bakker IV

Die van de bakker #V

Het meisje was al zeker vijf minuten tegen de vitrine aan het schoppen en het aan het krijsen terwijl haar moeder haar de zaak uit probeerde te sleuren. Ze had haar kleine vingers net achter de metalen strip weten te haken waarmee de virtinedeur aan de toonbank is vastgemaakt.
Als haar moeder te hard trok gilde ze van de pijn, maar loslaten deed ze niet.
“Ik wil die!” krijste ze steeds, waarbij die ie van die lang uitrekte. Met die doelde ze op een mokkagebakje in dezelfde vitrine waar ze tegenaan aan het schoppen was. Op de momenten dat haar moeder niet sjorde maar met haar probeerde te praten, schopte ze tegen de brede houten plint onder de toonbank.
Ondertussen probeerde ik contact te krijgen met de moeder, wat niet lukte.
Van de andere klanten in de zaak kreeg ik zuchtende blikken.
Ik wierp hen verontschuldigende terug.
“Goed,” zei haar moeder ineens, “je krijgt je gebakje.”
Meteen klaarde het gezicht van het kind op, haakte ze haar vingertjes uit de richel en begon ze te kirren van blijdschap.
“En een mokkagebakje,” sprak de moeder.
Het meisje had haar knuistjes in de lucht gestoken en maakte sprongetjes door de zaak. Ze botste tegen de benen van de non die net binnen was gekomen.
“Nee,” zei ik.
“Pardon?” sprak de moeder.
“Sorry, maar ik ga dat gewoon eens een keer niet doen.”
“Pardon?”
“Uw dochter loopt hier de hele zaak bij elkaar te schreeuwen, ik ga dat niet belonen.”
“Ik bepaal zelf wel of mijn dochter beloond mag worden of niet. Ik wil dat u een gebakje uit de vitrine haalt en dat aan mij verkoopt.”
“Ik ga uw dochter niet belonen voor vreselijk gedrag.”
“Mijn dochter vertoont geen vreselijk gedrag.”
“Dus u vond dat normaal?”
“Geef dat mens haar gebakje! Ik heb nog meer te doen,” riep een man achterin de zaak.
“Niks ervan! Niet doen, Ina!” riep de mevrouw die iedere week als de ouwe kaascroissants meeneemt. Ze houdt van onverse kaascroissants, zei ze ooit, dat herinnert haar aan thuis.
“Nee! Niet belonen!” riep de koster die op het bankje tegen het raam zat.
“Waar bemoeien jullie je mee!” de moeder schreeuwde nu.
Het dochtertje keek met grote ogen de zaak rond.
Ik denk dat ze het gebakje alweer vergeten was.
“Laat die mevrouw toch met rust,” riep een oudere dame met een zilverpaars permanentje. “Geef dat kindje haar gebakje als ze dat zo graag wil. Dat spartaanse gedoe altijd.”
“Ik zei dat ik nog meer te doen had! Mag ik een half gesneden bruin, twee bolletjes met kaas en rauwkost en een halve abrikozenvlaai? Ja? Dan kunnen jullie daarna door met kibbelen.”
“Meneer, u bent zo aan de beurt,” beet ik hem toe toen de rest van de klanten hun toorn op de man wilden richten.
Ik bijt nooit klanten dingen toe.
“Mevrouw, ik wil dat u de zaak verlaat.”
“Ik wil dat gebak voor mijn kind.”
“Nee,” zei ik.
“Als ik me niet vergis, heeft u zelf helemaal geen kinderen. En als ik u zo eens bekijk zal dat ook niet gebeuren, dus u weet helemaal niet waar u het over heeft.”
“En u heeft dat mokkagebakje niet met uw eigen handen in elkaar gedraaid.”
“Ik kom hier nooit meer.” Ze duwde haar dochter richting de deur.
“Prima,” beet ik haar toe.
Ik was van het bijten die dag.
Beloofd, ik doe het nooit meer.
Het meisje begon te huilen. Dit keer echte tranen.
“Rotkind,” siste de non het meisje toe.
Het meisje werd door haar moeder met een ruk door het gat van de deur getrokken.
Het was even stil in de zaak.
“U krijgt heus nog wel een kindje hoor,” sprak de non met een zachte g.
Weer was het stil.
Ik voelde me blozen.
“Wie was?” vroeg ik.
Iemand stak zijn vinger op en ik nam de bestelling op.
De man die niet alle tijd had liep de zaak uit en sloeg de deur met een klap achter zich dicht.
Ik draaide me om om een brood uit het rek te halen.
Het geroezemoes ontstak. Zoals dat altijd gaat.

