Big Man

But you came in the middle and you fell in my hands
Oh a, wonderful woman and an average man.
See that makes me the lucky man
I won’t be deserving, but I won’t be denied
See, I fell in this position, I will still teach my kids pride
Because failure’s a part of it all
And if failure don’t hurt then failure don’t work at all

But somebody told me that your nephew was born
Oh, a beautiful baby, so smart and so sure of his little self
And in a wonderful way he was making me feel so small
Was making me feel so small, was making me feel so small.
And I don’t think I’ve felt this before.

Week 6 in Berlijn

In een mailwisseling over Waai komen die van Gaens, Vincent en ik erachter we alle drie in Berlijn zijn in week 6, en als Waai ergens komt, dan maakt Waai ook een zine.
Zo ook nu.
We spreken af dat we elkaar niet zullen ontmoeten. Die van Gaens en ik schrijven elkaar een brief over onze week en Vincent maakt foto’s.
Die moeten dan samen in een zine komen.
En dat zine zal er komen.
Hieronder mijn brief en de brief van die van Gaens staat hier.

zx.jpg

Gaens, vriend,

Op moment van schrijven zit ik in een koffiehuis en eet ik taart. Naast me zitten twee dames en de ene dame vertelt een verhaal en de andere lacht steeds heel hard met Wim-Kanpubliekachtige uithalen. De vertellende vrouw die het dichtst bij zit ruikt naar een lang niet verschoond bed en naar haarroos.
Ik heb al een week bijna niet gepraat. Alleen een koffie bestellen en een stuk taart en gisteren heb ik met mijn klompenduits een tijdje met de buitensportwinkelmevrouw staan praten voordat ik een paar veel te dure Meindls aanschafte. Ik kon iedere ochtend het eerste half uur niet op mijn linkervoet staan, waarna ik bedacht dat het misschien niet heel goed is voor je voeten om iedere dag twee uur op je hakken te lopen.
“Heb je geen platte schoenen mee?” smste d’n D.
“Ik héb geen platte schoenen!” smste ik terug.
Platte schoenen. Pffff… Wat is de volgende stap? Een bróék? Maar goed, het gesprek over die schoenen is het langste gesprek dat ik heb gehad hier. Ik merkte het aan mijn keel, die voelde alsof ik houten kozijnen zonder mondkapje had staan schuren en daarna een sigaret was gaan roken.
Ik vraag me hier vaak af of ik het zou kunnen: altijd zo alleen zijn.
Het is een vloek en een zegen. Het gekke is dat er niet eens zo heel veel verandert. Ik denk altijd dat ik minder last heb van ergernissen en neuroses als ik alleen ben, maar dat is helemaal niet waar. Het is hetzelfde. Precies hetzelfde. Er is alleen niemand die ik ken getuige van. Er is niemand waar ik me lullig tegenover kan voelen en als er al iemand is dan kan ik met redelijke zekerheid zeggen dat ik diegene nooit meer van mijn leven zie.
Zo heb ik al sinds de eerste dag een muntje van vijftig cent in mijn zak zitten. Dat kreeg ik als wisselgeld bij mijn eerste koffie en soep. Ik had mijn portemonnee al in mijn tas gestopt, dus ik stak de munt in mijn jaszak. Ondertussen durfde ik die munt niet meer terug in mijn portemonnee te doen, en dus besloot dat ik die munt aan de eerste bedelaar zou geven die ik tegenkwam. Maar alle bedelaars die ik tegenkwam waren zo hologig en agressief dat ik de munt steeds maar niet weggeef. Gisteren zat ik in de metro terug van het schoenenkopen en bij een halte was ik van plaats gewisseld, omdat de plaats tegenover beter zicht uit het raam had (in de métro! dat bedoel ik nu!), toen ik de meneer die tegenover me was komen zitten een muntje van vijftig cent van de bank zag pakken. Dat was mijn muntje! Uit míjn zak gevallen! Ik zei iets in de trant van dat die munt van mij was, in hakkelend Duits. Dat ik eerst daar zat, waar hij nu zat.
De man gaf me het muntje terug.
De rest van de weg heb ik uit het raam gekeken en me afgevraagd wat mij die vijftig cent nu in hemelsnaam kan schelen.
Sommige mensen zijn altijd alleen. Die eten alleen, drinken koffie alleen, die slapen iedere nacht alleen en kennen buiten de mensen in winkels en kroegen verder niemand. Het is zo overzichtelijk, lijkt me. Berlijn is een goeie stad om alleen te zijn. Er is goeie koffie, er is taart, je kunt goed wandelen, de musea zijn goed. Er hangt hier iets in de lucht. Het lijkt net of het hier niet de bedoeling dat je erg gelukkig bent, dat je gewoon je hoofd boven water moet houden en het lijkt alsof iedereen dat weet, maar niemand het er over heeft. Iedereen duwt maar die kinderwagens, staat te roken voor de deur, doet boodschappen in biologische supermarkten.
Uiteindelijk zit toch iedereen alleen in z’n eigen hoofd, niet?
Ik voel me hier thuis.
Over de speakers klinken the Shins.
Phantom Limb.

