Jongleren

Thuis spatel ik mezelf met veel moeite van de bank, weg uit een brakke Louie-marathon. Voor wie het nog niet wist: ik hou zoveel van Louis CK dat ik het gevoel heb dat de liefde voor hem letterlijk uit mijn hart gutst. Zo voelt het. Ik zou hem willen zijn. Een vrouwelijke Louis CK.
Maar goed, ik kom van de bank na een zeer korte onderhandeling over wie de pizza gaat kopen en wie de pizza gaat bakken en opdienen.
“Ik kan niet naar de Albert Heijn,” gebruik ik als enige argument. “Ik keek net in de spiegel en ik zie eruit als Marla Singer.”
Maar ik begrijp zelf ook wel dat dat geen geldige reden is.
Ik ben een combinatie van Marla Singer en Louis CK.
Het kan slechter op een brakke zondag.
Veel slechter.
Ik ga naar de supermarkt.

“Alles is weg.”
Het meisje loopt met haar handen in de lucht terug van het zuivelschap naar haar vriend, die aan komt rollen met de volle winkelwagen. Ik schat haar even oud als ik, misschien zelfs wat jonger. Het meisje is knap, de jongen trouwens ook. De jongen rolt de kar naar de bakjes vla en yoghurt. Hij pakt een bakje op. Zij staat aan de overkant bij de melk.
“Anna?” zegt de jongen, terwijl hij het bakje omhoog houdt. “Deze lusten we niet, hè?”
Die jongen heeft helemaal niet door zij op dit moment met zijn ballen staat te jongleren, hier midden in de supermarkt, terwijl ik alles kan horen. Ik hoor een clownsmuziekje uit het circus op de achtergrond. Tie-die-diedelliede-die-diedie-die. Het meisje gooit haar vriends ballen hoog. Ze raken net niet het plafond. Ze kan het goed.
“Heb je appels gekocht?” vraagt ze.
“Ja,” zegt hij. Ze lopen verder over het pad.
“Voor mij?” zegt ze.
“Voor jou, ja,” zegt de jongen. “Ik heb alles voor je gekocht.”
Hij lacht naar haar, slaat een arm om haar heen. Met de andere arm duwt hij de kar.
“Waarom doe je zo geïrriteerd?” zegt het meisje.
Het publiek roept “oeoeoeoeoeoe”, bijna lijkt ze een bal te laten vallen, maar het blijkt maar een schijnbeweging te zijn. Ze glimlacht naar het publiek. Had ze ons daar even te pakken.
“Ik ben niet geïrriteerd,” zegt de jongen.
Ze zwijgt even. De arm van de jongen glijdt van haar af.
“Nou,” zegt ze. “We moeten alleen nog honing. Heb je al honing gepakt?”
Ik moet het pad rechts inslaan, op de snelweg die de Albert Heijn op zondag heet, want ik wil de nieuwe Grazia kopen. De stem van het meisje sterft weg in het geroezemoes, de muzak en de omroepberichten.

Ik weet ook wel dat alles wat ik deze tijd zeg decadent is. Ik heb het al vaker gezegd. Ik weet ook wel dat ik nergens echt cynisch over mag zijn, als je het op de keper beschouwd, terwijl ik mijn mand vol kan laden met Italiaanse koekjes, tijdschriften met roddels en wat ik allemaal nog meer kan kopen en pizza’s waar eend op zit. Eend, for crying out loud. Terwijl ik me thuis met een kater op de bank vol kan vreten met Engelse drop en chips met zout en peper.
Ik weet dat wel.
Maar ineens ben ik zo blij dat ik er uitzie als Marla Singer. Dat ik mijn pony (haar! haar! niet het kleine paardje) met speldjes omhoog heb gestoken vanochtend, dat ik mijn trainingsbroek in mijn laarzen het gestoken, een ouwe jurk erover heen heb gegooid en dat ik godverdomme niet zo knap ben als dat gemene meisje.