bakery I

Die van de bakker #IV

“Heeft u ook roze koeken?”
“Nee, we hebben geen roze koeken.”
“O.”
De man kijkt me aan. Het lijkt net of hij me niet ziet.
“Nee, geen roze koeken.”
“Nee.”
“Nee.”
Ik wissel snel een blik met mevrouw van Dieren. Ze is de enige andere klant in de zaak.
“Meneer, ik zeg het niet graag, maar in de supermarkt hebben ze roze koeken voor heel weinig geld,” zeg ik.
“O.”
Mevrouw van Dieren neemt de man bij zijn arm en leidt hem naar het raam.
“Kijk, u gaat hier rechts en als u dan een stukje loopt dan heeft u de supermarkt aan uw linkerhand.”
De man kijkt naar zijn linkerhand en dan naar mevrouw van Dieren.
“Ga maar, daar zijn de roze koeken.”
Mevrouw van Dieren wijst.
De man kijkt naar haar vinger, dan naar het raam.
Hij buigt een beetje en probeert de weg af te kijken.
Dan kijkt hij naar mij.
“Voor heel weinig,” zeg ik.
De man loopt naar de deur.
Hij kijkt naar zijn linkerhand en daarna weer naar mevrouw van Dieren.
“Eerst naar rechts,” zeg ik.
“O,” zegt de man. “Ja.”
“Ja,” zeg ik.
De man opent de deur en we kijken hem na terwijl hij rechts gaat en langs het raam loopt.
“Twee gesneden volkoren en een half wit uit de vriezer,” zegt mevrouw van Dieren.
“Nog een roze koek?” zeg ik.
“Lekker,” zegt mevrouw van Dieren, “ben ik gek op.”
Ik loop naar het magazijn om een half wit uit de vriezer te halen.

babbelaars

Die van de bakker #III

Op het bankje bij de bus zat een stelletje te wachten.
Ze waren nog jong. Begin twintig en ze oogden net en christelijk. Ze keken allebei vreselijk gelukkig.
Zij praatte onophoudelijk, wees vogels aan die langs hipten en vrachtwagens uit vreemde landen die voorbij reden. Hij hield haar hand vast, zijn hoofd naar voren gestoken, luisterend. En van zijn hoofd stak zijn kin naar voren, waarboven een grote constante glimlach stond.
Hij gaf haar kleine kusjes af en toe. Tussen de zinnen door. Hij vertelde zelf niets. Hij herhaalde alleen woorden die zij zei, en zei van “ah ja”, en “fascinerend”.
Ze haalde een paar roomboterbabbelaars uit haar zak en ieder staken ze een snoepje in hun mond.
“Lekker,” zei hij en zij beaamde dat met een glimlach en kus.
Toen ben ik opgestaan.
En een stukje verderop gaan staan.

3310

Door het weggooien van mijn iPhone, begin ik ondertussen een steeds grote interesse te ontwikkelen voor ouwe Nokia’s. De fijne meneer van E. Pons had me een hele tijd geleden al vreemd aangekeken toen ik een paar ouwe toen-smartphones-nog-maar-net-smartphone-waren-smartphones wilde ruilen tegen telefoons waar absoluut geen internet op kan. Hoezo juist geen internet? Dat was toch onhandig? Ik ben verslaafd, zei ik. Oooo, zei hij. Daarna was het stil. We spraken af dat ik gewoon af en toe moest binnenlopen.
Vandaag zag ik, toen ik met een zware boodschappentas voorbij liep, door de deuropening ‘t ding al staan. Alsof de hemel openbrak en er ouwe 1.0-engelen in monotone beltonen begonnen te zingen. Over snake, over maar twintig berichtjes kunnen bewaren en ze zongen over hoe mijn baas van de kroeg ooit zijn telefoon onder de trein heeft laten komen en dat ‘t ding het daarna gewoon nog deed. De Nokia 3310.
img00238
Dat zongen ze: nooooookiaaaaaaaaaaaaaa.
Ik rende naar huis om m’n toen-smartphones-nog-maar-net-smartphone-waren-smartphone te halen.
En daarna weer terug naar meneer Pons.
En daarna weer terug naar huis omdat ik de oplader was vergeten.
En nu ben ik blij.

bakker II

Die van de bakker #II

De vrouw die elke vrijdag brood voor de hele week komt halen heeft haar op haar tanden. Ik begrijp dat wel. Ze heeft drie dikke kinderen en een magere man met een snor.
Ik weet alleen niet wat er eerst was: het haar of die man.
Ze koopt brood voor de hele week en dat doet ze op vrijdag zodat in het weekend het brood nog redelijk vers is.
Ik snap dat wel.
Soms dan komt hij mee en dan draagt hij de tassen.
Als ze iets tegen hem zegt dan sist ze.
Ik zei toch haar op de tanden? Ze houdt haar kaken opeengeklemd als ze tegen hem praat. Dat doet ze overigens niet tegen tante Annie die eigenlijk niemands tante is, maar gewoon heel oud.
Ik sta daar dan en leg het brood in de snijmachine.
Ik bekijk haar via de spiegel van de taartvitrine.

