Eenpersoonsstoel

Achter elk hoekraam in de trein leek vanochtend dezelfde vrouw te zitten. Ik was vroeg, en de nog zo goed als lege trein leek wel vijf treinstellen lang. Alleen op iedere eenpersoonsstoel zat diezelfde vrouw. Blond haar, net gekleed in stemmig zwart en als ik voorbij kwam keek ze me aan. Ze leken iets te willen zeggen. Ze leken te wuiven en gebaren: “Verderop is nog een eenpersoonsstoel, ga zitten meisje, ga zitten. Je bent niet alleen. Je bent één van ons. Je hoort erbij.”
In de laatste coupé zat alleen een dikke emo-jongen in een vierzits.
Daar ben ik toen maar naast gaan zitten.

hansaplatz

Regulare

Het meisje achter de balie dat mijn bestelling voor een koffie opneemt heeft van die witte hansaplast-tape op haar neusvleugels geplakt. Het is nog vroeg en mijn overstaptijd op Utrecht Centraal (“Utreg Zentraal,” zei de conducteur door de luidsprekers in de trein. “Damus en heron, stazion Utreg Zentraal”) behelst twintig minuten en dus vind ik dat ik geld mag uitgeven aan een kop koffie die evenveel kost als een brood en een pakje gesneden jonge kaas. Iedereen in de rij kijkt moe.
Althans, daar ga ik vanuit. In een rij zie je natuurlijk alleen achterhoofden.
Het meisje glimlacht. Ik ben afgeleid door de pleisters. Zou ze een neuscorrectie hebben gehad? Alleen op haar neusvleugels? Kan dat? Heeft ze een ontsteking? Of een aandoening? Nee, dan zou er ook wel verband hebben gezeten. Nu zit er alleen tape. Van die tape waarmee je verband vastzet. Zou ze zich gesneden hebben? En dat het bijna over is. Misschien zitten er hechtingen onder.
Ze tape flappert een beetje op en neer. Ze ademt luid uit door haar neus.
“Mevrouw?”
Ik bestel een koffie.
“Ja, dat zei u al. Maar doppio of regulare.”
Ik antwoord iets. Ik weet niet eens meer wat. Als ze mijn bestelling intoetst en naar de koffiezettende dames achter haar roept, zie ik dat ze ook flink wat hansaplast op haar orenlellen heeft geplakt.
“U kunt daar wachten.”
Ze duimt me naar rechts, naar het stuk balie met de potten basilicum en een grote ronde nep parmezaan. Er staan meer mensen te wachten.
Ik wacht en ik kijk naar de hansaplast.
Achter me klinkt gezaag en gehamer en de vloer deint troostend door het geweld van een vertrekkende trein onder me.
Iedereen kijkt moe.
En ineens zie ik het: ze heeft onder de plakkers in iedere oor een hele dikke houten schijf. Onder de plakkers op haar neusvleugels meen ik nu ringetjes te herkennen.
Dan is mijn koffie klaar.
Ik pak de beker aan van een oude mevrouw met een keurige droogkapcoupe en loop de zaak uit.

De gang naar het perron ligt vol water, maar niemand loopt om via de andere gang. We lopen allemaal in een rij over de net iets hogere ribbels van het blinde pad. Het voelt als een attractie in een avonturenpark. Uit stukken plafond komt hier en daar een waterval.
Een net niet hippe man op een longboard haalt ons in. Hij draag C&A-kleren, maar heeft ook een puntige baard. Het water onder zijn plank spat in een mooie boog op. Ik kijk naar hem en hij kijkt een paar tellen heel boos terug. Alsof het heel normaal is wat hij doet, alsof hij gewoon loopt, net als wij, alsof er in zijn wereld geen ongemak bestaat. Ik wend mijn blik af.

Als de trein het station binnenrijdt begint het licht buiten te worden.
Ik gooi mijn lege beker in de prullenbak.
En die beker wordt vermalen en morgen koop ik er nog een en nog een en nog een en op een dag zal het longboard van de man tot stof vergaan en vinden ze over duizenden jaren het graf van een vrouw met een tak in haar oor.
En tot die tijd leeft alles maar gewoon door, alsof er niks aan de hand is.
Alsof het allemaal nooit gebeurd is.

