Verse jus

De vrouw aan de bar drinkt haar koffie met een zuinig mondje. Je kunt zien dat ze mist dat er niet meer gerookt mag worden in de kroeg. Ze friemelt aan haar pakje sigaretten en kijkt steeds over haar schouder naar het raam om te controleren of het niet toevallig in de afgelopen halve minuut is gestopt met regenen. Het is niet gestopt met regenen. Ik sta als een echte barman de wijnglazen te pouleren.
“Drinken mensen hier nu veel meer verse jus?” vraagt de vrouw plotseling in de stilte van het zacht mummelen van Frank Sinatra op de achtergrond.
Ik denk even na.
“Dan wanneer?” vraag ik.
“Vroeger vond niemand dat erg, dat dat spul altijd uit een flesje kwam,” zegt ze. “Toen noemde je het gewoon nog sinaasappelsap.”
Vroeger is een paradijs waar niemand de sleutel van heeft. Ik overweeg om dat tegen haar te zeggen.
“Appelsientje,” zegt ze. Ze haalt haar vinger uit de oor van het kopje en tilt die als een ouwe kapelaan op.
Ik drink graag verse jus, maar ik wil me wel altijd verontschuldigen als ik het ergens bestel. Beroepsdeformatie. Ik vind de mensen die verse jus drinken nooit leuk. Ik haal mijn schouders op.
“Er wordt wel minder cappuccino gedronken en meer gewone koffie,” zeg ik.
Ik wijs naar haar kopje. Dat is trouwens echt waar. Het valt mij de laatste tijd op dat de gekke koffies uit zijn. Mensen drinken meer gewone zwarte koffie. De koffiemelkkuipjes blijven tegenwoordig bijna altijd onaangeroerd.
“Ik heb vroeger in de kroeg gewerkt en wij hadden ketel water op een pitje en een pot met nescafé.”
Ze kijkt weer over haar schouder.
“En jus uit de fles.”
Ze knikt. Ze drinkt haar kopje leeg.
“En veel tomatensap. Iedereen dronk toen tomatensap. Tomatensap met een tik erin. De mensen waren toen veel minder dik.”
“Toen ging je van roken nog niet dood,” zeg ik.
Ze kijkt me aan. Het is even stil. Ze mompelt wat en kijkt weer over haar schouder. Een mevrouw voor het raam klapt haar paraplu dicht en kijkt naar de lucht, alsof ze is ingehuurd om een seintje te geven aan de mevrouw aan de bar. Het is droog.
“Ik rook ook,” verontschuldig ik me.
Ik rook eigenlijk bijna helemaal niet meer.
Ik moet me minder verontschuldigen.
Ze legt een muntstuk van twee euro op de bar.
“Vroeger was dat twee gulden,” zegt ze.
Ik hef mijn handpalmen naar de hemel.
“Ik had pas een jongen aan de bar die vertelde dat hij nooit iets met guldens had afgerekend,” zeg ik.
De mevrouw schudt haar hoofd. Ze heeft haar jas al aan. Ze zet nog een keer haar kopje aan haar mond en gooit haar hoofd naar achter. Ik denk aan mijn moeder die de plastic zakjes afwast en aan de waslijn hangt te drogen. De mevrouw knikt naar me terwijl ze het kopje neerzet en loopt de deur uit. Buiten zie ik haar schaduw nog door het glas-in-lood van de voordeur. Een rookpluim waait voorbij het raam.
Ik heb zin in verse jus.
Ik ga maar eens een jus voor mezelf persen. En voor de kok.

verse-jus.jpg

Fame

-The Silvermans know some very important people.
They really have connections.
They’re mishpoche with Soupy Sales.
Oh, listen.
Your nice white blouse is ironed.
Or you could wear your pink dress with the ribbons.
You look so pretty in that.

-I hate that pink dress.

-So don’t wear your pink dress.

-I’m not going, Mama!

-Then gargle.

-I’m going out to dinner!

-It’s a catered affair.

-It’s not the food!

-This is an opportunity to perform.
Take advantage of it.

-I promised Montgomery.

-Well, I promised the Silvermans!
It’s a party, Doris.
They need a singer.
And you, you need exposure.
So you’re going.

In afwachting van de speech…

“Veurts willen wij toegeven dat wij slechts alleen an ‘t begin van onze carrieure deupingcocktails hebben genomen ter beveurdering van onze prestaties tijdens het zakleupen. Wij hopen dat u, het volk, begrijpt dat aan de top de druk dermate hoog is dat wij geen andere weg zagen en ons genoopt voelden mee te gaan in de streum van alle zakleupers in de gemeenschap van onze lage landen.”

