Theatre

Robert Jan houdt van gestructureerde eindes

Op een leeg speelvlak staat Robert Jan.
Achter hem staat een bank.
Hij heeft er duidelijk zin in.

ROBERT JAN
Een kunstig toneelstuk zit hem in het eind.
Geen losse eindjes.
Heeft u niet ook zo’n hekel aan van die verhalen waar ineens die rijke oom uit Amerika binnen komt lopen en vertelt dat hij het geld heeft om alles op te lossen?
De Deus ex Machina.
De engel die uit de hemel neerdaalt, net als er niets meer goed kan komen, die dan alles als bij toverslag weer goed maakt.
We zien dat vaker. In matig toneel of in soaps.
Of zoals bij Kruimeltje.
U kent Kruimeltje toch wel?
Die wordt op het eind overreden door een auto en dan blijken net zijn ouders in die auto te zitten en zo is hij op het laatst dan toevallig toch nog verenigd met zijn pa en ma.
Wat een vreselijk slecht eind!
En dat is een klassieker ook nog!
Of zoals bij Dallas.
Dat Pam er achter komt dat ze alles gedroomd heeft.
Dat Bobby helemaal niet dood is! En dat na een heel seizoen!
Koude kermis wat ik u brom!
Welnu.
Het einde van het stuk dat ik voor u heb voorbereid zit wel wat beter in elkaar.
De hoofdpersoon, ik dus, schikt zich in zijn lot.
Geheel en alleen, verstoken van zijn vrouw en zijn familie.
Hij is er eindelijk blij mee, met zijn alleen-zijn.
Hij schikt zich in zijn lot als dakloze.
Voor het eerst in zijn leven is hij vrij!
Zijn vader verliet hem toen hij een peuter was, zijn moeder stierf in het kraambed, zijn vrouw die hem verliet voor een andere man.
Ze brak zijn hart, mensen. Ze brak zijn hart.
Berooid van al zijn rijkdommen is hij achter gebleven.
Zijn verslavingen hebben hem genekt.
Al zijn schuldeisers hebben hem kaalgeplukt.

Sonja komt het podium opgelopen.

ROBERT JAN
Hij heeft zojuist afscheid genomen van Korneel, de oude zwerver waarmee hij de straten afschuimde. Lief en leed deelde hij met deze zonderlinge zwerver. Korneel, zijn allerbeste vriend. Zijn makker, zijn maatje.
”Dag!” zwaaide hij (zwaait). “Dag! Dag Korneel.”
In deze slotscène laat ik u zien hoe hij in het reine komt met zichzelf.

SONJA
Robert?

ROBERT JAN
Sonja?
Sónja?!

SONJA
Robert.
Ik vond je brief.

ROBERT JAN
Ja, maar.
Je was.
Dat was.
Drie jaar.
Jij ging.
Met hem.
En ik.
Ik.
Ik ben hier een toneelstuk aan het spelen.

SONJA
Dat weet ik.
Maar ik vond je brief.

ROBERT JAN
Die brief heb ik drie jaar geleden verstuurd.
Toen we.
En jij.
Continue reading…

