*vuist ten hemelen heft*

Snij ik mijn tong bij het dichtlikken van de envelop met mijn uitschrijvingsbrief voor de Rooms-katholieke Kerk.

In afwachting van Vastelaovend

1.
“Wat doe jij aan?”
“Ik heb een masker en veren. En ik moet nog een pruik. Zolang niemand me kan zien is het goed, want ik zit vol met snot.”
“Charming.”
“Yep. Jij?”
“Wat zal ik doen: Pleegzuster Bloedwijn of Anky van Grunsven?”
“Anky. Definitely Anky. Mijn lievelings.”

2.
Ik heb al jaren geen Vastelaovend in Venlo meer gevierd. Te druk (want na dinsdag ook altijd vier dagen ziek) en te trots om maar één dag te gaan. Want dat hoort niet, vind ik. Je doet het allemaal, of je doet het niet.
Ik schaamde me steeds een beetje, als ik weer eens te vuur en te zwaard tegenover een Brabander de Venlose vastelaovendmuziek stond te verdedigen. Want ja, wanneer was ik nou voor het laatst met de joeks mei gegaon?
En ieder jaar deed het pijn in mijn hart als ik hier de drie man en een paardekop (waarschijnlijk uit van Pucks Party Shop) in een oranje overall over de Markt zag zwalken. En de rest van het winkelend publiek dat dan wees en het hoofd schudde.
Man, waat deej det pien.
Maar dit jaar ga ik.
Al is het maar één dag.

3.
Voor wie het nog niet wist: we hebben sinds kort een kachel.
En soms zing ik dit.
Als ik de kachel aansteek.
Of als d’n D. de kachel aansteekt.
“Dich maks de kachel met mich aan, d’n Deeheej!”


Ik bin verleef op Mieke beej ôs naeve
Ik gaon d’r now en dan ens op bezeuk
Dan zaet ‘t taege mich: kom toch wat dökker
Want deste bis gekomme vind ik leuk
Dan mot ik höltjes houwe veur de kachel
De mat en luiper kloppe oët de gank
Dan help ik um de telders aaf te wasse
En as ik gaon, dan zaet ‘t: “auk bedank”

Dich maks de kachel met mich aan Merieke
Waat ofste van mich dinks det luut mich kalt
Me kan de roëze neet verbeeje det ze bleuje
En auk mien hert neet det ik raozend van dich halt

4.
“Ik ben ALWEER VERKOUDEN. Voor de vierde keer in 2013!”
“Paar druppeltjes echinaforce ‘n tijdje in de mond houden, gorgelen met water en cayennepeper, strepsils, ibu-…”
“Hallo? Ben je daar nog?”
“Nee, wacht! Bier en Jägermeister natuurlijk!”
“Natuurlijk!”
“Dom!”
“Dom!”

5.
Mijn moeder stuurt me altijd knipsels uit de Limburger. Over De Klep, over de nieuwe stadsdichter of gewoon: iets waarvan ze denkt dat ik het lezen wil.
Vandaag lag deze in de bus:
kilk.jpg

6.
Stina!”
“Doot de deur aop?”
“Dat is pas een echte kraker.”
“Wie? Stina? Was Stina een kraker?”
“Nee, dat liedje. Dat liedje is een kraker.”

7.
Oké, nog ééntje dan. Als voorpret.

Bis te verleef op det maedje, maar wet het al jaore van niks
Bedink dich neet, kös det blaedje, ‘t gelök is vanaovend met dich
Goei eine cent in ‘t water, halt dien twië vingers gekruuëts
Bliëf neet wachte op later, gluif in dien wins en de zuuës…

Gehoord aan de bar:

“Als ik dood ben, wil ik op mijn crematie…” (begint te zingen) “…’This girl is on faiiiiiiii-juuuuur, this girl is on faiii-juuuuhuuuhuuuur!’ horen.”
Het is even stil.
Het meisje neemt een slok van haar warme chocomel.

Maandag, nog voor negenen

1.
“Is ‘ie dood?”
“Ja, dat las ik een tijd terug ergens.”
“Hebben we het over dezelfde?”
“Hij stond altijd voor de Albert Heijn in het ouwe postkantoor.”
“Och.”
“Ja.”
“Is ‘ie dood?” zeg ik nog eens voor me uit.
Er wordt geknikt.
“Och.”
“Ja. Gek hè?”

2.
Het is half acht ‘s ochtends en ik ben de houtkachel aan het aansteken.
Ik drink sinaasappelsap uit de vers-sap-machine van de supermarkt. Thee, koffie, boterhammen staan op tafel. Een pot cashewnotenpasta van honderdmiljoen euro de pot, die ik niet echt heel erg lekker vind. Radio 1 klinkt uit de speakers. Buiten is het net nog donker. Vlammen slaan uit het deurtje.
Ik staar in de kachel.
Het lijkt potdomme wel allemaal een reclame.

3.
Bij de kassa naast me zet een dikke mevrouw hijgend haar mand op de band. Ze praat niet, ze roept. Je kunt aan haar stem horen dat ze een verstandelijke beperking heeft.
“Ik vin’ut mar zwaor!” roept ze naar de caissière. “Dat tillen heel d’n dag.”
Ze hijgt en puft en veegt met een grote zakdoek haar voorhoofd droog.
“Het is ook zwaar,” zegt de caissière. “Heel zwaar. Vooral op maandag.”

4.
Ik moet de afgelopen dagen vaak denken aan Bas van het Straatnieuws. Ik denk aan Peter-hebbu-een-gulden die me wel eens uitschold als hij geen sigaret van me kreeg als ik de Avondwinkel uitkwam, en de mevrouw met de blonde dreadlocks die gedichten verkocht bij het station en de bleke rossige mevrouw met het spitse gezicht. Het waren lokale bekendheden en nu zijn ze dood.
Althans, dat weet ik natuurlijk niet zeker.
Misschien heeft er wel eentje de trein naar Spanje genomen. Om aan het strand te kunnen zitten, sinaasappelsap drinken van verse sinaasappels.
Maar Bas is dood.
En dat is gewoon gebeurd.
“Och,” zeg ik soms hardop, als ik eraan denk.
Niet dat dat zin heeft, dat weet ik wel.
Ik steek gewoon de kachel aan, alsof het allemaal niets kost: dat leven.

5.
Voor me in de rij staat een oud mevrouwtje te klooien met de pinautomaat.
“Gaat het?” vraagt de caissière.
“Ik zie niks,” zegt het mevrouwtje.
“Staan er sterretjes?”
De mevrouw die de boodschappen van het oude vrouwtje inpakt, komt bij de pinautomaat staan.
“Twee sterretjes,” zegt ze.
“Correctie,” zeggen de helpende mevrouw en de caissière.
“En nou nog een keer,” zegt de helpende mevrouw.
Een bon rolt uit de kassa.
De drie dames kijken trots.
“Als ik jou toch niet had,” zegt het ouwe vrouwtje.
“Dan had je wel iemand anders!” roept de vrouw, meer naar de caissière dan naar haar.
Het vrouwtje pakt de arm van de helpende mevrouw.
“Als ik jou niet had,” zegt ze nog eens.
“Dan had je iemand anders,” zegt de vrouw.
Nu wat zachter.
Ze pakt de arm van het oude mevrouwtje stevig vast. Met haar andere hand zwiept ze de tas van de band.
De caissière knikt.
“Dan hadden we iemand anders,” zegt de caissière.
De dames zwaaien naar elkaar.
De week is begonnen.

6.
kachel2.jpg