3310

Door het weggooien van mijn iPhone, begin ik ondertussen een steeds grote interesse te ontwikkelen voor ouwe Nokia’s. De fijne meneer van E. Pons had me een hele tijd geleden al vreemd aangekeken toen ik een paar ouwe toen-smartphones-nog-maar-net-smartphone-waren-smartphones wilde ruilen tegen telefoons waar absoluut geen internet op kan. Hoezo juist geen internet? Dat was toch onhandig? Ik ben verslaafd, zei ik. Oooo, zei hij. Daarna was het stil. We spraken af dat ik gewoon af en toe moest binnenlopen.
Vandaag zag ik, toen ik met een zware boodschappentas voorbij liep, door de deuropening ‘t ding al staan. Alsof de hemel openbrak en er ouwe 1.0-engelen in monotone beltonen begonnen te zingen. Over snake, over maar twintig berichtjes kunnen bewaren en ze zongen over hoe mijn baas van de kroeg ooit zijn telefoon onder de trein heeft laten komen en dat ‘t ding het daarna gewoon nog deed. De Nokia 3310.
img00238
Dat zongen ze: nooooookiaaaaaaaaaaaaaa.
Ik rende naar huis om m’n toen-smartphones-nog-maar-net-smartphone-waren-smartphone te halen.
En daarna weer terug naar meneer Pons.
En daarna weer terug naar huis omdat ik de oplader was vergeten.
En nu ben ik blij.

We hebben veel gemeen

Ik heb al zes dagen de titeltune van Waku-Waku in mijn hoofd. Het begint ‘s ochtends al, nadat de wekker is gegaan en ik nog doe alsof de wekker niet zojuist is gegaan. Naast mijn bed staat Ruth Jacott, ze heeft een glitterjas aan en een zwart broekpak. In haar hand een draadloze microfoon, waar ze in galmt. Daarna, aan het ontbijt zit ze tegenover me. Een ander pakje nu. Misschien dat van het Songfestival, maar ik weet het niet zeker. Steeds als ik goed wil kijken stopt ze met zingen en zodra ik me dan weer tot mijn boterham richt begint ze weer. Ik ken niemand die zo ingeleefd kan zingen over zwangere paarden en wat ze graag eten, niemand die pijn voelt als ze vraagt of ik mee wil waku-wakuën. In de trein snoer ik haar de mond met John Grant, maar als ik op een afspraak mijn oordopjes uitdoet staat ze achter de espressomachine. En tijdens het koken zit ze in de keukenkastjes, achter elk deurtje een andere haardracht. Haar volume is altijd het zelfde, nooit verandert ze haar tekst, Ruth is een steady zangeres. En als ik onder de wol kruip gaat het weer door, op stadionsterkte in mijn oor, nooit fluistert ze me in slaap, alsof er iets is in de kosmos dat me wakker wil schudden: we hebben veel gemeen met alle dieren om ons heen, we hebben veel gemeen met alle dieren om ons heen.
Ze zijn ons heel dierbaar.
Dierbaar.
We hebben veel gemeen.
We hebben veel gemeen.
En missen kunnen we er niet een.
Tot je op een dag gek wordt.

