Snoepblik

Als ik met mijn koffer van honderdveertig kilo de trein instap, zitten er al twee dames in de coupé. Ik ben te vroeg, zoals ik altijd te vroeg ben als ik met de trein ga, en de trein is verder nog zo goed als leeg. De dames zien er een beetje verrookt uit en ze kijken niet eens betrapt als ik, wanneer ik mijn hutkoffer voorbij duw, zie dat ze pillen met elkaar aan het vergelijken zijn. Eentje heeft een kleurig snoepdoosje waar ze ze in bewaart.
“Haal je ze zo niet allemaal door elkaar?” vraag de ene, die geen snoepdoosje heeft, maar gewoon zo’n saai pillenbakje met vakjes.
“Dit is voor één dag,” zegt de ander. “Kijk, en dit zijn de diclofenacjes. Die heb ik doorgebroken, want dan past het beter in het blikje. En ik neem toch altijd maar een paar halve per dag.”
De stemmen van de twee vrouwen doen me denken aan mijn tante Tilly zaliger. Niet hun accenten, ze hebben een sterk Nimweegs accent, maar de bepaalde lodder die je in de stem krijgt als je al heel lang anti-depressiva slikt.
“Heb jij al ontbeten?” vraagt de ander.
De ene antwoordt iets over een boterham en koffie en kaas.
“Ik niet, ik heb nog helemaal niks gehad,” zegt de ander. “Ja, een stuk meloen en yoghurt. Ik eet altijd eerst een paar happen yoghurt voordat ik de maagbeschermers kan slikken. Iemand zei ooit dat je het beste eerst yoghurt kan eten. Een paar happen.”
Tante Tilly was mijn lievelingstante. Ze woonde samen met mijn andere lievelingstante, tante Truus, wat in ons gezin verbasterd was tot “tantruussentantilly”, in een huis naast de kerk. Ik mocht daar altijd logeren. Dan keken we televisie en kreeg ik chips en snoep en mijn tantes zeiden nooit nee, dus ik mocht heel laat naar bed. Thuis kreeg ik nooit chips of snoep en moest ik als eerste naar bed omdat ik de jongste was, wat ik iedere avond weer frustrerend vond. Kind-zijn vond ik überhaupt frustrerend. Ik ben ook veel gelukkiger als volwassene. Soms hoor je iemand zeggen dat ze zo weer kind zouden willen zijn. Ik begrijp daar niks van. Je kunt niks, je mag niks en alles wat je doet moet in groepen gebeuren. Ik ben liever alleen.
De vrouw van het snoepdoosje fluistert steeds als ze iets zegt wat ze belangrijk vindt. Ik heb een hekel aan fluisteren, het doet me denken aan koortsdromen die ik had als kind, waarin boze mannen zo hard fluisterden dat het klonk als schreeuwen.
“Ik heb gisteren zulke lekker wijn gehad. Echt zo lekker. Heel erg lekker. Ken je die soort? Ken je carmenère?” fluistert de ander.
De ene zegt niets.
De ander gaat verlekkerd door.
“Als je óóit een keer zo’n fles tegenkomt, van die carmenère, dan moet je die meteen kopen, hoor. Echt zo lekker, dat geloof je gewoon niet. Dat is echt hele goeie wijn.”
Ik begin het idee te krijgen dat de ander nu al zin heeft in wijn. Ik kijk op mijn horloge. Het is half tien in de ochtend. Ik bedoel, ik snap dat wel, ik ben heus niet heiliger dan de paus, ik word ook wel eens wakker met zin in bier. Ik vraag me af hoe de vrouw met het pillenpotje woont. Of ze gelukkig is. Of ze zelf weet of ze gelukkig of ongelukkig is. Of ze eenzaam is. Of dat ze zoveel soorten pillen in een kleurig doosje verpakt dat die vraag niet meer bestaat. Als een vlakgom.
Ik snap dat wel.
“Nee,” zegt de een. “Daar heb ik nog nooit van gehoord. Maar ik zal het even opschrijven. Hoe ook weer?”
“Carmenère,” fluistert de ander. “Carmenère.”
Ik vind carmenère de merlot van nu. Ik drink het maar soms.
De dames zwijgen. Ze kijken vast uit het raam, naar de koeien die in de regen staan.
Ik heb het luide schreeuw-fluistergeluid nooit in het echt gehoord, alleen in die koortsdromen. Vroeger. En in mijn volwassen leven heb ik ze nooit meer gehad als ik ziek was. Mijn tantes zijn ondertussen al meer dan tien jaar dood. Weggeglipt, tot ze nu alleen nog een herinnering zijn. Een onderwerp dat ik aansnijd als ik het heb over twee dames met pillen in de trein.
Ik doe ze te kort.
Misschien is het verlangen naar alleen-zijn alleen het uitbannen van een verlangen naar dat samenzijn.
En misschien zit ik op een dag ook aan zo’n snoepblikje met pillen.
Figureer ik ooit in een verhaal van een neefje of nichtje.
Ik zet mijn koptelefoon op.
De stilte van de dames verdwijnt.