Thuis bakt d’n D. een pizza en typ ik dit stukje terwijl ik Italiaanse koekjes eet en thee drink.
Ooit kom ik er achter: hoe het precies zit met consumeren en arrogantie en decadentie en mijn hypocrisie.
Maar vandaag nog niet.
Vandaag is het bank, pizza, Louie en d’n D.
Het is een goeie dag.

Want de Nijmeegse kroegen houden ook van de zondaars…

Tijdens de Boekenweek presenteerde de Nijmeegse stadsdichter Dennis Gaens een gedicht over Arnhem. Zijn poging tot verzoening met de stad lokte veel reacties uit, zowel uit Arnhem als uit Nijmegen. Om kort te gaan: de verzoeningspoging mislukte. En als we dan vijanden moeten zijn, dan maar goed ook: vanavond kruisen Nijmeegse en Arnhemse schrijvers de degens in een literaire battle die zijn weerga niet kent. Teamcaptains zijn Dennis Gaens en Martijn Brugman.


Dat was dus gisteravond. Ik zat in het Nijmegenteam (ufcurs) en van die van Gaens had ik de categorie Kroeg gekregen. Mijn lievelings!
Bij deze de tekst die ik voordroeg.

O, en ik heb van twee liedjes een aantal zinnen geleend.
Ik stal de openingszin van het geniale Mestreech van Neet oet Lottum en natuurlijk moest ik ook van Frank Boeijen stelen, maar dat moge logisch zijn. Klik door op de vetgedrukte woorden om te luisteren.


white-square.jpg

***

Ik ben vreemdgegaan, vreemdgegaan met een andere stad.
Ik ben in een trein gaan zitten, ik ben de brug over gereden en in Arnhem ben ik uitgestapt. En ik ben gaan drinken.
Eerst stond ik op de Korenmarkt, daarna zat ik naast twee psychiatrische patiënten aan het barretje van Het Oranje Koffiehuis, dronk ik wijn in Babo en keek ik naar de mannen die tegen de bar aanpisten bij de Stage… Of was het de Move?
Ik weet het niet meer.
Ik doorkruiste net zo lang de stad tot ik uiteindelijk nog net niet verdronken aanspoelde, als een Robinson Crusoë, in Café Vrijdag.
En daar was het stil. Iedereen sprak zacht. Aan de bar hield ik me overeind.
Tot ik ineens een stem achter me hoorde.
“Wat doe jij hier?” zei die stem. Het was iemand uit Nijmegen.
“Ik ben vreemd aan het gaan,” zei ik. “En jij?”
Hij zei: “Ik woon hier sinds kort.”
Je moet nooit met je minnares trouwen.
“Leuk,” zei ik.
“Mwah,” zei hij.
We keken rond en we dronken. Om ons heen geroezemoes.
En ineens dacht ik aan mijn stamkroeg, ik dacht aan de lach van hardlachende Maus die je ’s winters al kunt horen als je alleen al aan komt fietsen, ik dacht aan Café Jos, aan de beste ober van Café Jos die nu dood is en aan Joris die altijd weet hoe je heet, ik dacht aan Doornroosje, aan Merleyn, aan hoe de Lux ruikt als je er voorbij fietst, aan de Deut, de Plak, aan Samson en aan het Bascafé for crying out loud.
Ik keek Café Vrijdag rond. En ik dacht aan de Blauwe Hand.
Aan alle gezichten van alle mensen die daar al die eeuwen, al die tijd, al sinds 1542 hebben gestaan. Ik dacht aan hoeveel het bier, hoeveel de jenever en hoeveel tranen er zijn gemorst. Aan hoe men er al die eeuwen op schouders, konten en de toog heeft geslagen.
Ik dacht aan hoe het geluid ’s nachts door de openstaande deuren over de Nijmeegse straten echoot, zich verzamelt op het plein en dan om de torenspits van de St. Stevens heen cirkelt en verdwijnt.
Ik dacht aan Nijmegen.
En ineens hoorde ik een stem.
Ga die wereld uit, Hanneke, ga die wereld uit.
Ik nam één seconde
en ik ben gaan rennen, de nacht in, de stad door, zo hard ik kon, op mijn hakkenschoenen naar station.
De hele rit had ik nodig om op adem te komen, tot die trein de brug over reed en ik de St. Stevens zag staan.
Kom maar hier.
Hier is het goed.
De Arnhemmers kunnen het dan wel ontkennen, maar diep in hun hart weten zij ook wel dat iedereen hier thuis hoort.
Want de Nijmeegse kroegen houden ook van de zondaars.
En zelfs van mensen uit Arnhem.

