hoe-ik-mijn-smartphone-deel-1

Het leven zonder smartphone

Voor Brabants Dagblad, De Gelderlander, Eindhovens Dagblad, PZC, Stentor, Tubantia en BN De Stem schreef ik een stuk over mijn leven als smartphoneloze (klinkt eigenlijk heel erg melaats). Dat schijnt toch iets exotisch, tegenwoordig. Spijt heb ik overigens nog steeds niet, dat ik mijn iPhone verruilde voor een ouwe Nokia. November aanstaande is het een jaar geleden, misschien moet ik dan een feestje geven waar iedereen zijn telefoon bij de deur moet afgeven. Met wegwerpcamera’s en opschrijfboekjes.

white_square1.jpg
(Sorry voor de drie foto’s, in plaats van één grote. We hebben maar een heel klein scannertje.)

(Normale mensen hebben hier een app voor…)
white_square-outlined1.jpg

Klik voor een vergroting.

hoe ik mijn smartphone deel 1

hoe ik mijn smartphone deel 2

hoe ik mijn smartphone deel 3

Hoe ik mijn smartphone in de plomp smeet

Sinds tien maanden is schrijver en hoorspelmaker Hanneke Hendrix smartphone-vrij en de trotse bezitter van een Nokia 3310 met monotone beltonen en snake, die maar twintig berichtjes opslagruimte heeft. Dezelfde die een week zonder opladen kan en die ze ooit onder de trein liet komen en die het gewoon nog deed.

Tien maanden geleden ging ik op vakantie naar Frankrijk en besloot ik in een opwelling om alleen mijn ouwe Nokia mee te nemen. Het besluit maakte me direct zenuwachtig. Wat als we de weg kwijt zouden raken? Wat nu als we plots een hotel moesten zoeken, of een restaurant? Wat als ik een schrijfopdracht was vergeten te mailen? Ik schaamde me voor mijn eigen angst. Ik ben verdomme ooit naar Nieuw Zeeland gevlogen zonder dat ik überhaupt een telefoon bij me had. Tijdens de tussenstop in Taipei lieten een vriendin en ik ons door een taxi ergens in de stad afzetten en zijn we teruggelopen, zonder Google Maps, Google Translate of Yelp. Een kop koffie bestellen lukte alleen maar omdat er toevallig een poster in de zaak hing met daarop een afbeelding van een glas koffie verkeerd. Daar wezen we naar en vervolgens stak ik twee vingers op. We waren tweeëntwintig, we vlogen van het ene end van de wereld naar ’t andere en vijftig uur lang wist niemand waar we waren. Ik vond dat niet eng. En nu, twaalf jaar later, stond ik op het punt om naar Frankrijk te gaan met een gewone mobiele telefoon in mijn tas en was ik zenuwachtig. Wat een onzin.

Ik was jarenlang vergroeid met mijn iPhone. Ik twitterde, facebookte, instagramde, runkeeperde, liet gps-apps meelopen als ik de deur uit ging zodat ik ’s avonds in bed kon bekijken hoeveel ik had gewandeld of gefietst, scande alles met de Appie, zocht recepten op, kreeg pushberichten als iemand me op twitter of instagram ontvolgde, kreeg pushberichten als ik een trein moest halen, als er nieuws was, als er roddels waren, en ik zat in een stuk of tien zeer actieve whatsappgroepen met allemaal gevatte mensen. Alles was leuk. Te leuk. Te leuk en te handig en te verslavend. Op sommige dagen realiseerde ik me ’s avonds dat ik mijn iPhone vrijwel de hele dag in mijn hand had gehad. Ik deed er alles aan om te minderen. Ik liet mijn telefoon ’s nachts beneden, zette ’m uit, nam een abonnement zonder internetbundel, verwijderde apps en schakelde alle meldingen uit. Het hielp allemaal niets. Ik trippelde ’s nachts stiekem de trap af om ’m te halen, mijn telefoonbedrijf bleek zonder internetbundel tóch een basisinternet uit te zenden waarmee ik gewoon kon whatsappen en ik facebookte en twitterde via de browser.
Nadat we thuiskwamen van onze vakantie in Frankrijk zat ik binnen een paar uur weer volledig in mijn iPhone. Er is iets met het swipen over dat scherm wat het veel verslavender maakt dan surfen op een laptop. Een Pavlov-reactie die maakt dat het ontzettend lekker is om met je vingers door die pagina’s te zeilen. Vaak voelde ik me een hond in een kooi die loopt te ijsberen, steeds opnieuw datzelfde rijtje: bak, hek, deur, mand, bak, hek, deur, mand. Gmail, Facebook, Whatsapp, Twitter, nieuwssite, Gmail, Facebook, Whatsapp, Twitter, nieuwssite.