bakker III

Die van de bakker #I

Mevrouw van Gesteren komt iedere vrijdagochtend om stipt half negen haar brood voor de week halen.
Ik woon in een dorp waar men veel brood voor de week haalt.
Waar men zelfs taarten een week van tevoren invriest als de jarige een dag voor de broodhaaldag jarig is. En ze willen dan een verse taart om in de vriezer te leggen en niet een taart uit de vriezer.
Uit principe.
Mensen in dit dorp handelen het merendeel van de week uit principe.
Mevrouw van Gesteren is in de zeventig en heeft vorig jaar haar man verloren. Ze stonden in het park naar de eendjes in de vijver te kijken, toen Wiel van Gesteren met zijn ene hand zijn borst greep en met zijn andere hand de arm van mevrouw van Gesteren.
“Nonde,” zei hij met opengesperde ogen tegen mevrouw van Gesteren.
Daarvoor was het lang stil geweest.
Mevrouw van Gesteren praatte normaal altijd aan een stuk. Maar vandaag was ze ontroerd geweest door het winterweer, de eendjes die in het water spetterden en haar man uit wiens mond wolkjes kwamen en waarmee ze zo vertrouwd was: met hoe hij zijn pet droeg en hoe hij wandelde met zijn handen op zijn rug.
Kijkend naar de eendjes had ze gezucht. Hij had ook gezucht.
Met een glimlach bedacht ze hoe fijn ze het hadden.
Als je zwijgen ook tot een invulling van de stilte rekent, waren een lang zwijgen en Nonde zijn laatste woorden geweest.
Ik denk dat hij, in dat uurtje van stilte dat zijn vrouw hem voor het eerst in jaren gunde, de kans had gegrepen om er tussenuit te piepen. Waarschijnlijk heeft zijn brein al die gedachten die in de stilte ineens tot hem kwamen niet aangekund en zijn hart toen afgesloten.
“Zijn aorta, om precies te zijn,” bibbert mevrouw van Gesteren. Ik glimlach, terwijl ik met een tangetje de broodjes in een zak doe.
Mevrouw van Gesteren vertelt iedere week ongeveer hetzelfde verhaal.
“Volgens het rapport dat ik mocht inzien was het zijn aorta. Gewoon ineens.”
Ik leg de zak broodjes op de toonbank.
“Suikerbrood.”
“Één?”
“Twee.”
“Visite?”
“Mijn zoon met zijn vrouw en mijn kleindochter. Als ik had geweten dat m’n Wiel zo vroeg het eeuwige voor het betrekkelijke zou ruilen…” ze denkt even, ik besluit haar niet te corrigeren “… dan had ik twee-drie kinderen meer genomen. Deze komt alleen als het hem uitkomt en alleen op zondag rond ‘t middageten. Hoeven ze niet met een kater het ontbijt te maken. Ontbijten als lunch, ik snap niet hoe de jeugd dat kan.”
Ik leg de broden op de toonbank.
Mevrouw van Gesteren begint te huilen
“Het is zo stil in huis.”
“U heeft nu toch een katje?”
“Dat is toch anders dan m’n Wiel.”
Ik begrijp niet hoe mensen ooit hun zonen Wiel konden noemen.
Krukas, denk ik daar achter de toonbank.
“Mijn Wiel had van die gevoelige hondenogen. Er was niemand zoals ons Wiel. Soms denk ik: het ligt aan mezelf, ik had meer moeten zeggen die middag. God heeft me dat niet gegund, gewoon zwijgend gelukkig zijn.”
Ik had vroeger een konijntje. Na een paar jaar verloor ik mijn interesse in dat konijntje en bleef de aandacht die Otje kreeg beperkt tot een aai die mijn moeder hem gaf als ze hem tegelijk met de kippen voerde. ‘s Winters werd hij opgetild en in een hokje in de tuinkas gezet.
Dat was het.
Het konijntje was al grijs aan het worden toen mijn moeder besloot om het beestje aan de overburen te geven. Die hadden twee kinderen op de lagere school.
Otje overleed de dag na zijn verhuizing.
Na al die jaren van rust kon hij de twee jonge kinderen niet aan.
Wiel van Gesteren overkwam hetzelfde, maar dan omgekeerd.
Voor haarzelf een halfje wit en een volkoren gesneden.
Ze is tenger.
“Het smaakt me niet meer.”
“Nee,” zeg ik.
“Nee,” zegt ze. “Hoe is het met je moeder?”
“Het gaat niet vooruit,” zeg ik.
“Nee,” zegt mevrouw van Gesteren.
“Nee,” zeg ik.
“Doe haar de groeten van me. En van Wiel, als ze anders van streek raakt.”
“Ik stuur de rekening maandag.”
Mevrouw van Gesteren neemt het tasje.
“Veel plezier zondag,” zeg ik.
“Dat kind is zo druk, ik snap niet dat ze daar niks aan doen. Ik ben blij als dit weekend weer voorbij is.”
“Al die drukte,” zeg ik.
“Daar hield Wiel ook niet van.”
Ze loopt de deur uit.
Gebogen tegen de wind die hier op de kruising flink de ruimte krijgt.
Ik kijk uit het raam.
Wanneer zijn mensen ooit begonnen met stilte en woorden van elkaar te scheiden.
Er is nog veel dat ik niet begrijp.