Er is tijd, er zijn mensen

Hij zat vijftien dagen onafgebroken op zolder toen er werd geklopt. Dat was de eerste keer. Zijn vrouw had de derde dag even haar hoofd om de deur gestoken en gevraagd wat hij daar deed. Ze had niet geklopt, het was immers ook haar huis, nietwaar, en waarom zou ze kloppen, in haar eigen huis, op haar eigen zolderdeur? Hij had nagedacht. Over waarom hij daar nu zat. Hij dacht aan waar hij zou inhaken, op welk punt hij zou beginnen met zijn verhaal. Hij had voor het keukenraam gestaan met een mok koffie. Hij had niet eens nagedacht bij welke mok hij had gepakt, terwijl hij had normaal wel altijd deed, terwijl hij daar normaal wel altijd genoegen in schepte. Misschien moest hij daar beginnen, bij dat moment, dat hij daar stond en koffie dronk en voor het eerst in zijn leven echt besefte dat we allemaal sterven. Ik bedoel: hij wist dat wel, dat snapte hij heus, hij was niet dom, maar ineens voelde hij het. Wist hij het echt. Als verliefdheid, als de eerste keer dat je als kind wordt verteld dat het heelal oneindig is. Misschien moest hij daar beginnen, bij dat moment. Dat hij zijn vrouw moest vertellen over die keer dat hij aan een landweg stond en dat zijn broer zei: “Het heelal is oneindig, want als het ophoudt, wat zit daar dan achter?”
Hij had nog niks gezegd toen zijn vrouw met haar ogen rolde en de deur weer sloot.
Op internet bestelde hij bij de Albert Heijn boterhammen en salades. Flessen water, handdoeken, dekbedden. Hij sliep onder het oude bureautje. Hij rook de kratten met het oude speelgoed van zijn zoon, die in de oksel van het schuine dak waren geduwd. He-man-poppetjes, playmobile. Er is een breekpunt, waar spelen in hangen verandert. Op de ouwe pc las hij de krant. De computer kraakte bij elke verbinding die hij maakte met de buitenwereld. Het was gezellig, zo met z’n twee op die stoffige droge zolder: twee krakende oude mannetjes. Hij zat hier in het dak van zijn huis en niets was anders, alles bleef hetzelfde en hij was waarschijnlijk op moment van het opschrijven van dit verhaal niet eens de enige in de wereld die op zolder zat. Als je iets kunt verzinnen, dan heeft iemand anders ergens op aarde het al eens bedacht. Dat was een ontmoedigende, maar ook een geruststellende gedachte, vond hij. Dit vatte eigenlijk alles samen: het heelal is oneindig en alles wat je kunt bedenken bestaat al ergens in iemands hoofd.
Hij riep dat de klopper kon binnenkomen. Op het gangetje voor de zolderdeur hoorde hij geschuif. De deur klikte open en een kratje werd de ouwe vloerbedekking opgeschoven. Het was de bezorger van dag zeven. U zit hier nog steeds, constateerde de zevende bezorger. Hij knikte. Zit u de hele dag op zolder? Ik zit de hele dag op zolder. En u slaapt hier ook? Ik slaap hier ook. En moet u dat van uw vrouw? Mijn vrouw? Ja, de mevrouw die de deur open doet. Ja, nee, het moet niet van haar. Vindt ze het niet vreemd? Nee. Denk ik. Hoewel. Ik denk dat ze niet meer zoveel van me vindt, zei hij, wat ik ook doe. Goh, zei de zevende bezorger. Werk jij op vaste dagen? Nee, het is toevallig dat ik vandaag weer hier ben, op hetzelfde tijdstip, precies een week later. Dus je hebt het onthouden? Nou ja, dit vergeet je niet zo snel, natuurlijk, een meneer op zolder. Verveelt u zich niet? Kijkt u vaak uit het raam? Het is wonderlijk dat vervelen alles te maken heeft met waar je je op instelt, zei hij. Ja, dat geloof ik wel, zei de zevende bezorger.
De bezorger stak zijn hoofd door het dakraam. Mooi wel, zei de bezorger. Ja hè? zei hij, terwijl hij zijn hoofd ook door het dakraam stak. Had je koffie in het krat? Ja, als het goed is wel, zei de bezorger. Wil je koffie?
Met hun hoofd door het dakraam dronken ze koffie. Er vloog een duif voorbij, in de verte kwam een wolk uit een schoorsteen. Er is tijd, er zijn mensen, zei de bezorger. Ja, zei hij. Ze knikten. Alsof er iets belangrijks was gezegd. Misschien blijf ik hier wel tot mijn dood, zei hij. U weet dat nog niet? zei de bezorger. U lijkt me zo’n vastberaden typ. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit die trap nog afga. Nee, zei de bezorger. Ik ook niet. Misschien bent u dan de eerste op de wereld die sterft van ouderdom en het laatste deel van zijn leven heeft overleefd via internet. Ja, zei hij. U moest maar eens een crosstrainer aanschaffen. Ja, zei hij. Dat is een goed idee. Van stilzitten ga je pas dood, zei de bezorger. Dan kun je nog beter roken, las ik laatst. De bezorger gaf hem een hand. Hij pakte het lege kratje en zwaaide in de deuropening. Misschien tot een volgende keer, zei hij. Dat denk ik wel, zei de bezorger. Daarna was hij weer alleen. De ouwe pc rammelde, in de straat aan de andere kant van het dak hoorde hij de vrachtwagen van de bezorger optrekken. Alles wordt interessant, dacht hij. Hij zou het zijn vrouw moeten vertellen, als ze weer eens een keer haar hoofd om de deur stak. Dan zou hij alles vertellen. Maar dat was voor later zorg. Want laten we wel wezen: hij had tijd, en verder waren er al overal mensen. Hij schonk nog eens koffie bij.

