Een rondje rennen

- Er vloog een hommel een eindje met me mee
- Een grote woest uitziende meneer verontschuldigde zich als Obelix omdat zijn minihondje in de weg liep
- Ik kwam Geertje tegen nèt nadat ik uitbundig Toni Braxton had lopen playbacken
- Op het klimrek zaten jongens van twintig
- Ik struikelde bijna over een snoer de stofzuiger van een meneer die zijn auto aan het poetsen was
- Ik dacht aan hoe ik zou vallen en mijn gezicht zou schaven
- De kat dronk uit de vijver
- Ik was niet gevallen, ik ben zo vreselijk onhandig, maar ik was niet gevallen
- Overal wapperden gordijnen uit de ramen
- Het was nog vroeg, misschien een graad of twintig
- Thuis vond ik twee voorwerpen die al een week kwijt waren

De geldautomaat

Ik moet steeds denken aan de vrouw die ik gisteren op het nieuws zag. Ze zat op een stretcher onder een parasol. Ergens scheen de zon heel erg fel. Het was in Griekenland, maar het zag eruit alsof we hier bij ons achter zaten, bij mevrouw Pudens in de tuin. De vrouw zei: “Volgens mij valt het allemaal wel mee. Ja, gisteren had ik een geldautomaat die leeg was, maar verder zitten ze allemaal gewoon vol met geld.” Als kind dacht ik dat de fabrieken de wolken maakten. Soms moest ik aan de hand van mijn moeder mee naar de bank om geld te halen, dat duurde voor mijn gevoel altijd uren. Ik weet nog hoe het daar rook, ik zie alles nog voor me: de vloerbedekking, de harde stoel waar ik op zat te wachten, hoe het natte sponsje voelde in het pennenbakje op elk tafeltje. Mijn moeder is nog jaren aan de toog geld gaan halen, ook al was er een geldautomaat, net zolang tot het bankfiliaal in het dorp werd opgeheven. “Gewoon vol met geld,” zei de vrouw. “De automaat zat gewoon vol met geld.”

Het nieuwe huis

Op een dag was het dan toch gelukt. Ze zat op haar bank, met haar handen in haar schoot. De gordijnen waren nog niet opgehangen, de schilderijtjes al wel. Ze had het zich vaak voorgesteld: als ik weer opnieuw begin dan hang ik overal die kleine schilderijtjes op met berglandschappen en bloemen en huisjes en vogels, die al honderd jaar op de zolder liggen te verstoffen. Ze had het precies een week terug aan haar man en kinderen verteld.
Het was aan het zondagochtendontbijt.
Ze zei:
“Ik ga vanaf vrijdag ergens anders wonen.”
Haar man fronste zijn wenkbrauwen.
“Huh?” zei hij.
Ze had een hele tijd terug gereageerd op een advertentie van de woningbouw. Ze reageerde al sinds haar studententijd op woningen van de woningbouw, maar ze was nooit zo hoog geëindigd dat ze mocht komen kijken. Dat paste ook in haar straatje: ze sjokte altijd achteraan, kwam altijd aan als de lekkere dingen al uit het buffet waren gegeten door de mensen die wel bij de woningbouw naar mooie huizen mochten komen kijken. De brief waarin stond dat ze het mooi appartementje in een wijk een paar wijken verderop kon betrekken was op een dag op de mat gevallen. Er stond: u bent 1e.
“Ik ga vanaf vrijdag ergens anders wonen,” zei ze nog eens.
“Ja, ik heb je wel verstaan,” zei haar man. “Maar ik begrijp niet wat je zegt.”
“Ze zegt dat ze ergens anders gaat wonen,” zei dochter 1.
“Ja, dat snap ik wel,” zei haar man. Hij twijfelde even. “Maar ik begrijp het niet.”
“Is dat niet hetzelfde? Snappen en begrijpen?” zei dochter 1.
“Daar gaat het nou niet om,” zei haar man. Dochter 2 was gaan huilen.
Ze had haar bestek neergelegd en ze zei:
“Het is een prima huis waar ik heenga en jullie blijven allemaal gewoon hier. Ik heb al een verhuisservice gebeld, de rest van de week ga ik pakken.”
“Wat is er met je aan de hand?” zei haar man. “Ben je gek geworden? Je kletst uit je nek. Je hebt helemaal geen huis. Dat zou jij nooit doen: gewoon een ander huis nemen.”
Ze dacht na. Daar had hij gelijk in. Ze zou dat nooit doen. Dit was niks voor haar. Misschien was ze wel gek geworden. Dat kon. Er werden om de haverklap mensen gek in de wereld. Elke seconde wordt er ergens in wereld wel iemand gek. Eigenlijk was dat heel normaal. Eén, twee, drie, vier.
Vrijdags stopte de verhuiswagen voor de deur.
Ze had tot die tijd op een luchtbed in de waskamer geslapen.
“Dat jij niet helemaal kapot aan het gaan bent,” zei haar man op een nacht, midden in de nacht, in de deuropening. “Daar begrijp ik werkelijk helemaal niks van. En dat je niet kapot gaat van het idee dat ik kapot ga, dat begrijp ik al helemaal niet. En dat je niks zegt. Ik heb er gewoon geen woorden voor. Ik ga kapot hier. Ik ga helemaal kapot.”
Ze hield haar hand voor haar ogen tegen het ganglicht, ze kwam een beetje overeind in de dekens.
“Ben je nog van plan om uit te gaan leggen over hoe en wat met dit geschifte plan van je? Nou? Nou?”
Daarna sloeg hij de deur weer dicht. Ze hoorde hoe dochter 2 een huilbui inzette.
“Ja, en dat doe ik óók nog wel even een keer!” riep haar man vanaf de gang.
En nu was alles uitgepakt. Alles stond waar ze het bedacht had. Er miste nog wat: de gordijnen en de plinten, maar verder was alles er. Haar hart maakte een sprongetje. Het leek op hoe het voelde toen ze de eerste nacht op kamers woonde en vanuit haar hoogslaper naar het kleine kamertje onder haar keek.
Ze had er helemaal geen woorden aan vuil gemaakt. Het was ook niet meer nodig dat iemand het begreep. Daar was ze aan voorbij gegaan. Ze had gevoeld hoe dat ging, dat voorbij gaan. Ze las de brief en langzaam was het haar gaan dagen. Ze dacht: ik ga gewoon. En elke ochtend kon het haar minder schelen wat iedereen ervan zou denken. Het was wonderlijk, hoe snel het gegaan was. Ze keek naar de zon die door de bomen voor het raam scheen, net zo lang tot het donker werd. Ze zou morgen wel de televisie aanzetten. Of niet. Dat kon ook.