Tranen van g’luk

Ik word wakker van het geluid van een inkomende sms. Ik wil me omdraaien, maar de nieuwsgierigheid wint het. Op de wekkerradio zie ik dat het half vijf in de nacht is.
Er is vast weer iemand dronken, denk ik. Ik heb namelijk een paar vrienden die me steevast ’s nachts vragen waar ik blijf. Ik knijp mijn ogen dicht tegen het licht van de mobiele telefoon en ik zie dat het Henry is.
Er staat:
Godnondejuu, ik lig al een half uur te huilen in bed, nadat ik dat boek van jou uit heb.
Ik sms terug:
Henry, ga slapen, je bent dronken.
Meteen krijg ik een berichtje terug:
Ik ben helemaal niet dronken! Ik heb de hele nacht dat boek van jou gelezen.
Ik zet het geluid uit, draai me om en val weer in slaap.
De volgende ochtend heb ik nog één sms van Henry. Maar hoe moet dat nu met Jonas? staat er.
Ik weet het ook niet. Hoe dat met Jonas moet.
Het is niet mijn schuld dat de wereld klote in elkaar steekt, sms ik hem terug.

Maar gaandeweg de maand krijg ik vaker berichtjes van mensen die de hele nacht hebben doorgelezen en nu in bed liggen te huilen. Of van iemand die op zijn fiets is gesprongen en maar gewoon uren is gaan fietsen. Van iemand die in de trein op het balkon moest gaan zitten omdat hij even geen mensen wilde zien.
L1’s Tom Doesborg vroeg er eerder ook al naar, toen ik in een radio-uitzending van Cultuurcafé zat. Hoe kwam het toch dat ik het leven zo somber inzag? En vooral: Hoe moest het nou met Jonas?

Ja, hoe kwam dat allemaal toch? Ik ben eigenlijk best een gelukkig mens. Maar een beetje hoop in deez’ donkere dagen zou natuurlijk ook wel fijn zijn.
Ik moest denken aan Dave Eggers die in het begin van Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit het erover heeft dat hij erkent dat hij een autobiografisch boek heeft geschreven, dat terwijl er “…in het huidige tijdsgewricht wellicht teveel autobiografische boeken worden geschreven…”. Vervolgens biedt hij de lezer het volgende aan:
“Als u een exemplaar van uw boek opstuurt, zal hij u in ruil daarvoor een 3,5 inch floppy disk sturen met een compleet digitaal opgeslagen manuscript van dit werk, waarin echter alle namen en plaatsen veranderd zijn, en wel zodanig dat de enigen die dan nog weten wie wie is, degenen zijn die zelf een rol in het verhaal spelen, maar daarin enigszins verhuld beschreven staan. Voilà! Fictie!”
Waarna vervolgens het adres van de uitgeverij volgt.

