P de DJ

Geschreven voor 50 jaar Nijmeegse Popmuziek.

Tijdens de opnames van een hoorspel, krijg ik een sms van Paul binnen. Dat kan eigenlijk helemaal niet, want de opnamestudio bevindt zich in een ouwe bunker waar geen enkel bereik is met de mobiele telefoon. (Er zijn overigens vreselijke dingen gebeurd in die bunker: de Duitsers zaten er in de Tweede Wereldoorlog en de Venga Boys namen er We’re going to Ibiza op, maar dat geheel terzijde).
Er staat, in caps lock: DIE CLIP VOOR AFTERLIFE VAN SPIKE JONZE VOOR DE YOUTUBEAWARDS MET GRETA GERWIG IS DE MOOISTE OOIT!!!! OOOIT!
De sms is dertien meter grond en twee betonnen muren doorgegaan, maar ik vergeet hem meteen weer.
Als ik om zes uur in de trein zit, krijg ik weer een sms.
Paul.
Nee? Zegt de sms. Niet?
Ik sms terug dat ik net in de trein zit en geen internetbereik heb.
Kijk de video dan maar als je klaar bent voor een nieuw leven, krijg ik terug.
En vervolgens:
Kijk die video nou maar.
Jajajajaja, zo, sms ik.
Doen! Smst Paul. Nu. Nu!
Ik zeg altijd jajajaja, zo, tegen Paul, maar helaas krijgt hij altijd gelijk. Dat was al toen hij nog bij De Waaghals werkte, waar ik dan aan de balie ging hangen, en als een patiënt bij een dokter vertelde wat er met me aan de hand is. “Paul, ik heb een gebroken hart.” Zoiets zei ik dan. En dan dook Paul in het schap achter hem en drie minuten later had ik een medicijn.

Ik besluit de videoclip te kijken.

In de clip zien we actrice Greta Gerwig in de keuken van een appartementje treurig afscheid nemen van een jongeman. Als hij uit beeld is begint ze op stukjes van het nummer mee te dansen en te zingen. U moet ‘m zelf maar kijken. Ik verklap het einde niet. De clip werd geregisseerd door Spike Jonze en live opgenomen tijdens the Youtube Music Awards.
En meteen ben ik verslaafd aan dat liedje.
Meteen.
Ik wil Paul terug sms’en dat het de beste videoclip is die ik ooit heb gezien in mijn leven. Dat alles me herinnert aan het groots en meeslepende. Dat alles me herinnert aan vroeger.
Dat ik oud word.
Maar ik stuur hem niets.

Sommige liedjes zijn groots en meeslepend en ik als schrijver ben daar jaloers op. Ik wilde eerst over De Staat schrijven, over Lea, over Black Bottle Riot, over Janne Schra en over Frank Boeijen for crying out loud, maar uit eindelijk kwam het er steeds op neer dat ik niet met woorden kan vangen wat zo’n liedje doet. Bijvoorbeeld nu, terwijl ik dit schrijf zit ik in de trein, in een hele drukke spitstrein tussen en over mijn laptop gebogen. Ik heb een dikke sjaal om, want het is koud, naast me rolt af en toe de rolkoffer het gangpad op als de trein remt en ik zit hier en typ en ik denk aan nu, aan dit moment, dat ik hier nu sta te voor te lezen, dat is toch vreemd, want ik lees dit nu op, maar eigenlijk zit ik in die trein. Dat is toch bijna tijdreizen?
En dan denk ik: alles kan.
Verderop doet iemand deo op, het ruikt zoet, naar vroeger, naar Limara. Het ruikt naar de Smashing Pumpkins, naar luisteren naar Nirvana bij Gemmeke op de kamer in een pauperbuurt in Venlo, Gemmeke die al zo lang dood is, terwijl ik nog zo jong ben.
Ik denk aan alles wat zo voelt, zoals al die liedjes, ik denk aan op de bank liggen bij Paul, als hij na het draaien thuis nog meer liedjes liet horen, tot soms wel half één in de middag, hoe ik de zon op zag komen tegen de witte achtergevels van de huizen waar zijn platenkamer op uitkeek, hoe ik daar lag sigaretten rokend, bier drinkend en dat Paul op een veel te klein krukje zat, naast de platenspeler en dat hij alleen maar mooie liedjes draaide, Tim Hardin, The Long Winters, The The, alles, net zolang tot ik wel moest huilen op een gegeven moment en dan zaten we daar gewoon, niks te zeggen en te luisteren.
Als verliefdheid is muziek, zoals nu, in deze trein, soms vind ik het zo raar hoe mijn bui in een vingerknip kan veranderen van agressief naar melancholisch, als ik alleen maar mijn koptelefoon opzet.
En ik mis het, denk ik, nu zo, terwijl ik in de trein zit.
Het groots en meeslepend leven.
Ik mis het.
We zijn bijna in Nijmegen.
Het is even stil.
Afterlife begint opnieuw.
Langzaam begin ik met mijn voet te tappen op de grond.
Dan begin ik mijn hoofd op de maat van de muziek te bewegen, en dan mijn handen die steeds sneller op de maat over het toetsenbord gaan.
Ik maak wat schouderbewegingen.
Het meisje tegenover me kijkt op.
Steeds sneller gaan mijn vingers.
Soms is een toetsenbord net een piano.
Geloof me.
En dan doe ik het.
Ik gooi mijn laptop aan de kant en begin te zingen, luid, zo luid dat de machinist het moet kunnen horen. De rest van de coupé kijkt elkaar aan, verderop zetten jongens hun walkman af en dan spring ik op en terwijl ik opspring, springt iedereen op, en begint iedereen zomaar te dansen, en de muziek gaat door en ik zing en iedereen zingt, maar ik zing natuurlijk de lead, want zo gaat dat bij dit soort liedjes, dan zingt de toehoorder altijd de lead en de rest doet de koortjes, en het meisje dat tegenover me zat gooit haar bak geitenkaassalade tegen de muur en de trein stopt met een klap en we lopen allemaal in een grote dansende stoet het station in en we dansen en we zingen en iedereen springt, het lijkt wel Fame, en we lopen langs de Kiosk en langs de Broodzaak en langs de Smullers waar vroeger nog de Free Recordshop zat het station uit, de busbaan over en er stoppen auto’s en mensen stappen uit en kijken met hun handen voor hun mond naar ons en beginnen te juichen, we dansen en schreeuwen het uit.
En dan is het ineens is het stil.
Ik trek mijn koptelefoon van mijn hoofd.
Er toetert een taxi.
Als ik om me heen kijk is iedereen weg.
Ik kijk naar omhoog. Het regen valt om mijn gezicht.
Het begint te regenen.
En dan krijg ik een smsje van Paul.
Hij zegt:
Ik wist wel dat je het mooi zou vinden.
Dat wist ik zeker.