Alledaags

In de kroeg hebben we zo af toe een rare snuiter aan de bar. Dat is normaal. Die eerste zin heb ik een paar keer opnieuw geschreven. Eerst stond er: In de kroeg hebben we zo af en toe rare snuiters aan de bar. Maar dat klopt niet. Rare snuiters komen namelijk altijd alleen.

Zo hebben we Osama Bin Baard. Die heet overigens alleen zo vanwege zijn haardracht, verder heeft hij een Brabants accent en een bijna doorschijnende huid, zo wit. Af en toe loopt hij binnen. We denken dat hij de rest van de tijd ergens intern zit. Ik heb altijd moeite met hem te herkennen, want hij bestelt heel normaal. Dat is slim van hem, want dan krijgt hij tenminste een biertje en pas daarna gaat hij roepen. Tegen mij, tegen een tafel achter hem, tegen niemand in het bijzonder. Meestal herken ik hem pas op dat moment. Ik bedoel: iedereen kan een zwarte puntbaard hebben, dat maakt je niet meteen gek natuurlijk.
De eerste keer dat ik hem aan de bar had, misschien is dat wel al tien jaar geleden, dronk hij een Duvel. Het was zomer en er buiten ouwe Appie zat er niemand aan de bar. Toen ik, hij was halverwege zijn Duvel, zijn geroep en geschreeuw beu was en hem vroeg te vertrekken, schreeuwde hij dat hij geen autoriteit van een vrouw accepteerde. Daarna heb ik zijn Duvel door de gootsteen gegooid. Continue reading…

Hoe ik mijn smartphone in de plomp smeet…

“Je kunt dat ding toch ook gewoon uitzetten?” zegt Jnnk.
We roken buiten in de vrieskou een sigaret, terwijl we eigenlijk nooit meer roken. Maar het was koud en nog wat vroeg, dus ach ja, waarom ook niet?
“Kijk,” zeg ik, “het is als met roken: ik kan gerust weken hetzelfde pakje sigaretten in mijn tas hebben zonder dat ik naar een sigaret taal. Terwijl er ook veel mensen zijn die, als ze een pakje in hun bezit hebben, steeds aan het roken van een sigaret denken. Ik kan niet mijn iPhone in de buurt hebben, zonder dat ik de neiging heb om erop te kijken.”
“En je mist het niet?”
“Geen moment.”
“Goh.”
“En er gebeurt ook gewoon niks op zo’n Nokia. Ik heb helemaal niet het gevoel dat ik iets mis.”
“Nergens meer last van?”
“Ja, ik patience wel eens een halve batterij leeg. Dat moet ik toegeven.”
Een mens zoekt altijd verstrooiing.
“Dat is dan de elektrische sigaret, zeg maar,” zegt Jnnk.

Ik heb mijn iPhone weggedaan.

Afgelopen november ging ik op vakantie naar Frankrijk en ik besloot om alleen mijn ouwe Nokia mee te nemen. Het frappante was dat ik er zenuwachtig van werd: van het idee dat ik naar Frankrijk zou gaan en dat ik geen smartphone bij me zou hebben. Wat als we de weg kwijt zouden raken? Wat nu als we plots een hotel moesten zoeken of een restaurant? Wat als ik een schrijfopdracht was vergeten te mailen? Ik schaamde me voor mijn eigen angst. Ik ben verdomme ooit naar Nieuw Zeeland gevlogen zonder dat ik überhaupt een telefoon bij me had. Tijdens de tussenstop in Taipei lieten Marit en ik ons door een taxi ergens in de stad afzetten en zijn we teruggelopen, zonder Google Maps, Google Translate of Yelp. Een kop koffie bestellen lukte alleen maar omdat er toevallig een poster in de zaak hing met daarop een afbeelding van een glas koffie verkeerd. Daar wezen we naar en vervolgens stak ik twee vingers op en lachten we lief. We waren tweeëntwintig, we vlogen van het ene end van de wereld naar ‘t andere en voor vijftig uur lang wist niemand waar we waren. Ik vond dat niet eng. Ik had een boekje met telefoonnummers en in Taipei pinden we wat geld voor als we moesten bellen, maar ik kan me niet herinneren dat we een telefooncel hebben gebruikt toen. We kwamen er vanzelf wel. Verder had ik een dagboekje bij me en Marit had een camera.
En nu stond ik op het punt om naar Frankrijk te gaan met zelfs een gewone mobiele telefoon en was ik zenuwachtig. Wat een onzin.

