Die arme kind’ren

1.
Voor de snackbar bij mij in de straat zit een kleine hele dikke jongen te roken. Hij heeft een bleke huid, rossige stekeltjes en kan niet ouder dan een jaar of twaalf zijn. Heel geagiteerd ademt hij z’n sigaret naar binnen. Als een volwassene.

2.
Ik sluit net aan in de rij van een kassa bij de HEMA, als een mevrouw tussen de persoon voor me en mij inschuift.
“Pardon?” zeg ik.
“Ja, nee,” zegt de mevrouw. “Ik keek even bij het snoep.”
We schuifelen wat naar voren.
Ze wijst naar een rekje met snoep naast de kassa dat inderdaad door een pilaar voor mij niet te zien was.
“O, oké,” zeg ik. “Prima hoor.”
We schuifelen door. De mevrouw is bijna aan de beurt.
“Ik wilde namelijk wat kopen voor mijn kleinkinderen,” zegt ze. “Maar ze lussen dat allemaal niet.”
“Watte?” zeg ik.
“Ze lussen dat wat daar hangt allemaal niet.”
De mevrouw rekent af en loopt weg.
“Die kleinkinderen van haar lusten dat allemaal niet,” zeg ik tegen de caissière en wijs naar de marsen, de zakjes drop en de lollies.
De caissière haalt haar schouders op en scant mijn boodschappen.
“Maar dat is snoep! Je kunt toch niet geen snoep lusten?”
Ik krijg een bon in mijn hand gedrukt.
“Hoe kan iemand nou geen snoep lusten?! Snoep is toch snoep?”
De caissière schuift mijn tasje opzij en begint de volgende klant te helpen.
Ik loop de zaak uit.
Kinderen die geen snoep lusten.
Ik schud mijn hoofd.

3.
De bus zit en staat helemaal volgepakt, maar als ik binnenkom zie ik toch nog een plek vrij. Naast een donker jongetje met een grote koptelefoon. Niemand lijkt naast hem te willen zitten, want om hem heen hangen mensen aan de metalen buizen om niet om te vallen in de bochten. Uit zijn koptelefoon klinkt snoeiharde gangstarap. Hij staart uit het raam.
Ineens heb ik de vreselijke drang om mijn hand op zijn schouder te leggen en hem te vertellen dat het allemaal wel goed komt. Dat alles goed komt. Dat hij op een dag een brede blakende meneer zal zijn die midden in het leven staat.
Het enige wat me weerhield om dit echt te doen, was het besef dat ik dan ineens een gek zou zijn. Dat was de enige reden. En die had bijna geen stand gehouden.
Op het station stapte hij uit.
Achter me kwam een naar zweet ruikende bouwvakker zitten die meteen tegen de man naast hem begon te praten over het weer.
Misschien komt het niet allemaal wel goed.
Het is goed dat ik het niet gedaan heb.

Hush hush, eye to eye

Tijdens het typen (dat ontaarde in typontwijkend gedrag, maar goed, dat geheel terzijde) vroeg ik me ineens af: “Hoe zou het nu eigenlijk zijn met Limahl?”

Vervolgens struikelde ik over dit clipje.
En het is er de zondag niet voor om het jullie te onthouden.


Let vooral de turn-around-en-spiegel-combi op 00:25. Hoezee!