de bar

De hoek van de bar

De eerste keer dat ik een vermoeden begon te krijgen dat het hoekje van de bar magische krachten bezat was op een zonnige dinsdagmiddag in mei. Dinsdagmiddagen zijn altijd rustig. Mensen hebben het weekend nog te kort achter de rug om weer stevig de kroeg in te gaan, en het is nog te vroeg in de week om al iets te gaan vieren. Het is ook geen maandag, wat als sterke kracht heeft dat het algemeen geaccepteerd is om het een klotedag te vinden en dat dan misschien een reden is om de kroeg in te gaan. Dinsdag is een niksige dag, vond ik altijd. Misschien spookte het daarvoor ook al, maar dat was me in die twintig jaar daarvoor nooit opgevallen. Waarschijnlijk was ik er gewoon wat vatbaarder voor in die tijd. Ik sliep slecht, ik had moeite met alleen zijn, met drank, met mijn ouders, met iedereen.
Gelukkig werkte ik in de kroeg.
De Gesmolten Emmer hield juist van dinsdagen. Hij was een kleine maand daarvoor overleden, onze laatste ouwe stamgast, en hij had het me wel al eens proberen te vertellen, maar dat realiseerde ik me later pas.
“Die hoek van jullie bar is een portaal naar de hel,” had hij gezegd.
Ik had hem genegeerd. Die plankjes achter de bar konden best nog wel een lapje gebruiken. De plankjes waren altijd een dankbaar tijdverdrijf als je geen zin had om naar dat constante geouwehoer van de grijze dakduiven aan de bar te luisteren.
“Ja, jij hoort me wel.”
Ik zuchtte.
“Jouw kruk is ook een poort naar de hel,” antwoordde ik.
Hij rolde een shaggie en grinnikte.
“Ik zie dat soort dingen,” zei hij.
“En ik zie dat jij aan je laatste biertje zit,” antwoordde ik. “Ik zie dat soort dingen.”
Ik gaf De Gesmolten Emmer mijn nepglimlach, een gezichtsuitdrukking die ik had ontworpen speciaal voor momenten als deze. Het was mijn kunstwerk. Na twintig jaar achter de bar staan had ik die glimlach geperfectioneerd: degene die ‘m kreeg hield altijd meteen zijn of haar mond, en tegelijkertijd kon ik zien dat diegene niet de vinger erop kon leggen waar dat nou door kwam. De glimlach opereerde in dezelfde regionen als de golven die ervoor zorgen dat je, als je ergens binnenstapt, aanvoelt of de sfeer goed of slecht is. Ik ging verder niet op het verhaal van De Gesmolten Emmer in. Ik ben geen maatschappelijk werker.
Die zonnige dag in mei was het rustig in de stad. Buiten wapperden de plantjes op de terrastafels in een briesje en de enige twee klanten die ik aan de bar had waren De Kneek en een jongen die we Stinkmeneer Nummer Twee noemden. We hadden al eerder een Stinkmeneer gehad, die na een paar weken beraad, over wie het nu moest gaan zeggen dat hij er niet meer in mocht voordat hij iets aan de lichaamsgeur had gedaan, de plaat had gepoetst. De Stinkmeneren zijn altijd een beetje gek. Je wordt niet zomaar een stinkmeneer. Ze doen geen kwaad, maar na een tijdje moet je er toch iets van gaan zeggen, omdat op hele drukke dagen niemand bij de stinkmeneren in de buurt wil zitten en er dus omzet wordt misgelopen. Nu goed, maanden na de eerste stinkmeneer wandelde er een nieuwe stinkmeneer binnen. Een jongen nog, met een lief gezicht. Hij zat ergens ver weg in het doolhof van een psychose. Een vriendelijke psychose, dat wel, meestal zat hij een beetje in zichzelf te neuriën boven zijn kopje mangothee.
Iemand vertelde me ooit dat toen de mensen nog kuddes waren, er altijd een paar waren die als eerste het gevaar voelden en op de vlucht sloegen. Mensen met een betere antenne. Ik ben ervan overtuigd dat dat de beste barmensen zijn. Mensen die hun antenne scherp afgesteld hebben staan. En de beste alcoholisten, dat ook.
Ze zaten aan het hoekje van de bar, De Kneek en Nummer Twee, maar met elkaar praten deden ze niet. De Kneek had het wel een paar keer geprobeerd, alweer jaren terug, maar Nummer Twee had nooit iets teruggezegd. En sinds zwegen ze, zo naast elkaar aan de bar. De Kneek keek hoopvol naar de deur in afwachting van iemand waarmee hij een praatje kon maken, Nummer Twee keek naar zijn mangothee en ik stond op het keukentrapje en poetste de plankjes achter de bar alweer voor een vierde keer. Uit de luidsprekers klonk een deuntje. Sunrise, sunrise, zong Norah Jones, looks like morning in your eyes. Ik dacht aan de Gesmolten Emmer. Dit was zijn lievelingsliedje.