Amandelen

Ik had de best getimede keelontsteking ooit.
Ik had precies drie dagen vrij.
Alle opdrachten die ik had, hadden zich in de afgelopen weken als soldaatjes naast elkaar opgesteld en meteen na de laatste, en nadat ik bij het vijftienjarig jubileum van de kok van de kroeg mijn blaadje met daarop de speech weer opvouwde, waren mijn amandelen begonnen met opzwellen. Alsof iemand een startschot had gelost.
De temperatuur steeg.
Ik had stress over of ik wel op tijd beter zou zijn.
Ik lag in bad. Ik keek drie afleveringen Heel Holland Bakt en twee afleveringen The Great British Bake Off. Ik at drop. Ik dronk bouillon. Ik droeg een sjaal. Ik voelde me zielig.
Het plannen van een opnamedag voor een hoorspel is hogere wiskunde. Ik kon me niet ziek melden.
Gelukkig bestaat er paracetamol.
De dag dat ik weer aan de slag moest werd ik wakker en nam een paar slokken water. Het deed voor het eerst nog maar weinig pijn. Het was nog donker toen de wekker ging en het was nog donker toen ik mijn fiets uit de hal sleurde.
Eenmaal buiten sloot ik aan bij de forenzende mensen met aktekoffers en mantelpakjes die naar het station fietsten. Alles was weer normaal en ik floot een liedje, want dat gaat altijd goed, hoe veel of weinig ontstoken je amandelen ook zijn.

Kersentaart

Heel kisten-en-lange-rokken-en-gescheurde-spijkerbroeken-en-geruite-vesten-dragend-aardevolk bakt.

Ik bedoel, ik hoef toch niks te zeggen verder?
U weet wat u te doen staat.

U heeft nog tot 2016 om te oefenen op dit recept:
also pie
Klikt u even door?

Portje

Op een maandagmiddag tijdens de markt, zaten aan een tafel achterin de kroeg drie dames van tegen de zestig. Voor hen op tafel stonden drie biertjes en een glas port en achter hen scheen een flets zonnetje door het glas-in-loodraam. Ze leken in een ouwe documentaire te zitten, zo eentje in zwart-wit met een polygoonstem als voice-over. Het portje was onaangeraakt en stond voor de enige lege stoel aan de tafel. De biertjes werden in rap tempo gebodemd en toen de laatste haar lege glas neerzette, stak meteen de eerste die haar lege glas had neergezet drie vingers naar de barman op.
“Is de portdrinker te laat?” vroeg ik, toen de barman weer achter de bar stond.
“Nee,” zei hij. “Ze kwamen hier vroeger altijd met z’n vieren, iedere zaterdag en dan dronken ze drie bier en een portje. Op een dag was de portdrinker dood, maar ze bestellen nog altijd een drankje voor haar. Iedere maandag.”
“Wat mooi,” zei ik.
“Ach,” zei de barman. “Volgens mij lusten ze gewoon geen port. Als één van de bierdrinkers de pijp was uitgegaan, dan had dat ene fluitje het heus niet tot het einde van hun borrel gehaald. Als je dat maar weet.”
Toen de dames waren vertrokken gooide de barman het glas port leeg in de gootsteen.
“Zonde,” zei ik.
“Ach,” zei de barman. “Wil je nog een thee?”
“Nee,” zei ik. “Doe maar een portje.”
De barman keek met een vleugje treurnis naar de rode plas in de gootsteen.
“Die symboliek die mensen altijd zoeken,” verzuchtte hij. “Ik zal dat nooit begrijpen. Je mag er eentje, zolang je ‘m maar opdrinkt.”
Ik proostte op de vierde dame en dronk in mijn eentje tergend langzaam het portje. De barman schudde zijn hoofd. Het was een middag welbesteed.