En ineens had ik het idee.
Ik dacht: als ze het willen, kunnen ze het krijgen ook. Maar niet voor niks.
Want begrijp me goed, ik heb het einde van het boek zorgvuldig gekozen, en het draagt uit hoe ik vind dat het leven in elkaar steekt. Ik vind dat ook echt: dat het leven één tranendal is. Natuurlijk!
Maar aan de andere kant ben ik een sucker voor zoetsappige klote-eindes. Waar de held door een mensenmassa op zijn geliefde die op het podium staat af komt rennen, waar het vliegtuig gestopt wordt, de auto gekeerd en waar er “nee!” wordt geroepen tegen die andere vrouw aan het altaar.
Ik ben de kwaadste niet.
Ik bedoel: ik begin al huilen bij de openingstune van Extreme Home Makeover.
Dus voor iedereen die graag nog even niet aan het idee wil dat het leven geen nut heeft, alsmede een takkedroefenis is: schrijf me.
Schrijf me waarom het leven wél zin heeft. Waarom er wél hoop is in het leven. Of schrijf me een grap die vertelt hoe het leven in elkaar steekt. Dat mag natuurlijk ook.
Schrijf me een kaartje, en vermeld ook je naam en adres en ik stuur je per post het extra laatste hoofdstuk toe.

Kaartjes mogen naar:
Hanneke Hendrix
Postbus 1009
6501 BA Nijmegen

Degene met het mooiste kaartje krijgt van Uitgeverij De Geus alvast de belofte op mijn tweede boek.
En natuurlijk mijn eeuwige dank.
Ik hoop jullie in de brievenbus te vinden.

verjaardag-en-de-achterdeur.JPG

(Met dank aan de Wintertuin! Voor het feit dat ik gebruik mag maken van hun postbus.)

Een treinreis met buikgriep

1.
Op het station zie ik een meisje dat een hoofddoek en zwart gewaad draagt, tussen haar hoofddoek en haar wang heeft ze een opengeklapt mobieltje geklemd. Als ik doorloop zie ik een jongen met een stuk of drie dreadlocks in een kapotte spijkerbroek en een jasje met een anarchistenteken op de rug uit een zak van de Burger King frieten eten. Verder lijken er op het perron alleen maar meisjes te staan die er hetzelfde uitzien, met uitzondering van de man die ik volgens mij wel eens de kroeg heb uitgegooid. Hij lijkt me niet te herkennen. Normaal zie je ze schrikken. Ik doe altijd alsof ik ze niet herinner. Je weet immers maar nooit of ze je willen gaan slaan.

2.
Ik heb al twee dagen Alone van Heart in mijn hoofd. Ik weet niet of dat komt door de buikgriep die ik heb, dat kan, want ik heb dan altijd koortsliedjes. Ooit heb ik twee dagen Everything is alright in mijn hoofd gehad.

3.
Toen de trein langs Geffen reed zag ik een veld met galopperende shetlandpony’s.

4.
Wat een held is die Judas toch, in Jesus Christ Superstar.
Ineens zin in Pasen.
Zullen we dan een grote Jesus Christ Superstar-meezing-avond organiseren?

5.
Ik had geen halve liter koffie moeten drinken met buikgriep. Dat was een vlaag van verstandsverbijstering. Nog twintig minuten en dan ben ik in Breda. Ondertussen is er een jongen ingestapt die naar musk en sigaretten ruikt. Het ruikt naar de jongens van de middelbare school.

6.
Het is overigens een fantastische videoclip. Echt. Met al dat haar, en dat publiek dat opspringt.

Potverdomme. Was ik maar muzikant geworden.

Kunstgras

Eerder verschenen op hard//hoofd, behorende bij het foto-tweeluik.

1.