Het plan om de iPhone in de plomp te gooien kwam niet uit de lucht vallen. Ik had al jaren een haat-liefde-verhouding met dat ding. Een duchtige verslaving. Als je mij om vier uur ‘s nachts whatsappte, kreeg je vaak meteen een berichtje terug. Het is me nooit gelukt ‘m gewoon uit te zetten en er dan niet meer naar te talen. Ik heb van alles geprobeerd: ik liet het ding ‘s nachts beneden, ik nam een abonnement zonder internetbundel, ik verwijderde apps, zette allerlei meldingen uit en ik nam een tweede simkaart zodat ik, als ik de deur uitging, mijn ouwe Nokia kon meenemen.
Het hielp allemaal niets. Ik trippelde ‘s nachts stiekem de trap af, als ik niet slapen kon, om het ding te halen, mijn telefoonbedrijf bleek zonder internetbundel tóch een basisinternet uit te zenden waarmee ik gewoon kon whatsappen, ik facebookte en twitterde via een browser (die ik ook heb proberen te verwijderen, maar dat ging niet) en als ik de stad in ging nam ik toch altijd mijn iPhone mee, want ja: wat als ik de weg kwijtraakte of als ik een dringend mailtje kreeg?
Het afhankelijkheidsgevoel is ook niet geheel onterecht, hoor. Onlangs verdwaalde ik ‘s nachts in Amsterdam, op de fiets. Ik dacht: ik snij een stuk af. Ik weet dat ik dat niet moet doen, een stuk afsnijden. Ik heb het richtingsgevoel van een kip, zelfs in Nijmegen raak ik nog wel eens de weg kwijt. Twee straten lang zat ik vloekend op de fiets. En daarna kwam ik bordjes tegen die me naar het station wezen. Dat is overigens meteen enige reden waarom ik mijn iPhone nog niet verkocht heb. Met zes printjes routeplanner in de hand, wapperend in de wind, op de OV-fiets van afspraak naar afspraak fietsen in een vreemde stad is misschien wat teveel van het goeie.
Anderzijds doen we vaak net alsof we in een oerwoud zitten, waarin we sterven als we de weg kwijt raken. Ik geloof dat je in Noorwegen nog bossen hebt waarin je daadwerkelijk voorgoed kwijt kunt raken, en dat er in India ooit een vrouw een verkeerde bus nam en veertig jaar later weer thuis kwam, maar ik kan me niet herinneren dat er in Nederland de laatste decennia ooit iemand is doodgegaan omdat hij verdwaalde. Het ergste wat je kunt overkomen is dat je de laatste trein mist.

Nadat we thuiskwamen van onze vakantie in Frankrijk heb ik nog een paar uur gewacht voordat ik het ding weer aanzette, maar ‘s avonds in bed zat ik weer volledig in mijn iPhone. Er is iets met het swipen over dat scherm wat het veel verslavender maakt dan surfen op een laptop. Het is iets met Pavlov, iets dat maakt dat het zo ontzettend lekker is om met je vingers door die pagina’s te zeilen. Vaak voelde ik me een hond in een kooi die loopt te ijsberen, steeds opnieuw het zelfde rijtje afgaan: bak, hek, deur, mand, bak, hek, deur, mand. Gmail, Facebook, Whatsapp, Twitter, Instagram, Gmail, Facebook, Whatsapp, Twitter, Instagram, nieuwssite, nieuwssite, nieuwssite.
Een dag later besloot ik om mijn iPhone weg te doen. Ik was bij vrienden een dorp verderop en daar heb ik het ding uitgeschakeld en in de kast gezet. De eerste week was ik euforisch, zo heerlijk was het zonder the ol’ ball & chain. Het lijkt altijd alsof het tussendoor beantwoorden van emails tijd oplevert, maar het tegendeel blijkt waar. ‘s Ochtends word ik wakker, sta ik op, zet ik koffie, eet ik een boterham en pas dan zet ik mijn laptop aan. Dan beantwoord ik in een uurtje alle emails en daarna kan het internet voor een paar uur weer uit. Het blijkt dat de urgentie van het reageren op emails of wat voor berichtjes dan ook, voornamelijk in mijn hoofd zit.