Zingt: Je voelt je thuiuiuiuis…

“De appels bij de Albert Heijn zijn beter,” zegt het kromme mevrouwtje aan de tafel bij het koffiezetapparaat in de Coöp. Ik probeer aan de tafel de dop op een fles zelf-pers-jus te krijgen. In mijn mandje liggen granny smiths.
“Goedkoper, ook,” zegt ze.
Het is even stil.
“En groener.”
Ik lach.
Ik denk dat ze een grapje maakt.
Ze lacht niet.
“O,” zeg ik.
Jus loopt langs mijn handen de tafel op.
“De Albert Heijn is sowieso veel beter,” zegt ze.
Ze kijkt naar de jus op de tafel.
Ik veeg de jus op met mijn mouw.
“Ja, maar ik woon hier echt om de hoek,” zeg ik.
De vrouw schudt haar haar hoofd en neemt met een zuinig mondje nog een slok van haar beker koffie.
Ik reken af.

De heftruck

Als je altijd alleen bent, zoals ik, dan gaan alle dagen op elkaar lijken. Dat is niet erg, dat is gewoon zo. Ik sta op, eet een boterham, geef mijn drie katten te eten en ga naar mijn werk. De hele dag rij ik met mijn heftruck tussen de stellingen door. Er is erger werk, echt, ik zweer u dat. Een tijd lang wilde ik ook op de vrachtwagen, door Europa toeren, wat van de wereld zien. Maar ik heb nooit mijn rijbewijs gehaald. Doorzettingsvermogen is niet iets dat mij natuurlijk komt, zal ik maar zeggen. Ik zeg nooit veel. Ik kom op mijn werk aan, ik klok in, ik drink een cappuccino uit de automaat en dan ga ik aan het werk. Om twaalf uur zet ik de heftruck aan de kant om in de kantine een boterham te eten. Weer een cappuccino. Dan ga ik naar het toilet. Er werken niet veel vrouwen bij Transportbedrijf Schoorvos en zonen. Dat zonen zegt al een boel, natuurlijk. Ik vind dat fijn, dat je plee voor jezelf hebt. Ik ben erg pleetrouw. En daarna ga ik de heftruck weer op. Ik rij pallets met dozen witgoed van de opslag naar de vrachtwagen. En soms van de vrachtwagen naar de opslag. Het is niet zo ingewikkeld.
Om vijf uur ben ik meestal klaar. Ik kan goed plannen.
Dan ga ik naar huis. Voer ik de katten en kijk ik televisie. Dan ga ik eten.
“Ik snap niet hoe jij zo dik kunt worden,” zei Sjannie van de kantine een keer tegen me toen ik met mijn cappuccino voorbij liep. “Je eet maar een boterham per dag.”
Ik heb mijn schouders toen maar opgehaald.
Ik weet heus wel hoe het zit.

Koken doe ik nooit. Ik hou daar niet van en dan gaat het huis zo stinken. Het liefste eet ik de pasta magnetronmaaltijden van de Albert Heijn met daarbij om te drinken een fles wijn. Rode wijn en kaassaus die te lang in de magnetron heeft gestaan en daardoor een beetje knapperig is geworden, dat is het lekkerst.
Maar alles combineert met rode wijn. Pepernoten, kaas, chocolade-ijs, chips, toastjes met zalm, zalm, friet, kroketten.
“Rode wijn combineert ook goed met rode wijn,” zei mijn vader altijd.
Ik hoef niemand om me heen. Volgens mij erger ik me net zo aan hen als zij zich aan mij.
Ik heb nooit begrepen hoe mensen zo’n moeite kunnen hebben die met hun ouders hebben gebroken.
Ik heb dat niet.
Ik denk niet dat ik een traan zal laten als ze sterven.
Het is heel erg, zei Sjannie van de kantine.
“Als mijn moeder nog zou leven…” Toen begon ze te huilen.

Ik weet ook niet waarom ik er over vertelde.
Ik moet meer zwijgen.
Nog meer zwijgen.

Is er al iemand dood?

Als er op de schrijversopleiding iemand niet wist hoe die verder moest met een verhaal, dan zei ik altijd: “Is er al iemand dood?”
Ik deed mee met een estafetteverhaal en toen ik de elf eerder geschreven verhalen las, dacht ik: hoe nu verder?
En ja. Toen kwam de vraag: is er al iemand dood?
Nee.
Nou ja.
Nu wel dus.

Continue reading…

Voor en na

Van sommige foto’s kan ik niet geloven dat het dezelfde mensen zijn.
Misschien is dat ook niet zo.
Maar toch.

korean.jpg
Klik.

Zo…

…nou ga ik weer iets kunstzinnigs en intelligents schrijven. Ik ben immers op schrijfretraite. En niet op HannekevergelijktBartChabotreclamesenpakkendruivensapmetelkanderretraite.