Himmel bieb II

In Berlijn

1.
Ik zag een oude man heel kwaad posters van een muur scheuren. Hij deed het met één hand, want met de andere leunde hij op een stok.

2.
Ik zag een gekke mevrouw, in een panterjas en een paarse legging. Ze had een junkenloopje en heur haar door de war. Honderd meter daarna zag ik een hele sjieke mevrouw, aan de arm van haar dikke besnorde man, met ook een panterjas en een paarse legging.

3.
Bij Potsdamer Platz zijn ze een kerstmarkt aan het opbouwen. Ik zag een meneer op een heftruck een kuub glühwein verplaatsen.

4.
Ik heb, nadat ik ‘m honderdveertig keer heb laten vallen, eindelijk mijn ouwe Nokia kapot laten vallen. De nieuwe knaken-Nokia die ik voor vijfentwintig Duitse euro’s bij een elektronicagigant kocht heeft een evenzo knakerige camera:

Photo0004

Photo0008

Photo0020

Photo0022

Photo0024

Photo0025

5.

Photo0035

En van deze bibliotheek heb ik een biebpas gehaald, en daar zit ik nu elke dag te schrijven. Ik mag pas weg als ik duizend woorden heb getikt. Het is daar verboden om te praten, tenminste: je hoort en ziet niemand praten, terwijl het er wel altijd vol is. Iedereen zit aan een eigen bureautje met een eigen lamp. Je kunt er geen fictie uit de kast pakken, er staan alleen maar naslagwerken. Al het andere moet je bestellen en dan bij een machine ophalen.
Die duizend woorden zijn er altijd zo af.
Gisteren ben ik helemaal bovenin gaan zitten. Ik kon die Siegessäule door het raam boven de bomen uit zien steken.

6.
Morgen weer naar huis.
Ik moet nog wel een currywurst eten, vooral nu ik eigenlijk nooit meer rook. Je moet toch ergens op het randje kunnen leven, nietwaar?

Lijn 1 KeizerKarelplein voor 1920

Forget

Op het Keizer Karelplein werd ik bijna van mijn fiets gereden door een auto die door rood reed. Op mijn koptelefoon speelde op dat moment dit liedje:

Ik dacht aan hoe het zou zijn als ik wel was aangereden. Dat ik helemaal niet de Oranjesingel op zou fietsen, maar dat ik ergens anders in een parallel universum aan het sterven zou zijn. Op het asfalt, met de dopje van mijn mp3-speler nog mijn oren en dan ik dan in de verte George Lewis Jr. zou horen zingen van They’ll give us something, they’ll give us so much to forget.

In de trein had ik naast een hele magere vrouw gezeten. Ze deelde steeds snoep uit aan haar volwassen kinderen die verspreid door de coupé zaten. Ze bewaarde het snoep in een Tupperware-bakje met groene deksel. Lolly’s, trekdrop, zure matten. Achterin bij de deur zaten twee giebelende meisjes. Toen het twaalf uur was, riep-fluisterde de ene tegen de ander: “nu zijn we precies vijf jaar beste vriendinnen”. Ik speelde Tetris op de Gameboy. Ik bakte er geen klote van.

Op de Oranjesingel waren de bladeren aan de bomen bijna bruin, maar de straatlantaarns schenen er nog al het groen doorheen. Verder leek er niemand op straat. Dat was natuurlijk wel zo, er waren zat auto’s en dronken studenten die over het trottoir zwalkten. Maar we weten allemaal dat sommige dingen niet echt bestaan als je er geen aandacht aan besteedt. Althans, dat hoop ik zo vaak.
De laatste tijd steeds meer.

‘s Nachts hoor ik heel vaak mensen op de fiets zingen. Dat had ik mijn vorige huizen nooit, terwijl ik altijd aan drukke straten heb gewoond en net als nu aan de voorkant van het huis sliep. Bijna iedere week hoor ik wel iemand zingen. Niets is zo fijn als iemand horen zingen, buiten in de kou, terwijl je onder de wol ligt met het licht uit. Soms staan de chinezen van tegenover buiten al kletsend een sigaretje te roken, dat vind ik ook heel erg fijn. Het klinkt als vroeger, als de koks van het Chinese restaurant waarnaast mijn ouderlijk huis stond.

Thuis was iedereen uit, maar het licht in de gang was voor me aangelaten. Ik heb gezongen toen ik naar mijn sleutels zocht, niet te hard, niet te zacht, maar gewoon, omdat ik blij was dat ik niet dood lag te gaan op het Keizer Karelplein. En omdat er misschien aan de overkant een Chinese mevrouw in bed lag met het raam op een kier die het ook fijn vindt dat we aan een straat wonen waar er veel mensen zingen.

kermis de kikker

Kermis

Ieder jaar streek de kermis neer in het dorp. Er stond een draaimolen, een rups en er waren botsauto’s. Ik ging wel eens in de botsauto’s met mijn vader, maar ik heb nooit goed begrepen wat mensen daar nu precies aan vonden. Misschien later, als je verliefd was, ik was altijd jaloers op de jongens die met hun meisje rondreden alsof ze aan het toeren waren met hun nieuwe auto. Een arm om haar heen en zij kroop dan dicht tegen hem aan. Tijdens een woest gevaar je vrouw beschermen alsof het je niets doet. Mijn vader sloeg ook wel eens een arm om me heen. Dan pakte hij met zijn ruwe hand mijn onderarm vast. De jongen van de botsauto’s reed iedere ronde mee. Aan zijn sleutelbos hing een fiche met een ring, zodat hij gratis kon. Mijn moeder zat aan de kant en keek. Af en toe zwaaide ze en dan zwaaide ik terug, meestal meteen gevolgd door een schok van iemand die tegen ons aanreed. Ik vond het lekker ruiken, de botsauto’s. De vonken die van het plafond vielen, het rubber, die rare metalen vloer.
Mijn ouders waren geen kermisliefhebbers, ze hingen niet aan één van de barretjes waar je bier kon drinken. Het begon te regenen.
“Je kunt er donder op zeggen,” zei mijn moeder. “Als het kermis is gaat het regenen. Ik denk dat ze dat daarboven erop afstellen. De treurigste plek op aarde.”
“Wil jij nog wat rondlopen?” vroeg mijn vader. “Dan gaan wij vast naar huis.”
Ik knikte. Ik kreeg wat geld in mijn hand gestopt en mijn ouders stapten op de fiets.
In de rups zat een jongen alleen. Hij was van mijn leeftijd en zette zich schrap tegen de rand van het coupeetje waar hij inzat. Verderop stonden automaten waar je met een grijparm knuffelbeesten en horloges uit een pak met piepschuim bolletjes kon proberen te halen. Ik bleek er goed in. Al gauw had ik aan elke vinger een lusje met daaraan het hoofd van het speelgoedbeest. Ik trok veel bekijks. Kinderen wezen, mensen maakten opmerkingen. Toen mijn geld op was liep ik naar mijn fiets. Ik bond een paar trofeeën onder de snelbinders en ik hield er een paar aan mijn vingers met hun lusje. Het was nogal een klus, af en toe viel er een speelgoedbeest op de grond. Het was gestopt met regenen, maar de lucht was nog grijs. Eenmaal thuisgekomen waren mijn ouders er nog niet. Ik bracht mijn beesten naar mijn bed in de hoek van de zolder. Ik heb er een tijdje naar zitten kijken. Ik heb ze geen namen gegeven. Het waren er teveel. Mijn moeder heeft ze aan het einde van de zomer in de Zak van Max gestopt.