Een dag later besloot ik om mijn iPhone weg te doen. Ik heb er geen moment spijt van gehad. Zelfs niet toen ik verdwaalde, zelfs niet toen ik een feestje miste omdat ik geen whatsapp meer heb. Het grappige is dat ik helemaal niet het gevoel heb dat ik iets mis. Ik liep vroeger altijd vreselijk te stressen als ik van een afspraak een trein moest halen, ik keek tijdens mijn wandeling op Googlemaps of ik wel op schema lag en niet verkeerd was gelopen en controleerde of de trein op tijd reed. Nu wandel ik gewoon naar het station en dan zie ik daar wel hoe laat er eentje gaat. Het gekke is dat ik de weg ook niet zo gemakkelijk meer kwijtraak, omdat ik op de heenweg om me heen heb gekeken in plaats van op dat ding. Ik heb veel minder toegang tot informatie, maar dat maakt juist dat ik minder stress ervaar. Het leek altijd alsof het tussendoor beantwoorden van e-mails tijd opleverde, maar het tegendeel blijkt waar. Mensen merken het niet eens als je niet binnen het uur een e-mail beantwoordt. De verslaving zit ’m niet in het bestaan van de aanbieders zelf (Facebook, NOS, Whatsapp, etc.), maar in de menselijke neiging tot het zoeken van afleiding en verstrooiing, en in het feit dat deze verstrooiing met een smartphone continu beschikbaar is.

Natuurlijk mis ik mijn iPhone soms, natuurlijk ben ik de weg wel eens kwijt. Onlangs verdwaalde ik ’s nachts in Amsterdam. Een half uur lang zat ik vloekend op de fiets, tot ik de weg weer gevonden had. Maar de paniek die je overvalt als je even niet weet waar je bent is ook iets waar je aan went, heb ik het afgelopen half jaar geleerd. We doen in Nederland net alsof we in een oerwoud zitten, waarin we sterven als we de weg niet meer weten. Ik geloof dat je in Noorwegen nog bossen hebt waarin je daadwerkelijk voorgoed kunt kwijtraken, maar ik kan me niet herinneren dat er in Nederland de laatste decennia ooit iemand is doodgegaan omdat hij verdwaalde.

Vanaf het moment dat ik mijn iPhone wegdeed kan ik mijn hond-in-een-kooi-rondje van Gmail, Facebook, Twitter, nieuwssites, Gmail, Facebook, Twitter, nieuwssites, alleen nog op mijn laptop of de vaste computer maken, en daardoor blijft de verslaving beperkt tot één plek. Je trekt nu eenmaal niet zomaar in de bus of voor het stoplicht je laptop tevoorschijn. Nu staar ik in de rij bij de supermarkt ouderwets voor me uit en dagdroom ik in de trein. Normaal greep ik bij elk moment waarop er niets gebeurde direct naar mijn telefoon. Nu lees ineens een boek in de week, want ’s avonds in bed ben ik namelijk niet afgeleid door de smartphone naast me waarop misschien wat gebeurt, waarop misschien iemand iets grappigs zegt en geloof me: ik heb de grappigste vrienden van de wereld. Ik merk steeds meer hoe belangrijk het is om over de schijnbaar onbelangrijke dingen na te denken. Om voor je uit te staren. Zenuwachtig ben ik niet meer als ik de deur uitga. Ja, soms, als ik op weg ben naar een afspraak en me realiseer dat ik geen telefoonnummer van diegene heb opgeschreven. En als er iets heel erg leuks gebeurt kan ik er geen foto of filmpje van maken, maar ook dat is niet zo’n ramp. Dan moet ik het maar gewoon onthouden, nietwaar?

