Verbeten mensen

1.
“Sommige mensen groeten heel verbeten op straat. Die zeggen dan eigenlijk geen ‘hallo’, maar die zeggen: ‘vroeger was alles beter in dat schijtdorp waar ik vandaan kom en ik zal zorgen dat iedereen dat voelt, dat de mensen tegenwoordig het fatsoen niet meer hebben om “hallo” tegen mij te zeggen.’”
(stilte)
“Was je lopend naar het station?”

2.
“Ik heb een theorie over de stiltecoupé. Het is namelijk zo dat de stiltecoupé juist voor ergernis zorgt. Als je een mevrouw die bits komt vragen of je je mond houdt, met haar sudoku in de gewone coupé had gezet, dan had ze zich helemaal niet geërgerd. Ik zou zelfs durven beweren dat dit soort mensen júíst in de stiltecoupé gaat zitten omdat ze de wereld haten en daar gerechtvaardigd andere mensen terecht mogen wijzen.”
(stilte)
“Heb je weer zitten bellen in de trein?”

3.
“Ik fietste vandaag naar de Albert Heijn en toen ik bij de ingang óver de stoep…” (kijkt veelbetekenend)
“Over de stoep?”
“…óver de stoep naar het fietsenrek fietste, riep een meneer ‘Dat is een stoep!’ naar me. Een stoep. ‘Ja, dat weet ik!’ riep ik terug. En toen kwam hij briesend op me af, terwijl ik mijn fiets op slot zette.”
“Echt?”
“Echt. Dat ik niet over de stoep mocht fietsen. ‘U bent helemaal niet kwaad op mij,’ heb ik toen gezegd. ‘U bent op allerlei dingen kwaad, de hele dag, elke dag. Ik ben daar slechts een onderdeel van. U maakt zich in wezen helemaal niet boos om dat ik op de stoep fiets. Die stoep kan u gestolen worden. U richt gewoon de woede die u in zich heeft, altijd, iedere dag, op mij. Maar u zou ook boos op iemand anders kunnen worden. Ik besta eigenlijk niet echt. Ik ben nu toevallig onderdeel van de leegte die u in u ervaart. Elke dag.’”
(stilte)
“Heb je dat echt gezegd?”
“Nee. Helaas.” (zucht)

Nieuws uut Ernhem

De bij de Blokker ontslagen meneer schreef het volgende:
“vooral me teamleider wat een gore achter de ellebogen nijmegseple nep wout je ken aan die kkstreken van hem wel merken dat hij uit nijmegen ko en wout uis geweest de hoerestumperd ooit komt mijn dag en geloof me dan st ze te janken kkhomo,s”
Alvorens ontslag, welteverstaan.
Natuurlijk.
Nieuws!
Gna.

Francien

De telefoon ging, zoals wel vaker in huize Beurskens. Francien mocht dan wel niet naar buiten gaan, bellen kon ze als de beste. Vriendinnen om mee te bellen had ze niet, die was ze in de loop er jaren allemaal verloren sinds ze besloten had binnen te blijven.
Nu worden alle werelden van alle vrouwen die net een kind hebben ineens klein, maar de wereld van Francien was er niet alleen een van koken en poetsen, zoals de meeste vrouwen in het dorp, eentje van ramen, deuren en de bijbehorende sloten controleren. Langzaamaan verdwenen de vrouwen naar het park, naar het schoolplein, naar de barbecue in de achtertuin van de familie Kusters. En Francien bleef thuis. Francien liet de achtertuin met beton volstorten. Francien was een expert in hang- en sluitwerk. Ze had er zo een bedrijfje in kunnen starten, een bedrijfje gespecialiseerd in flatgebouwen of andersoortige woningen die je niet vanaf de buitenkant gemakkelijk kunt bereiken.
“Als ik op jou moet wachten,” zei ze altijd tegen haar man, waarna ze datzelfde uur nog een extra inbraakveilig kozijntje in het ronde raampje op de vliering aanbracht. Francien zat soms een hele nacht naast het raam, met een vinger voorzichtig het gordijn open hakend, naar de auto die aan de andere kant van de straat stond te brommen te kijken. En toen de vriendinnenbron was opgedroogd en de bakelieten telefoon die al sinds haar kind zijn in het stukje hal tussen de woonkamer en keuken had gehangen niet meer ging, begon Francien te bellen met instanties, organisaties en winkels. De meeste mannen van de ijzerwarenwinkel in het dorp verderop gooiden meteen de hoorn erop als ze erachter kwamen dat ze Francien aan de lijn hadden en Francien was daardoor erg goed geworden in het nadoen van ouwe dametjes, degelijke kakmeneren en de huis-tuin-en-keuken bouwvakker. Allemaal oud of met een handicap, natuurlijk, want er moest bezorgd worden. De meeste mannen van de ijzerwarenzaak werden achterdochtig zodra de bestelling boevenklauwen, hangsloten of gewapend beton betrof, en dan nog meestal in die combinatie. Gelukkig voor Francien moest meestal “die nieuwe” de hele dag de telefoon opnemen, dus kwam het nog al eens voor dat een monteur vloekte als bleek dat het volgende adres het huis naast de bakkerij op de hoofdstraat in het dorp verderop was. Het moest dan maar. Zuchtend legde hij dan het pakje voor de deur, wetende dat er toch niet open gedaan zou worden, wachtte een minuut of vijf, waarna er vervolgens plots een envelopje met geld uit de brievenbus vloog. Francien was ook een pinautomaat avant la lettre. Haar man raapte later het pakketje van de mat bij de voordeur, want van zijn langzalzeleven zou Francien de voordeur niet opendoen. De achterdeur was tot daaraan toe, zolang ze er maar niet over de drempel stapte.
Verder belde ze graag met de belastingen, het ECI-abonnement, de klantenservice van de Libelle, de gemeente, het rioolkantoor, de lagere school, de dokter, de tandarts en natuurlijk de SRV-man en de melkboer.
“Maar Francien,” klonk dan de stem van de homoseksuele melkboer die nog stevig in de kast zat, “je had ook gewoon even kunnen roepen, dan had ik meteen even de vanillevla met de yoghurt omgewisseld. Nu moet ik weer extra op en neer.”
“Wat zijn die afstanden nou in zo’n klein dorp?” riep Francien dan terug.
Sommige gevechten kun je niet winnen. De vanillevlafles in het mandje voor de voordeur er die ochtend door zoonlief voor het naar schoolgaan ingelegd werd altijd netjes die ochtend nog omgewisseld. Maar de echte vrees was Francien voor elke telefoonenquêteur die door de hoorn bij hen het halletje in kwam rollen. Ze kon ze uren aan de lijn houden en de uitkomst van de gesprekken lag altijd ergens tussen een hoorn die kwaad op de haak werd gesmeten en iemand aan de andere kant van de lijn die in huilen uitbarstte na het vertellen van zijn levensverhaal. Haar man zuchtte dan achter zijn krant, ongeacht de uitkomst van het gesprek met de enquêteur.
“Wat?” zei Francien dan na het ophangen.
“Niets,” zei haar man dan altijd, om vervolgens weer te zuchten achter zijn krant.
Praat maar. Alsjeblieft, praat maar, dacht hij dan. Ze leek altijd opgelucht na zo’n lang gesprek. Alsof de kosmos had gezorgd dat de boze of verdrietige enquêteur nu net aan hun nederige bakelieten telefoontje moest aanbellen.
“Wie goed doet, goed ontmoet,” zei Francien dan.
Haar man zei dan niets. Ook geen zucht. Niets.