Alles ging heel erg goed met Henk, vertelde zijn moeder bij de bakker in het centrum. Het meisje achter de balie had geknikt. Henk was druk. Hij was nu een succesvol muzikant. Schlagermuzikant.
“Wie had dat ooit gedacht?” zei de moeder van Henk.
Het meisje haalde haar schouders op.
“Nou ja, ik niet,” zei de moeder van Henk. “Ik in ieder geval niet.”
Het meisje vroeg niet naar haar faillissement. Ze huiverde toen de deur van de winkel achter de moeder van Henk dichtviel. De moeder van Henk was een vreselijk mens. Ze had vroeger bij Henk in de klas gezeten en de herinneringen van die arme jongen die door zijn moeder in matrozenpakjes werd gestoken, dat terwijl het toch echt geen carnaval was, sprongen altijd in haar hoofd als Henks moeder in de winkel was, met haar magere kop en haar opgeföhnde haar.
Henk. Het huilende te dikke jongetje in een te krap zelfgemaakt pakje. Henk werd vroeger iedere dag wel in een vuilnisbak gepropt, dan stond de hele school er omheen te lachen. Zijn moeder had hem er wel eens uitgeplukt en hem kwaad aan de hand het schoolplein afgesleept. Iedereen had ze nagewezen. Iedereen. Henks vader had een winkel in kunstgras en Henk had een paar jaar geleden het bedrijf overgenomen, maar was er na twee jaar weer uitgestapt. Want Henk hield niet van de kunstgrasbusiness. Henk zat in een Schlagercoverband. Daar hield hij het meeste van. Van schlagers zingen.
Ze had hem al lang niet meer gezien. Het speet haar ineens heel erg dat ze vroeger nooit iets tegen hem had gezegd. Hij was niet eens een lelijke jongen, heus niet, maar het zat hem gewoon niet mee. Niks had hem meegezeten. Misschien moest ze hem eens opzoeken. Misschien moest ze eens sorry zeggen. Misschien hielp dat.

2.
De dag dat Henk besloot om zijn moeder de waarheid te vertellen, was de beste dag uit Henks leven. Het leven leek veel lichter daarna.
Hij zat op zijn terrasje achter zijn huis, binnen scharrelde zijn vriend door de woonkamer. Buiten waaide een briesje. De zon scheen. Henk neuriede een liedje.
“Die Hölle morgen früh ist mir egal.
Egal wie oft ich noch zu Boden knall’.
Für eine Nacht mit dir im Himmel,
mit dir allein im Himmel
sterb’ ich noch tausend Mal.”

Hij was voor haar gaan staan en hij had haar een douw gegeven. Nog nooit had hij zijn moeder tegenspraak geboden. Ze schrok. Hij gaf haar nog een douw. Ze viel, op een grote stapel grasmatten. Ze had grote ogen, haar mond was open gevallen.
“Als je vader dit zou zien,” zei ze.
Henk greep haar bij haar kraag. Hij vertelde het haar. Over het pesten, over hoe hij haar haatte, over hoe hij de zaak haatte, over hoe het hem niks zou kunnen schelen als ze zou sterven, dat hij meer hield van zijn auto dan van haar, dat ze hem als een pop had gebruikt en dat als ze hem nog ooit één keer zou bellen hij de zaak in de fik zou steken. Het kon hem niet schelen dat hij dan de bak in zou draaien. Dan was hij tenminste van haar af. Zijn moeder was beginnen te huilen. Henk had haar los gelaten, haar terug op de grasmatten gegooid en zijn handen aan zijn broek afgeveegd.
Daarna had hij haar nooit meer gezien. Hij was gaan toeren met zijn band. Nu echt. Niks meer voor de hobby: alle schuren in het land af, alle zalen in Nordrhein Westfalen. Zijn Badelederhosen aan, hoedje op, en achter het keyboard en zingen.
Ze hadden het nakijken, die klotelui in het dorp. Dat wist hij zeker.
Hij liep naar binnen en zette koffie. En het was een prachtige dag.

Ik heb gewoon zwaar schors, oké?

