al open? vroeg hij. Over een half uurtje, zei ik. Hij wreef over zijn gezicht en keek daarna naar een vogel die overvloog. Hij dacht na. Hij zou wel even wachten.
Eenmaal aan de bar stak hij meteen van wal.
Hij zei: Z’n moeder is al een week de hort op en vanochtend kwam ze thuis. Ik heb haar maar in bed gelegd en Joey voor de televisie gezet met een zak chips en een fles kindercola en de tussendeur op slot. Daarna heb ik met de deur geslagen, maar ze sliep denk ik al te vast. Joey zwaaide naar me door het raam, terwijl hij het gordijn inklom. Ik heb daarna maar niet meer omgekeken. Joey wil alleen maar rennen, maar vandaag zoekt z’n moeder het zelf maar uit. Ik weet dat je het niet over je eigen kind mag zeggen: maar die rattekop stikt maar in zijn kindercola, ik pluk hem niet meer van die brug. Mag ik nog een Ketel 1? Een kouwe als het kan. Ik wil niet meer naar buiten, want iedereen viert feest. Een stal, dat is het, iedereen loopt maar te zuipen en te vreten. Ik doe niet mee. Vandaag in ieder geval niet.
Een meisje met een verenboa om liep binnen, keek rond en vertrok weer. Buiten hoorden we haar nog roepen. Smerige schijtpino, mompelde hij. Ach, zei ik. Die meisjes doen niemand kwaad. Gelukkig is het hier rustig, zei hij. Ik schonk hem nog eens bij.
Joey wil alleen maar rennen, zei Frenkie aan de bar. Langzaam werd zijn tong dikker en naarmate de kroeg leeg bleef, nam hij steeds een glas erbij. Af en toe rookte hij buiten een filtersigaret die hij thuis met een machientje had gedraaid. Dan schopte hij wat tegen het paaltje. De mensen liepen met een boogje om, staken over naar de andere kant van de straat. Frenkie zweeg steeds meer en toen de middag binnenliep en het officieel tijd werd om te gaan drinken rekende hij af. Die kleine rattekop moest toch ook even een aai, zei hij terwijl hij haastig het briefgeld terug in zijn portemonnee propte. En misschien moeten we maar een blokje om, die kleine man en ik. Laat ik hem daarna even los in de tuin. Ik zou eens een traptractor voor hem moeten kopen of een loopband of een klimrek met een wipkip.
Leunend in de deuropening keek ik Frenkie na. Hij verdween als een grijze zweetvlek tussen het oranjevolk. Langzaam druppelde de zaak vol met mensen. Ik gaf een rondje voor de eerste mensen aan de bar en glimlachte voor de verandering wat meer. Want Joey wil alleen maar rennen. En we weten allemaal hoe dat voelt.