receptie

Verbouwing gaande!

Lieverds!
Zoals jullie zien is mijn geliefde weblog (sinds 1542) bezig een nieuw uiterlijk te krijgen. Dus de komende tijd staan er hier en daar wat dingen die nog getest worden of nog niet af zijn. Als een soort verbouwing. Er staat ergens een ladder, een pot verf of ik ben weer een uur bezig om zo’n matje afdekfolie los te krijgen (hoe dééd Dexter dat toch?). Maar ondertussen ben ik er nog wel.
Overigens, de verbouwing wordt uitgevoerd door de fijne, fijne mensen van Grayscale, waar trouwe lezer van dit blog (ook sinds 1542), de heer Broer, hoofdaannemer is.
Blij mee! Heel erg.

speakeasy_4

Alsof er iets te vieren valt

“Het had al lang een keer moeten onweren deze week, jongen,” zei Blonde Arie, toen hij op zijn vaste kruk ging zitten. “Het onweert altijd wel een keer, zelfs toen met die hittegolf.”
De stoffige mannen zaten binnen aan de bar en keken naar de stoet mensen die buiten voorbij liep. Dagjesmensen, mannen van de kroeg om de hoek die steekwagens met dozen voorbij rolden. Het was nog steeds droog. Ergens had gisteren wat regen gevallen wist Blonde Arie te vertellen, maar het was nog heel vroeg toen, hij had geslapen. Toen ik vanochtend naar de kroeg fietste was de stad nog leeg, maar ik kon al ruiken dat het druk zou worden op straat. Dingen hangen in de lucht. Ik weet dat wel. Ik heb alles al eens gezien, vertelde ik de stoffige mannen ooit. Het is al een tijdje geleden. Ze moesten lachen. Vanaf het een kruk is het gemakkelijk de waarheid in pacht te hebben. Vier dagen terug zag ik een bui net langs de stad scheren. Er waren meer mensen die het zagen, het donkere pak wolken dat verderop voorbij trok. Ik hoorde iemand zeggen dat de buienradar niet klopte. Ze had een paraplu in haar hand. Ik heb er een onbestemd gevoel aan overgehouden. Ik hou van regen, normaal zit ik altijd voor het raam te kijken naar hoe het water door de goten kolkt, maar dit is een andere zomer. De mannen weten niet wat ze met zichzelf aanmoeten.
Ze bleven binnen zitten, de stoffigen, af en toe liep er eentje naar buiten om te roken. De jas nog aan en de ogen dichtgeknepen. Ik weet niet hoe het komt dat ze zo hechten aan routine. Iedere dag hetzelfde doen, iedere dag de liefde bedrijven met een ander glas met hetzelfde erin. Pas als het regent lijkt het alsof het per toeval is, dat ze aan de bar zitten. Dat er iets te vieren valt.
Ik heb sinds de zomer van je gehouden, maar misschien was het wel eerder, het lijkt zo lang geleden, ik weet niet eens meer hoe het begon, al heb ik het altijd geweten hoe het voelen zou. Nu kijk ik de hele week naar de lucht en ik wacht af met een theedoek in mijn hand. De rochelende mannen aan de bar, op een dag zouden ze zich in het zonlicht toch beter moeten gaan voelen. Als het een ideale wereld was. Maar misschien herken ik die dag wel helemaal niet.