~een sms-gesprek met een niet nader te identificeren persoon~

- Jij had toch een Marlies Dekkers-bh vroeger? Of ben ik nou gek?
-…
- Soms verzin ik volgens mij dingen. Sorry!
- Nee. Oké. Ik had er echt één. Uitverkoop. Een rooie.
- Hahahaha!
- Schaamrood.
- Ik lach hardop! Het galmt door de lege kamer!
- Nooooo.
- Ach lieverd, ik liep vroeger alleen maar op Uggs. (Weet je dat nog?)
- Dat weet ik maar al te goed, Uggs aan en pumps in de tas.
- Och ja… Dat was ik alweer vergeten.
- Voor je weet maar nooit.
- Mooi was die tijd.
- Ja.
- Toen woog ik nog iets van 57 kilo.
- Mooi was die tijd.
- Ja.
- Ja.
- Ik heb er ondertussen een half mens bij laten groeien.
- Jaarkinnen! Die heb ik.
- We zijn de bómen onder de mensen.
- Ik heb gewoon zwaar schors! Oké!?
- We hadden het goed toen…
- Ja…
- Ja…
- Trouwens…
- WE HADDEN HET HELEMAAL NIET GOED TOEN!
- Nee!
- Helemaal niet!
- Nooit geld!
- Altijd zat!
- Altijd maagpijn!
- Altijd rochel en piep!
- Altijd moe!
- Ja!
- Schijtliefde!
- Ja!
- We hebben het maar goed.
- Ja.
- Trusten schat.
- Trusten lieverd.

Sjang

Eerder verschenen op hard//hoofd, behorende bij het foto-tweeluik.

Euver honderd jaor, det is iërlik waor, zien weej allemaol kassee.

1.
In het Chinese restaurant waarnaast ik opgroeide rook het altijd hetzelfde. Het restaurant had geen tuin, dus in de zomervakantie zat Sjang, het zoontje van de uitbaters van het Chinese restaurant altijd bij ons in de tuin. We waren even oud, maar we zaten niet bij elkaar op school. In de zomer was Sjang mijn beste vriend. Het was het allerschattigst: een blond bleek meisje met een donker zwart harig jongetje in de kruiwagen. De tuin in bloei, de zon die scheen. Ik kan me nog herinneren dat die foto gemaakt werd. Ik kan me alles nog herinneren. Hoe zijn stem klonk, hoe zijn haar rook, hoe zijn haar voelde, het spuug dat hij altijd in zijn mondhoeken had. Zijn geur ruik ik af en toe nog wel eens. De geur van geschroeid vlees, van prei, van vet, van olie, van mens. Soms stonden we in de deuropening, in onze korte broeken, t-shirtjes en sandalen, en dan keken we naar het flamberen. Naar de koks die naar elkaar riepen. Hij vertelde me een keer dat ze geen brood aten, toen ik hem tussen de middag soep met stokjes had zien eten. Ik weet nog dat ik daar helemaal niets van begreep. Soep met stokjes, heel d’n dag. Voor een bakkersdochter is dat onbegrijpelijk. Vooral een bakkersdochter van bekant vijf jaar oud.
Soms dan lig ik ’s nachts in bed en dan denk ik aan Sjang. Ik google hem wel eens, maar ik heb het vermoeden dat hij helemaal geen Sjang heette. Zijn pasgeboren broertje noemden we ook anders dan dat hij heette. Die noemden we Lei. Mijn vader heet ook Lei. Ik vond dat leuk. Brood, tofu, soep, koks, de bakker, de Chinees, mijn vader en zijn broertje met dezelfde naam, de kruiwagen, het gras, de tent in de achtertuin, de laad- en losplaats waar we voetbalden, de regen. Ik, Sjang. De zomer.
Op een dag waren ze verhuisd.
Ik weet niet waar ze heen zijn gegaan.
Er kwamen nieuwe kinderen in het Chinese restaurant.