Dataladen

In alle dingen die ik mij niet meer herinner, namen, mensen, spelletjes, gebeurtenissen waar ik weken op wachtte en waarvan ik nu nog wel ergens weet dat dat verlangen er ooit was, moet ergens iets verscholen zitten. Wat is het nut van die keren dat er een geur voorbij komt of een naam die je doet denken aan iets wat je vergeten bent en dat je denkt: wat was dat ook alweer? Wat maakte me toen zo nerveus? Wat maakte dat ik toen niet kon slapen? Terwijl hoe ouder ik word, hoe onbelangrijker alles lijkt te worden en alles van nu is als tinnen soldaatjes rechtgezet met en precisie naast elkaar gezet. Doordacht. Het gebeurt me de laatste tijd steeds vaker, dat ik in mijn vingers knip en niet meer weet wat er toen aan de hand was, dat ik alleen weet dat het toen het belangrijkste was dat er bestond. Terwijl alle herinneringen gefilmd zijn met mijn eigen ogen, dezelfde ogen als nu, ik las ooit dat je ogen je hele leven even groot zijn, als baby al, dezelfde ogen, maar dat mijn dataladen ergens achter in mijn hoofd door elkaar gehusseld worden, elke keer als ik zoek naar een naam, als ik moet graven naar met wie toen en waarom, naar die keer dat ik, naar waarom wij toen, en dat op een dag alles alleen maar met elkaar verbonden is door een gevoel van daar was iets mee. Als alles op de grond ligt. Alle dingen die ik me herinner. En dat er dan iemand een vlaggetje uit die stapel steekt. Misschien is dat alleen alles waar je op kunt hopen.

De storm en de merel

Het stormde en in ons ouwe huis klapperde alles wat een sponning in zich droeg. Het was nog vroeg, een uur of zes, ergens in de verte werd het licht. Ik slaap altijd goed als het stormt en regent, altijd al gedaan, ik ben één van de mensen die blij wordt van het feit dat het al dagen hoost. Ik hield mijn ogen nog dicht en luisterde naar de storm buiten, en toen ineens hoorde ik in de boom voor ons raam een merel. Ik kroop nog dieper onder de dekens en ik luisterde net zolang tot de slaap me weer greep. De merel zong alsof er geen storm aan de hand was, alsof de takken van de boom niet woest heen en weer zwiepten, alsof het gewoon een dag was die zou samenvloeien met alle andere dagen van dit jaar. Ik dacht: had ik het opgenomen, dan was het nooit zo mooi geweest dan dat ik het nu kan onthouden. Ik dacht: ik moet nog niet in slaap vallen. Maar ik viel in slaap, zoals dat misschien altijd wel gaat met de mooiste dingen in het jaar.