Manna

Manna

Op de stoep voor Manna stond een dikke zwerver met een halveliterblik bier in zijn hand over de keurig gesnoeide heg heen te roepen naar de nette mensen die kreeft zaten te eten.
Ik fietste voorbij en hoorde hem “Hé, hé, smaakt het? Smaakt het?” steeds herhalen.
De zon scheen.
De vogels floten.
En het was een prachtige dag, lieve mensen, het was een prachtige dag. Het regende nog net geen brood.

ca,era obscura

De orgelman

Vanochtend hadden de zon en de gordijnen als een camera obscura beelden op mijn plafond geprojecteerd.
Ik zag de straat, waarover auto’s reden (rode, witte, zwarte en blauwe) en fietsers fietsten. Bij elke windvlaag danste de straat, werd het plafond ineens een strook met licht. Ik lag daar en ik keek. Een rolstoeler reed voorbij. Ik dacht: is dit dan het leven. Lag Plato ook zo op zijn IKEA-matras naar het plafond te staren en dat hij dacht: dat daarbuiten is heel het leven niet. Het is slechts een projectie op mijn plafond, veroorzaakt door de zon die door de door mijn moeder genaaide gordijnen schijnt. Misschien bestaat buiten helemaal niet. Misschien wordt alles pas in gang gezet als ik opsta en naar buiten kijk, als een computer die supersnel wordt opgestart, een draaiorgel dat ineens begint te spelen met muzikantjes die vanuit eeuwenlange stilstand ineens driftig op hun trommels en bellen slaan.
Ik zei: wie is hier de orgelman? Nou?
Er waaide weer wat door de kier in het gordijn.
De orgelman zei: ja ja ja, nou is het wel weer goed, Hendrix. Sta nou maar eens op. Een beetje op een doordeweekse donderdag naar het plafond staren.
Een wolk trok voor de zon. De kamer werd weer donker. De zaallichten gingen aan. De voorstelling was voorbij.
Ik stond op en trok de gordijnen open.