De verslaving zit ‘m in de overvloed aan anderen die via een smartphone altijd en overal tot de beschikking staat, het is het heerlijke van het zoeken en en het vinden, het krijgen van bevestiging, het brokje dat verschijnt nadat ik met mijn poot op een hendel heb gedrukt, de beloning die je ontvangt als iemand reageert of als je een nieuwtje leest. De frustratie die ontstaat als te weinig wordt gereageerd. De afwijzing. En het constante vergelijken van jezelf met de ander, waaraan het zo moeilijk is te onttrekken. Zeg nu zelf: het eerste dat je doet als je wakker wordt, nog voor je je partner kust, is die telefoon grijpen, en het laatste, zelfs nadat je je partner welterusten hebt gekust, is even met je vingers over het scherm gaan, nietwaar?
Het probleem zit ‘m niet in het bestaan van de aanbieders zelf (Facebook, Twitter, NOS, Whatsapp, Facebook, Twitter, NOS, Whatsapp, Instagram), maar enerzijds in de menselijke neiging tot het zoeken van afleiding en verstrooiing, en anderzijds in het feit dat deze verstrooiing met een smartphone continu beschikbaar is. In Luilekkerland is het afvallen een stuk lastiger dan wanneer je op een boerderijtje woont en je dertig minuten moet rijden voordat je bij de supermarkt bent. Als ik chocolade in huis heb, dan blijf ik er aan denken totdat ik die reep op heb, en dat werkt hetzelfde met mijn iPhone.
Vanaf het moment dat ik mijn iPhone in Lent achter liet bij Jop en Lea kan ik mijn hond-in-een-kooi-rondje van Gmail, Facebook, Twitter, nieuwssites, Gmail, Facebook, Twitter, nieuwssites, alleen nog via mijn laptop of de vaste computer maken, en daardoor blijft de verslaving beperkt tot één plek. Ik trek niet zomaar in de bus of voor het stoplicht mijn laptop tevoorschijn, met het gevolg dat ik in de rij bij de supermarkt ouderwets voor me uit staar. Dat ik in de trein dagdroom over suffe dingen. Onbelangrijke dingen. Normaal greep ik bij elke suffe gedachte naar mijn telefoon, waar ook altijd een berichtje op me wachtte.
De eerste week sms’te (dat dan weer wel) ik naar iemand: “Ik zat vandaag in de trein en ineens kon ik voor het eerst in jaren weer eens gewoon een gedachte afmaken.”

Ik ben verhuisd uit Luilekkerland.
Zo voelt het echt.
En het was er heerlijk en ik mis iedereen heus en als ik ‘s avonds in bed lig dan staar ik af en toe naar het plafond en dan had ik liever niet nagedacht over de redenen waarom ik niet kan slapen, had ik liever het roddelnieuws op de website van The Daily Mail gelezen, maar ik heb tot nu toe nog geen moment spijt van mijn keuze gehad. Geen moment.
Ik heb gewoon helemaal geen heimwee, hoe fijn het ook was.
En ik weet ook niet of die heimwee ooit nog komt.

Kippenbottendag

Ik begrijp niet hoe er mensen kunnen fungeren zonder John Grant in hun leven.

Rondje stad

De stotterende fantastische macaronman heeft alleen nog maar mijn lievelingssmaken in de vitrine liggen. Achter me bij het stoplicht vertelt een meisje hoe het uit is gegaan met haar vriendje. Ik kan niet aan haar stem afleiden of ze het nu vervelend vindt of niet. Het meisje dat crème moet verkopen (bijna wilde ik schrijven: aansmeren) bij het warenhuis doet me denken aan de bedelaars in Fata Morgana. De vuilniszakken bij de Ici Paris ruiken naar parfum. Al zwabberend springt de ene jongen bij de ander achterop. Ik denk: dat zijn vast jongens die klassieke talen studeren. Ze hebben lange jassen en pukkeltjes en ze lijken heel content met zichzelf, wat ik ook zou zijn, dat laatste, als ik klassieke talen zou studeren. Even later staan ze naast me bij het stoplicht. Ze hebben het over chemische verbindingen in een bad van iets wat ook chemisch is. Denk ik. Geen klassieke talen dus, maar scheikunde. Denk ik. Een opa met een stok en een kromme neus met een druppel eraan draagt een hippe jas, een hippe muts en een hippe broek en Mephisto’s.

Onze kerstboom verliest zijn naalden.