2.
Mijn ouders gaan het ouderlijk huis verkopen. Ik snap dat wel. Ze zijn al in de zeventig en het huis is een huis voor vijf man. De tuin is groot en heeft een moestuin en kippen. Mijn vader kan de tuin niet meer doen. Mijn ouders worden oud. Ook al zie ik nog steeds dezelfde ouders.
Mijn moeder belde me op.
“Han, we gaan het huis verkopen.”
“Is goed,” zei ik.
Want alles wordt anders, dat gaat gewoon zo. Het Chinese restaurant naast mijn ouderlijk huis was al jaren terug platgegooid. Maar sinds de projectontwikkelaar wegens bouwfraude de bak in moest, ligt de bouw van wat er ook komen zou stil. Op het veldje beginnen wat boompjes te groeien. Toch laat niemand er zijn hond uit. Alsof het huis er nog staat.
“Vind je het niet erg?”
“Ik had het wel al een beetje zien aankomen,” zeg ik.
Het is ook niks, twee van die ouwe mensjes in dat grote huis.
“Prima,” zeg ik ’s avonds tegen mijn vriend.
Maar ’s nachts moet ik soms huilen, als denk ik aan hoe ik de buitenmuur naast de achterdeur moet knuffelen zodra ik weer bij mijn ouders ben.
Ik weet wel dat dat huis al lang mijn huis niet meer is. Dat herinneringen toch wel herinneringen zijn, of dat huis er nu staat of niet. Net zoals ik dat Chinese restaurant nog voor me zie. De letters op de muur, de bamboe jaarkalenders en de lampionnen, de vrachtwagens op de laad- en losplaats.
Op een dag zitten we allemaal in een potje.
Of, om met een Venloose wijsheid te spreken: over honderd jaar zijn we allemaal kassee.
Het huis, de mensen die je kende, dan vervliegt met alles wat sterft de herinnering aan hoe het rook in de keuken van het Chinese restaurant, vervliegt de herinnering aan de geur van het haar van Sjang.

Frenkie

Eerder verschenen op hard//hoofd, behorende bij het foto-tweeluik. Frenkie komt uit het dorp van Het Oude Zwart, kom luisteren op het Wintertuinfestival zaterdag 24 november!

1.
De dag dat Frenkie werd geboren regende het pijpenstelen. Zo erg dat de ruitenwissers van zijn vader het begaven, toen zo over de modderige landwegen naar het zieknhuis ploegden in de ouwe seat die naar zware shag rook. Die dag had Frenkies moeder met een rode kop op de bank gelegen en de kiezen op elkaar “godverdomme” gekreund toen Harry had gevraagd of ze gaan moesten. Frenkies moeder had er al weken geen zin meer in. Het was een stikhete zomer en ze had er überhaupt geen zin meer in.
“Allemaol dien schuld,” zei ze regelmatig tegen haar man. Vandaag was het beter. Het was heerlijk geweest om eens met die dikke buik een dagje op de bank te liggen, met een koele bries uit de ramen, zonder dat haar benen, borsten, armen, alles aan elkaar vastplakten.
“Bij twijfel heb je geen wee,” had de verloskundige eerder die maand gezegd. De moeder van Frenkie had al een paar keer steken gehad, maar ze had getwijfeld. Maar toen ze zojuist voorover had gebogen om een gevallen cashewnoot op te rapen was er een bliksemschicht door haar heen getrokken. Ze gilde. Er werd geklopt.
“Tied um te gaon?” had Harry gevraagd.
Buiten sloeg ergens de bliksem in een schuur. Zo ging dat.
De moeder van Frenkie vloekte.
Het was zover.