De derrière van de walrus

Het is druk in de trein als ik terug kom uit Beverwijk (what’s in a name? what’s in a name?). Er rijden door werkzaamheden veel minder treinen, het gangpad staat helemaal vol, maar ik heb nog de autistenstoel weten te bemachtigen. Ik kijk een film. Ik ben moe. Ik wil naar huis. Nog maar tweeënhalf uur.
Dan komt er een oud vrouwtje op mijn leuning zitten.
“Wilt u zitten?” vraag ik.
Het vrouwtje schudt haar hoofd.
“Echt niet?” zeg ik.
“Nee, nee, nee, het gaat prima,” zegt ze.
Ik doe mijn dopjes weer in.
Een half uurtje later staat de mevrouw op. Ze overlegt wat met haar man. Een enorme grijze walrus met een dikke snor. Hij wurmt zich met zijn enorme derrière tussen de glazen plaat, mijn stoel en zijn vrouw. Ik vraag nog een keer of ze willen zitten.
“Nee!” roepen ze in koor.
De man steekt zijn kont uit en vlijt zich op de armleuning. Ik word tegen het raam geduwd. Ik voel me een cartoonfiguur.
“Ik heb niet het idee dat dit werkt!” roep ik met mijn wang tegen het raam tegen de man.
“Anders kom je bij mij op schoot,” zegt de man.
Ik trek mijn uitdrukkingloze gezicht aan.
Ik pak mijn spullen. De coupé volgt het gesprek als een tenniswedstrijd.
“Ik zou het ook niet leuk vinden, hoor,” zegt de mevrouw bedremmeld. “Als u bij hem op schoot ging zitten.”
Ja, denk ik, ik moet me ook echt inhouden met dat prijsdier dat u hier aan de haak heeft geslagen. De man doet me denken aan de vieze snormeneer die vroeger ten overstaan van zijn vrouw en dochter altijd probeerde je bij je middel vast te pakken terwijl je een dienblad in de ene en een wijnkoeler in de andere hand had.
De fles witte wijn die ik vanmiddag kreeg staat nog in de stoel. De man laat zijn onderstel al op de zitting zakken. Hij vraagt niet aan z’n frèle vrouwtje of ze zitten wil. Ik gris de fles uit de stoel, ik moet er een ruk aan geven omdat het vlees van de man de fles tegen de stoelbekleding duwt.
“Nou! Die mag je ook wel laten staan!” buldert de man.
De coupé blijft stil.
Ik krab even met mijn middelvinger aan mijn neus.
Dan loop ik de coupé uit.
Ik wring me door alle mensen naar een randje ergens naast de trap. Er zit een meisje met blonde krullen, die haar tassen voor me aan de kant duwt.
“Ik ben opgestaan voor een oud vrouwtje,” zeg ik.
“Dan mag je al helemaal hier zitten,” zegt ze.
De dikke reet van de walrus laat ik maar achterwege.
Coocookachoo.