sunbathing

Andere wind

‘Mis jij het?’ vraagt Mulder naast me in het zand.
Ik haal mijn schouders op.
‘Ja,’ zeg ik.
Het is warm. Misschien wel bijna veertig graden. Ik lig op een geleend strandlaken in een zwembroek van de dollarshop en de zon brandt. Af en toe loop ik het water in. Ik kan voelen dat ik aan het verbranden ben. Alleen toeristen liggen op dit tijdstip van de dag op het strand.
‘Zou ze Vastelaovend gaan vieren?’ zeg ik.
De beste vriendin van Mulder had een paar dagen daarvoor halsoverkop het vliegtuig naar huis moeten pakken omdat haar vader dood was neergevallen. Of ja, het vliegtuig: de vliegtuigen kun je beter zeggen. Een tocht van zesendertig uur, van Christchurch naar Auckland en van Auckland naar Melbourne en van Melbourne naar Hongkong en van Hongkong naar ergens in Thailand voor een tussenstop en dan naar Amsterdam. Daar werd ze door haar oom opgehaald en naar Venlo gereden.
‘Natuurlijk niet,’ zegt Mulder.
‘Nee,’ zeg ik.
‘Ik zou wel zijn gegaan,’ zegt Mulder.
‘Ik ook,’ zeg ik.
‘Echt?’ zegt Mulder.
Ze lacht hard en schel. Ze gooit haar lange blonde haar over haar schouder.
‘Je bent echt vreselijk,’ zegt ze.
Ik sluit mijn ogen. Naast me staat Mulder op en loopt naar het water. Ik zing zachtjes.
‘Dinsdagmerge, de lucht is blauw, ‘t strand lup vol en heer lig ik nou.
Is ‘t de tiende of d’n ellefde, elken daag liekt heer ‘t zelfde.
‘t Werme zand, ‘t drinke lauw.’
‘Je kunt een boer wel van het platteland halen,’ zegt Mulder, ‘maar het platteland niet van de boer.’
Zo zeg je dat niet, trut, denk ik. Ik wil zeggen: zo zeg je dat niet, domme koe. Je gebruikt het met een aanduiding van een stad of een land of een streek, niet met zoiets algemeens als het platteland. En het betekent niks: het platteland van een boer halen. Alsof het een soort korst is die je af kunt pellen. Maar ik zeg niks, ik zeg nooit wat. In plaats daarvan zing ik en ik zing al weken hetzelfde liedje. Mijn vriendin draaide het graag. Ik wilde het niet, maar ik ken het uit mijn hoofd. Ik denk aan Nederland. Ik mis niemand. Misschien mis ik het feest. Het feit dat daar iedereen nu buiten is en dat het niet uitmaakt of je iedereen of niemand kent. Ik ken hier Mulder, al heb ik niet het idee dat Mulder dit gegeven veel interesseert. Ik vind het hier prima. Ik heb een brief geschreven en die op de keukentafel achtergelaten, ik heb een goedkope kofferset gekocht bij de Action, mijn mobiele telefoon weggegeven aan een kennis en ik heb een ticket gekocht naar de verste bestemming die binnen mijn budget lag. In het eerste hostel trof ik een Nederlandse van mijn leeftijd achter de balie die deed alsof ze geen Nederlands meer kon.
‘Hoe lang ben je hier dan al?’ vroeg ik.
‘I dunno,’ zei ze. ‘Maybe already zestien months.’
Er verandert niets. We blijven voor eeuwig op het schoolplein.
De dag dat ik vertrok was het nog net geen Kerst. Dat is het enige verschil met als je volwassen bent. Je kunt je spullen pakken en vertrekken als het je niet meer zint.
Mulder lijkt niet triest, maar ze is het wel. Ik kan dat zien, ik heb daar oog voor. Ze loopt tot aan haar middel het water in en daar blijft ze staan. Ze gaat langzaam met haar handen door het water. Bij Mulder lijkt het altijd of ze door een camera wordt gevolgd. Alsof ze niet gewoon in het water van Tailors Mistake staat, zoals ze op dit moment per saldo doet, maar in een frame van opnames voor een reclame voor eau de toilette. Iets met bloemen, iets met zon. Ik ben niets bijzonders en dat is helemaal niet erg. Dat kost minder energie. Tenminste, als je eenmaal kunt accepteren dat ze niets bijzonders bent. Ik was daar wel klaar mee. Bijzonder zijn. Mulder strekt zich uit en draait haar gezicht in de zon. Het strand is leeg. Ik zing wat harder.
‘Al zoe lang ni mier gedoan, mit zien allen urges hin gegoan. Nou zitte weej hier bij elkaar, ik loep nar boete en ik staar. Ik kiek of ik ‘n ster zeen stoan.’
Sommige dagen lijken beter geprint dan de andere dagen, op beter papier. Ik weet nog hoe ik een middag in de kersenboom zat, in mijn ouders achtertuin, en dat ik keek naar hoe de melkboer met een mandje voor de melkflessen aanbelde bij de overburen. Ik weet nog hoe ik me een keer verstopte achter de lakens aan de wasmolen toen Saskia Zegers bij mijn zus kwam spelen. Ik zat toen nog niet op school. Ik was misschien pas vier. Maar ik zie het nog steeds, met deze ogen. Het schijnt dat je ogen bij je geboorte al zo groot zijn als ze nu zijn. Ik las dat pas. Ik wist dat helemaal niet. Ik wist alleen dat je oren en je neus je hele leven doorgroeien. Ik weet niet eens of het echt waar is, van die ogen, maar als ik denk aan dat moment achter die lakens aan de wasmolen en ik zie mijn zus en mijn moeder en ik zie het grasveld met de kale plekken van het voetballen en hoe duidelijk dat klinkt dan lijkt het te kloppen. Ik denk aan de ogen van mijn dochter. Ik vraag me af of ik ze zou herkennen als ik haar pas over tien jaar weer zie.
Mulder pakt haar spullen in.
‘Ik wil terug de berge in, um boave wir dat meer te zien. Zoe hoeg dat ik ‘t neet begreep, zoe stil dat ik ‘m bijna kneep, woar alles in ‘t niks verdween.’
Ik dein mijn hoofd een beetje.
‘Ik zie je wel weer een keer,’ zegt ze.
Ik knik.
Ik weet ook wel dat dat niet zo is.
We hoeven geen vrienden te worden, alleen omdat we allebei uit Venlo komen. Ik denk aan hoe de straten van de stad er nu bij liggen. Ze zullen wel bijna leeg zijn. Ik denk dat ik nu ver genoeg weg ben om niets me meer te laten raken. Ik weet het bijna zeker. Misschien loopt er hier of daar nog iemand met een lege plastic beker en een laatste peukje, die hoopt dat er ergens een café open is. Volgens de laatste weerberichten vroor het in Venlo.
‘Umdat ik soms zoennen eikel bin, zit ik heer, wil ik doar wir hin. Bin ik doar, mis ik mienen hond, bin ik heer, wil ik de werlt wir rond.’
Ik heb dorst.
Maar ik drink niks. Ik sta niet op om naar de auto te lopen. Ik blijf liggen. Ik blijf liggen en ik zing. Ik zing met alles wat ik in me heb.
‘’t Is de wind, andere wind, kumt in mien neus, kan d’r neet neeve. Andere wind, ik heb geen keus, kumt in mien neus, ge mot meej vergeave. Umdat ‘t doar altied anders is.’
Daarna is het strand stil.