2.
Op vakantie had Frenkie besloten het zich er nog maar eens van te nemen. Aan het zwembad lag hij in de schaduw van de parasol op een stretcher. Hij las een blaadje van zijn vrouw. Zijn vrouw plonsde steeds opnieuw in het water. Dan zwom ze een rondje, klom ze met de waterverplaatsing van een waterval het trapje op en dribbelde ze met petsende voetjes weer naar de duikplank. Zijn vrouw maakte bommetjes. Verder was er niemand in het Egyptische resort. Die ochtend was iedereen in een touringcar gestapt naar een naburig dorpje vertrokken. Alle Hollanders en Duitsers die in het all-inclusive resort probeerden de prijs van de vakantie eruit te eten en te drinken.
“Wellness,” had zijn vrouw gezegd, een paar maanden terug bij het eten.
“Wellness,” had Frenkie herhaald.
“Ik heb geen zin meer,” zei Frenkies vrouw ’s avonds bij het eten. Er liepen obers rond met karretjes waarop dampende bergen vlees in au bain-marie-bakken werden rondgereden.
“Ik wil naar huis,” zei ze. Ze gooide haar bestek op het bord. Niemand keek op. Verderop stond op het podium een jongen op een trompetje te blazen, mensen klapten mee op de melodie.
“Hoezo wil jij nou weer gaan?”
“Ik vind er niks aan.”
“En de wellness dan?”
“Ik vind er niks aan.”
Frenkies vrouw keek naar het trompetterende jongetje. Ze had haar armen voor haar boezem gevouwen.
“En ik vind het eten ook niet lekker.”
Frenkie keek naar de zigeuner schnitzel op zijn bord.
“Oké,” zei Frenkie. “Oké.”
Zijn vrouw zette haar bril recht.
“Ik ga het wel even bespreken aan de balie.”
Zijn vrouw knikte. In de zaal werd geklapt. Frenkie stond op.

Op hun kamer pakte Frenkie niet de boekingspapieren die waarschijnlijk nodig waren voor het vervroegen van hun vlucht terug. Frenkie trok zijn nette broek uit en verwisselde die voor zijn joggingbroek. Op de rand van het bed keek hij naar de witte muur met de immense platte televisie eraan vast.
“Het lijkt wel de deur naar de kelder,” had zijn vrouw gezegd.
Het was begonnen en eigenlijk was het ook weer zo voorbij.
Frenkie stond op. Bij de receptie liep hij de meneer en de mevrouw aan de balie voorbij. Hij zwaaide. De meneer en de mevrouw zwaaiden terug. Buiten was niks. Dat was hem wel verteld, maar hij had zich er niks bij voor kunnen stellen. Het was koud. De hemel was een cliché van een sterrenhemel. Het was de mooiste sterrenhemel die hij ooit had gezien. Terwijl hij naar de lichtjes in de hemel keek liep Frenkie door. Net zo lang tot hij niet meer kon.
In het resort was ondertussen een jeep vertrokken om Frenkie te zoeken. Op het bed huilde zijn vrouw. Maar het mocht niet baten. Het was voorbij gegaan. Alsof het allemaal niks had gekost.

Mijn leven in een notedop

1.
Achter het fornuis in de kroeg.
“Dus ik moet om negen uur weg. Als het niet te druk is.”
“Waar moet je heen dan?”
“Naar de presentatie van De Kutgitaar in De Onderbroek.
“Watte?”
“Naar de presentatie van een tijdschrift. Ergens.”
“O.”
“Ja.”

2.
Aan de bar bij het weggaan na 5 uur te hebben gekookt voor de mensen. Met haast.
(snuift) “Zeg, moet jij nog ergens heen?”
“Euh ja. Hoezo?”
(trekt vies gezicht) “Ik zou maar eerst even een ander shirtje gaan aandoen.”
“Pardon?”
“Je ruikt echt helemaal naar friet.”
“Naar friet?”
“Naar frituurvet.”
“O.”
“Ja.”
“Ik wilde eigenlijk meteen door. Ik ben al te laat. Een uur.”
“Ik zou even een ander shirt aandoen. Echt.” (bemoedigende kneep in arm.)

3.
Thuis. Frietvet afwassen, kleren in de was, frisse kleer aan, ook meteen maar lenzen in, lipstick op, eau de klonje op, haarspul, crème, the whole shebang, wilde frisheid slaat ervan af, citroentjesfris wat ik u brom.

4.
Zaal staat vol rook door een in de fik gevlogen pan popcorn bij Protuberansen. En er wordt gepaft. Een dikke walm slaat van een pan. Mensen kuchen, wuiven. Het ruikt naar keuken tot de macht acht.
Het brandalarm gaat af.
HMDODHBS struikelt binnen.