En ineens klonk er gezang.
Oehoehoehoeoeoe, klonk het achter me.
Oehoehoehoeoeoeoeoeoe.
IJl en zuiver. De kroeg leek te galmen als een kerk. Ik keek om en zag De Kneek en Nummer Twee met gestrekte nekjes wiegend zingen. Ze keken niet naar elkaar, ze keken niet naar mij, ze strekten alleen hun nek en zongen.
Als engelen.
Ik had het wel vaker horen zeggen, dat het bij ons spookte. Een ouwe meneer die al in de kroeg kwam toen er in de kelder nog een biljarttafel stond vertelde dat hij bleef liever staan, ook al waren er twee krukken op de knik van de bar vrij. Maar het spookt in elk café, als je alle verhalen zou geloven. Dat is ook niet raar, want in de kroeg worden mensen dronken en als mensen dronken worden dan gaat het spoken, dat is normaal, daar is drank ooit voor uitgevonden. Bij de eerste kroeg waar ik ooit ging werken, vielen wel eens spontaan glazen van de plank, zei men, of hoorde je ’s nachts na sluit op de zolder voetstappen. Ik vertelde die verhalen gretig door aan nieuwe collega’s, al had ik ze zelf nooit meegemaakt. Dat hoeft ook niet, vind ik, bij een goed spookverhaal.
Ik stapte met mijn poetslap van het trapje af, liep naar de stereo en sloeg op de open-knop. De muziek viel weg. Nog eventjes zongen ze door, maar toen was de betovering verbroken. De cd-lade schoof open.
“Sorry,” zei ik. “Ik haat dat nummer.”
Ik zette iets anders op. Nummer twee keek weer in zijn kopje en De Kneek wendde zich weer tot de deur.
Ik zeg niet snel sorry. Ik voelde me schuldig. Als je consequent teveel drinkt, weken lang, dan raak je in een staat van melancholie die de normaalste dingen ineens mooi kan maken, die maakt dat je het gevoel krijgt dat iedereen zomaar kan zien dat het leven voelt alsof alle liefde die je in hebt als een geknapte slagader uit je sproeit. Ik vond zelf ook dat het niet heel erg goed met me ging, dus ik was naarstig op zoek naar oplossingen. Ik zocht het overal: in vrienden, op de bodem van een glas, tussen de lege vouwen van mijn lakens, op mijn bank waar niemand op zat.
Die nacht draaide ik pas laat de deur op slot en begon mijn routine. Kratten vullen, krukken stapelen, vegen en als laatste het poetsen van de bar. Ik kwam net overeind van het schoonspoelen van mijn doek in een emmer dampend sop, toen ik zeker wist dat er iemand aan de bar zat.
“Had je de engelen gehoord?” hoorde ik achter me.
Het was de Gesmolten Emmer. Hij zat op het hoekje van bar achter een glas bier en er rookte een sigaretje tussen zijn vingers. Ik knikte. Ik had ze gehoord. Hij knikte tevreden. Van de poetsdoek in mijn hand druppelde water ritmisch op de grond, als een metronoom. Zijn knikken ging langzaamaan mee in het ritme van het tikken, terwijl hij me aan bleef kijken en een trekje van zijn shaggie nam. Ik had niet eens de behoefte om iets te zeggen. Ik stond daar maar. Misschien stond de tijd wel stil, gingen de jaren voorbij, draaide de wereld gewoon door, zaten we in een luwte, in een knik van het heelal. Het druppen hield op, de poetsdoek dampte niet meer, het water trok langzaam in de plankenvloer achter de bar. Ik keek naar de doek mijn hand, en toen ik weer opkeek was de bar leeg. Het bier was weg, de asbak was weer schoon. Ik stak een sigaret op, maakte de doek weer nat in het sopje en begon de bar te poetsen.
Ik heb het verhaal nooit aan iemand verteld. Ik sta nog vaak na sluit met een natte doek in mijn handen naar de hoek van de bar te staren, maar de Gesmolten Emmer is nooit teruggekomen. Je bent een barvrouw die zich niet als maatschappelijk werker wil gedragen ook niets verschuldigd, als je eenmaal al je openstaande rekeningen hebt betaald. Dat besefte ik toen pas voor het eerst, maar het was een wet waar ik eigenlijk altijd al het bestaan van had geweten.