De huisschilder

Ik droomde vannacht dat ik huisschilder was. Ik fietste op een bakfiets de stad door, het was nog heel erg vroeg, het was nog donker. Ik denk dat het winter was, alles zag eruit alsof het vroor, krakend wit, alles met een laagje stilte, maar ik had het niet koud. Het volgende moment stond ik op een dak, daar schuurde ik een schutting en langzaamaan werd het licht. Ik dacht terug aan toen ik schrijver was en alles maar woorden, woorden, woorden. Die tijd was gelukkig voorbij. Ik kon gewoon met die kwast en die pot en die schuurmachines. Er was een mevrouw die af en toe het dak opkwam en koffie bracht. Uit de schoorstenen op de daken kwamen wolkjes rook. Het regende niet. Er waren misschien wel tien merels die zongen. Iemand vertelde me ooit dat schilders het leuk vinden om de ladder zo neer te zetten dat voetgangers er wel onderdoor moeten lopen, om te kijken naar hoe mensen twijfelen en moeten kiezen tussen de zekerheid en onzekerheid van bijgeloof.
Maar misschien is dat heel het leven wel.
Wat als?
Wat als?
Wat als ik een huisschilder was, wat als ik alles anders had gedaan, wat als ik links was gegaan, de auto niet had genomen, wat als ik de telefoon had gepakt, wat als ik nooit meer uit bed was gekomen?
Sommige dromen blijven de hele dag hangen. Je kunt niet alles van je lijf verlangen, dat het alles zomaar vergeet. Het is een koude dag vandaag, maar ik heb het niet koud gehad.
Toen ik de stad in wandelde had een schilder zijn ladder over het trottoir in de goot gezet. Ik heb er even naar staan kijken en daarna ben ik er onderdoor gewandeld.

Oude dame

De rok van de oude oude dame waaide op. Ze liep traag en wankel met haar stok over het zebrapad. Steunkousen, grijze schoenen met van die gaatjes in het leer. Het was best een kleurige rok, beige met paarse bloemen. Haar witte onderrok was te zien door de windvlaag. Ze merkte het zelf niet, ze was te ingespannen om heelhuids het zebrapad over te komen. Ik denk dat ze zich zou schamen als ze wist dat iedereen op het terras haar onderrok kon zien. Dat hoeft niet, wat mij betreft, maar goed: wat of ik allemaal vind, daar trekken oude dames zich meestal niets van aan. Gek eigenlijk, dat dat schamen zich altijd los beweegt van wat mensen daadwerkelijk vinden.
Op een dag ben ik ook oud.
Ik zei: ik weet wel dat het niet zo is, dat weet ik wel, maar pas realiseerde ik me dat ik altijd nog het gevoel had alsof ik op een dag weer ga studeren, alsof ik op een dag weer op kamers ga, alsof ik op een dag weer heel dun ben en besluit om er dan wél van te genieten, dat ik weer opnieuw achttien ben en ik alles weer eens over mag doen. Maar dat kan helemaal niet. Die tijd komt nooit meer terug. Ik word nooit meer twintig. En ik wist dat wel, heus wel, alleen had ik ergens gewoon het gevoel alsof dat wel zo was. Het was logisch. Dat ik dacht: alles kan. Ik heb de tijd.
David zei: diep in het hart heeft elke man tot zijn vijfentwintigste de hoop dat er ergens, ergens misschien een kleine kans is dat hij tóch nog profvoetballer wordt. Je weet wel dat het niet zo is, maar ergens denk je: het kán.
De oude dame bereikte de stoep. De wind ging liggen. De auto’s reden weer voorbij. Ik bestelde nog een koffie.

Het beste van vandaag:

The Daily Show
“It’s really heartening to see that everyone is willing to not only accept Caitlyn Jenner as a woman, but to waste no time in treating her like a woman.”