kindren

Een nichtje

Vanochtend vroeg al togen d’n D en ik naar het huis van de broer en de schoonzus. Later op de middag vroeg iemand me wat ik ‘s ochtends deed en toen zei ik: “Ik moest het bloed van mijn nichtje ophalen en wegbrengen.” Het krijgen van een nichtje (een nichtje neem je niet, een nichtje kríjg je) is iets heel bijzonders, vooral voor iemand die zelf eigenlijk helemaal niets met kinderen in ‘t algemeen heeft. Ik mocht haar voor het eerst vasthouden toen ze nog in het ziekenhuis lag. Tussen de gordijnen van de high care op de kinderafdeling waar we zachtjes fluisterden, maar toch opgetogen omdat het wel goed ging, maar hoe goed het ook gaat: de high care op de kinderafdeling is geen plek om te juichen en ik had haar in mijn armen en ik keek naar haar en ik zag die Hendrix-frons tussen haar ogen en toen was het enige wat ik tegen d’n D kon fluisteren: “Ik heb geen onderdelen meegekregen van God om om te gaan met zoveel schattigs.”
Of iets in die trant.
Het was eerder een “hmpfffr”. Denk ik.
Ik heb nog nooit moeten huilen vanwege een baby in mijn armen. Normaal geef ik het pakketje alweer snel terug, als een nat tasje met breekbaar servies. Maar nu is ze er dus.
Hoe dan ook: de hele familie is gelukkig alweer thuis, maar er moet wel nog af en toe met haast een buisje bloed naar het ziekenhuis om te kijken of M. wel echt thuis mag blijven.

We raceten naar het ziekenhuis door de spits en daarna rende ik door de lange gang van het Radboud. Er liepen oude mensjes aan de arm van minder oude mensjes, er zaten kinderen rolstoelen en ik zag een dikke mevrouw die niet goed in de ziekenhuisrolstoel (die als winkelwagentjes door het hele pand verspreid lijken te staan) paste. Ik moest denken aan soufflé. Ik had honger. Ik had niet ontbeten.
Een jongen trok met een verbeten gezicht zijn puffende zwangere meisje vooruit.
Een man met een glimmend kaal hoofd sloeg zijn arm om een vrouw met paarse stekeltjes. Ze legde haar hoofd op zijn schouder. Ze had een rolletje vel in haar nek.
Bij de kapper stond de kapster in de zaak met haar gezicht naar de open deur wijdbeens haar blonde haar te föhnen. Er was verder niemand.
Als je door een gang of een winkelstraat rent heb je eigenlijk steeds een paar secondensoap.

Ik had het warm.

Het afgeven duurde maar een paar minuten.
Ik liet iemand voor de zekerheid de naam van mijn nichtje op het doosje schrijven.
Je weet maar nooit.
Ze is trouwens vernoemd naar een acteur/boxer. Ik vind dat gaaf.

Eenmaal weer in de rijdende auto keken d’n D en ik naar de andere mensen op straat.
“Iemand wilde me nog op mijn bek slaan omdat ik hem met mijn auto netjes in de parkeerhaven blijkbaar in de weg stond.”
“O?” zei ik.
“‘Moe’ ik je uut je auto trekke ofso?!’ zei ‘ie.”
“O jee,” zei ik.
D’n D was niet heel erg onder de indruk.
“Wat heb je gezegd?”
“Ik zei: rustig, rustig, ik zet ‘m wel effe aan de kant.”
“En toen?”
“En toen zette ik de auto wat naar voren.”
“En toen was het goed?”
“Toen zei ‘ie nog een keer dat ‘ie me uit de auto zou trekken.”
“O,” zei ik.
“Gewoon voor het idee, denk ik.”
“Ja,” zei ik.
“Daarna reed ‘ie weg.”
“Misschien was het iemand met een afasie,” zei ik. “Die gewoon niets anders kan zeggen dan ‘Moe’ ik je uut je auto trekke ofso’.”
Ik werkte ooit bij een galerie, dat was geen succes want dat was geen kroeg en daar kwam ooit een man binnen en die vroeg steeds bij elk schilderij “Is dit een schilderij?” Die heb ik er toen uitgegooid. Later bleek dat een vaste klant te zijn met een afasie. Dat wist ik niet. Hij scheen heel rijk. In de kroeg hadden wij Frankie, die had ook een afasie, maar die dronk altijd gewoon een koffie verkeerd. Daar kan niet zoveel aan misgaan en als er wat misgaat dat heeft het maar een paar euro gekost.
“Omelette du fromage,” zei ik.
“Wat?” zei d’n D.
Niks,” zei ik.
“Tja,” zei d’n D. “Gek blijft dat. Van die kwaaie mensen.”
“Ja,” zei ik. “Jij had ook een boom kunnen zijn. Of niets. Een duif. Of zijn eigen auto.”
“Ja,” zei d’n D.
We reden verder.
En ergens lag er een klein meisje te slapen, dat nog helemaal niet weet van dat ze vernoemd is naar een boxer. En ondertussen draait de wereld gewoon door, zijn er mensen kwaad, lopen mensen rond, rijden mensen door de spits, roepen mensen kwaaie dingen en krijgt er iemand een afasie. Terwijl er ergens een klein meisje ligt te slapen dat al die woorden nog helemaal niet kent.
Dat komt allemaal nog wel.
Gelukkig maar.