Prima!

prima

HMDODHBS (leunt tegen deurpost van keukendeur in kroeg)
Waarom zet iemand nou zo’n tag?
Wat betekent dat?
Is dat tegen de Primark? Of juist vóór?
Heeft iemand zo hartstochtelijk iets van de Primark gevonden dat diegene besloot het met een stift op een elektriciteitskastje te zetten? Maar wát dan? Wat zegt dat over de vandalen van tegenwoordig? Of over de kosmos?

LEE (bekijkt langdurig de foto)
Of stond er Mark?
Dat iemand z’n naam had geschreven.
En iemand anders er Pri- voor heeft gezet.
Of Prima.
Dat er Prima stond.
En iemand er RK achter heeft gezet.
De Rooms-Katholieken.
Zul je altijd zien.
Vandalen.

Ondercast #3

“Als ik jou zou moeten omschrijven ben jij eigenlijk een Javaanse kleine kantjil.”

Rhynchocyon_cirnei_936

Dennis Gaens heeft weer zulk een fijne podcast in elkaar geschroefd. Was er maar elke week een aflevering.
Met Helena Hoogenkamp, Ilse Schaminée, Michiel Lieuwma, Jibbe Willems, Joost Oomen en the Paris Redux: waarin Gaens vragen uit dit interview op Maartje Wortel afvuurt.
O, en natuurlijk ook een nieuw Dier van de Maand door Rob Waumans.
En zo tegen het einde mijn bijdrage: het blokje Achter de hoofdwacht, over het wel en wee in Café in de Blaauwe Hand.

Noordeloos

Het tochtte in de wachtkamer van het kleine station ergens in het topje van het land, toen De Dood binnenstapte.
Fons van Veen zat op een bankje en zag hoe in de hoek een plastic zak steeds opwaaide, alsof het een hondje was dat blij tegen het glas opsprong omdat er bezoek in aantocht was. Fons zat er al een tijdje. Hij had op een haar na de één-na-laatste trein gemist en het duurde nog een hele tijd voordat de laatste kwam.
Als die kwam.
Fons was geen man van laatste treinen.
Hij keek naar de telefoon in zijn hand, waarmee hij zijn vrouw had proberen te bellen. Hij had de voicemail gekregen. Die avond had hij naar een speciale bijeenkomst gemoeten, in een zaaltje met tl-verlichting, vieze koffie en linoleum op de vloer. Hij had een paar weken daarvoor een leerling met een erlenmeyer in het gezicht geslagen tijdens één van zijn lessen en nu moest hij op cursus. Waarom hij daarvoor helemaal naar Veenwouden moest wist hij ook niet. Misschien dat noorderlingen dachten dat ze er beter mee om konden gaan: met moeilijke leerlingen en met stress. Ze weten hier niet waar ze het over hebben, dacht Fons. Er is hier niks. Dan kan er ook niks uit de hand lopen. Nou lieverd, ik ben even naar de goelag, had hij thuis tegen zijn vrouw willen zeggen, toen hij de deur uitliep. Maar hij had niks gezegd.