Zo klonk de Blaauwe Bierkaaij gisteren

Voor Dennis Gaens’ Ondercast maak ik iedere maand een blokje over de kroeg waar ik altijd heb gewerkt. Deze week ben ik op aan het nemen hoe het de lieve mensen van de kroeg vergaat bij de tijdelijke bar aan de Waal, tijdens de Zomerfeesten in ‘t Nimweegse.
God, wat hou ik toch van die stad en die brug en het geluid dat de Waal maakt en al die lieve mensen die er de hele afgelopen week hebben staan timmeren.
Ik heb zojuist in de trein naar Beverwijk alvast een stukje gemonteerd over hoe het opbouwen klonk.

Dat was gisteren, dat opbouwen.
En waar het nog het meeste om spande was natuurlijk of de lampjes boven de bar het wel zouden doen.
Dat begrijpt u natuurlijk ook wel.

Nog één dag

1.
Je kunt het een week van tevoren al voelen in de stad, dat de Zomerfeesten eraan zitten te komen. Het voelt zoals het vroeger voelde, toen ik nog in Limburg woonde, een paar dagen voor de Vastelaovend. Dan fietste je door de stad en dan kon je het voelen, zelfs als je nog nooit van zoiets als Vastelaovend had gehoord: er ging hier iets gebeuren. Het hing in de lucht.
Zo ook nu. Hier. In Nijmegen.
Dit jaar is het eerste jaar sinds 2001 (tweeduizend één! Toen hadden we nog guldens. Gúldens!) dat ik niet achter de bar hoef te werken met de Zomerfeesten. Vandaag stuurde ik een berichtje aan D’n Lee, die het expat-gedeelte van onze kroeg staat op de bouwen op De Kaaij met de vraag of het uitkwam als ik even kwam kijken. In een ander leven, waar ik achter de bar was gebleven, stond ik nu ook onder de Waalbrug te sleutelen en te schroeven. Tussen de wal en het schip op De Kaaij.

2.
Als ik ergens moet voordragen voel ik me wel eens meer verbonden met de mensen achter de bar dan met de schrijvers achter de microfoon of de mensen in de zaal. Ik moest een keer voordragen op een sponsorclub van bobo’s, allemaal grijze mannen en vrouwen met geblondeerde korte opgeföhnde haren en het rook er naar Chanel No5 en hoe de binnenkant van een nieuwe auto ruikt en ik stond daar, te wachten tot ik een column moest voorlezen. Ik hing op het hoekje van de bar en af en toe zei ik wat tegen de meisjes die de biertjes in fluitjes tapten voor de grijze meneren en blonde mevrouwen en pas bij mijn vierde opmerking kreeg ik door dat ze bij god niet wisten wat ik daar deed, op die hoek van de bar. Waarom liep ik tegen ze aan te praten?
Ik herkende de blikken ineens: ze dachten dat ik gek was.
Ik keek de zaal in.
De borrelende bobo’s die door de speech van één of andere voorzitter aan het heen praten schaarden me waarschijnlijk wel bij het personeel, als ze überhaupt al een gedachte hadden over hoe ik daar met een biertje aan de bar stond.
“Ik werk ook in een kroeg,” zei ik tegen een meisje.
Ik kreeg een minzaam knikje.
Het had al geen zin meer.
Ik zuchtte. Mijn naam werd geroepen en in tegen een muur van kakelende grijze mannen las ik wat voor.

3.
vierdaagse 2014

4.
Overigens: zondag is een dag dat je net zo goed de hele dag op het Valkhof kunt blijven staan.

5.
Ik zit nu koffie te drinken bij The Fuzz (mijn lievelings voor koffie) en ik sprak met de eigenares over de komende week zoals iedereen in de Nijmeegse horeca dezer dagen met elkaar aan het praten is. Over de drukte, de dronkenlappen waarvan het geen zin heeft om ze eruit te gooien omdat ze toch nooit meer terugkomen, de slecht gekleedde meisjes die stiekem komen plassen, het bier, het Valkhof en dan valt er altijd even een stilte die de consensus smeedt dat we allemaal bij elkaar horen.
Dat zijn de beste stiltes.
Ik mis de kroeg.