Toen de deur van de wachtkamer openging stoof de plastic zak naar buiten. Niet van blijdschap omdat de baas was thuisgekomen, maar omdat simpelweg iemand de deur had open gedaan. Honden houden alleen van hun baas omdat ze eten krijgen, dacht Fons. Niets in het leven is gratis. Ook bij dieren niet.
Het leven toont zich in clichés. De Dood stapte in vol ornaat binnen, compleet met zwarte pij en een zeis. Fons keek op.
“Ik heb gehoord dat het allemaal niet zo best gaat,” zei De Dood toen hij naast Fons was gaan zitten en een sigaretje opstak.
Fons keek om zich heen. Het perron was leeg, voor zover hij in het licht van de lantaarns kon zien.
“Nee,” zei Fons.
“Tja,” zei De Dood, hij haalde even zijn neus op.
“Is het zover?” vroeg Fons.
“Soort van,” zei De Dood.
“Ga ik nou dood?”
“Misschien,” zei De Dood. “Jij mag nog kiezen. Soms gebeurt dat, dat mensen mogen kiezen. Het is best eenvoudig: Je pakt de laatste trein of we blijven hier nog even zitten en dan ga je met mij mee naar huis.”
“O,” zei Fons. “Dat is dan gemakkelijk.”
“Je moet me alleen eerst vertellen wat het mooiste moment in je leven was,” zei De Dood.
“O,” zei Fons nog eens.
“There’s no such thing as a free lunch,” zei De Dood.
Ze zwegen een tijdje.
“U kent uw talen,” zei Fons.
De Dood knikte.
Hij tikte een paar keer met de stok van de zeis op de grond.
Fons begon te vertellen.
Over zijn vrouw, over een graanveld en Frankrijk en de Eiffeltoren en zon en wijn en hoe haar haar rook en hoe de Maas had geroken die ze met de ouwe Benz hadden gevolgd en de nacht in het ouwe verrotte hotelletje en dat alles leek zoals het hoorde dat alles was hoe hij wilde dat het was. Alles. Voor toen. Alles. Hij had ineens een knoop in zijn maag. Hij stopte met praten. Hij had er al heel lang niet meer aan gedacht.
Daarna was het stil.
In de verte verschenen de koplampen van de laatste intercity naar huis.
De Dood wees. De trein kwam dichterbij. Draaide een wissel op richting het perron.
“Nu goed,” zei De Dood, “of je gaat terug naar huis en alles blijft zoals het was. Of je gaat met mij mee en je mag dat moment dat je net beschreef nog één keer overdoen. Één keertje.”
De trein stopte.
“En dan is alles voorbij?” vroeg Fons.
“Daarna is alles voorbij,” zei De Dood.
Fons had een ouwe stoomtrein verwacht, die met veel rook en gepiep tot stilstand zou komen, maar dit was gewoon een gele dubbeldekker. Fons stond op. Hij pakte zijn koffertje en knikte naar de man met de zeis. Hij liep de wachtkamer uit en liep naar de treindeuren die openden. Toen keek hij om. De Dood zat er nog steeds. Fons dacht aan thuis. Aan zijn vrouw. Aan hoe alles nu was. Het is de herhaling die ons nekt. Het is niet de liefde of het gemis, maar alleen de drang dat we willen dat iets moois normaal wordt. Op een dag heb je alles en dan weet je van gekkigheid niet meer wat je moet doen. De plastic zak waaide voorbij. Hij liet de stang van de deur los en deed een stap naar achter, terug het perron op. De deuren sloten. De trein vertrok.
In de wachtkamer zei Fons: “Ik denk dat ik het toch maar doe.”
“Ik wist allang wat je zou kiezen,” zei De Dood. “Ze kiezen altijd hetzelfde.”
De Dood pakte de hand van Fons.
“Oké?” zei De Dood.
“Oké,” zei Fons.
Daarna was het perron leeg en bleef het leeg.
Net zolang tot het licht in de wachtkamer doofde.
En alles donker was.

Geschreven voor Das Magazin tijdens Het Boekenbal voor Lezers in Leeuwarden.

Wanneer is het winter?

Of: Het is pas echt winter als je dekens bevroren zijn
Of: Je hebt meteorologische seizoenen en je hebt astronomische seizoenen

lampetkan

Ik ben opgegroeid in een huis waar de elektrische apparaten alleen maar fungeerden als je er een klap op gaf. Mijn vader keek bij het opkweken van zijn tuinboontjes liever naar de maan dan naar een kalender. Ik ben opgegroeid in een huis waar mijn vader zuurdesembrood bakte van zelfverbouwde rogge in een eigen gemetselde houtoven, waarmee je met die broden weer een nieuw huis zou kunnen metselen. Waar je in de winter het ijs uit de lampetkan moest tikken om je met een smoezelig washandje te kunnen wassen. Bij mij thuis aten we miso-soep als ontbijt en huilde mijn moeder soms ineens dagenlang, zonder dat wij, de kinderen er ooit achter kwamen waarom. Ik weet nu wel waarom. Ik ben dat gaan snappen.
Het is veertien dagen, zes uur en zevenenveertig minuten geleden sinds ze is vertrokken.
Ik heb sindsdien niet meer gedoucht.
Dat heeft de een halve fles shampoo en honderdtweeëntachtig emmers water uitgespaard.
Ik had er mijn toilet mee door kunnen spoelen, maar ik heb het niet gedaan.
Misschien is dat een gemiste kans.
Ik weet waarom ze zeggen dat mensen met niets vaak het gelukkigst zijn.
Maar op sommige dagen had ik het liever nooit gehad.
Dat niks.
Ik heb vandaag op de rommelmarkt een lampetkan gekocht.
Nog tweehonderdelf dagen tot het winter is.

Geschreven voor De Waard en zijn gasten tijdens GDMW Festival in Den Bosch.
Hij was weer fijn, Coby.

Ja, het is zo ongeveer wel zomer

Zo.
Ik ben er weer.
Ik was aan boek twee aan het schrijven (alhier, pagina 23) en ik heb zo ongeveer alles wat me lief was verwaarloosd.
En, o ja, daarvoor namen we nog een hoorspel op.
Maar nu is het ineens mei en is er ineens weer iets vreemds: tijd.

En aangaande mijn vorige post: ja, het voelt in ieder geval als zomer.

foto