So when they tap our Monday heads
To zombie-walk in our stead
This town seems hardly worth the time
And we’ll no longer memorize or rhyme
Too far along in our climb
Stepping over what now towers to the sky
With no connection

Verder heb ik dit jaar nog een paar dingen over Berlijn geleerd:
1. Het is de beste stad om je hondenangst te overwinnen. Zoals je misschien wel gemerkt hebt loopt hier alles los en is alles Herder. De eerste dagen stak ik nog de straat over als er een loslopende hond aankwam, maar daar bleek dan al snel geen beginnen aan, zo zigzaggend de stad doorkruisen. Gisteren besefte ik dat ik die honden niet eens meer zie.
2. Er zijn hier een ongelofelijk veel mensen op krukken.
3. Er is hier óf een hoog percentage aan mensen met een onzichtbare headset, óf er wordt hier meer handenzwaaiend luid in zichzelf gepraat dan dat het in Nederland gebeurt. Hoe zou dat nou komen? Is het de kou? Is het de met graffiti bekladde panden waarin dure design spullen worden verkocht? Zijn het de krakers? Het bier op straat? Zitten de mensen hier meer in zichzelf opgesloten dan meer westwaarts?

En dan vraag ik me af of die drie dingen met elkaar te maken hebben.
Over krakers gesproken: ik dacht vanochtend dat ik Vincent zag, op een ouwe crossfiets met een camera om zijn nek. Maar goed, veel mensen dragen hier een Vincent-fähige outfit.

De dames naast me vertrekken en als de vertellende vrouw haar jas aanzwaait ruik ik een zweem van lang niet verschoond bed en haarroos. De andere vrouw lacht nog steeds heel hard, alsof haar leven ervan afhangt, dat terwijl de vertellende vrouw al een tijdje niet veel meer zegt.
Misschien hangt haar leven er ook wel vanaf.
Ik ga zo ook maar eens, weer naar buiten de kou in. Wandelen.
En misschien die vijftig cent eens weggeven. Ik zou nu toch ondertussen wel zonder moetenkunnen.

Ik spreek je wel weer in Nijmegen, over tien dagen ben ik weer thuis. Ik twijfel nog of ik Vastelaovend in Venlo ga vieren, want iets méér tegenovergesteld van in m’n uppie in Berlijn zijn bestaat er denk ik niet. Daarbij moet ik nog een pekske regelen.

Nu goed, over tot de orde van de dag. Wandelen. Ik heb immers platte schoenen.
Bis bald Kumpel.

Liefs,
Henk

Let them eat geklaude bankpassen

Ich bin ein Berliner, 2012, deel II

Ik hou van Berlijn en ik hou eigenlijk ook gewoon van Duitsland. Ik spreek wel wat Duits en kan het goed verstaan, maar het enige dat ik vervelend vind van in Duitsland zijn is dat ik geen grappen kan maken aan de balie van een winkel of kroeg.

Jongen achter kassa van hippe bio winkel
Terwijl hij mijn bankpas teruggeeft:
Sie brauchen eine Unterschrift auf der Rückseite Ihrer karte.
( Lang leve Google Translate.)

HMDODHBS
Euh… Die war schon da, aber die ist verschlissen. Durch… euhm…. viele gebrauch.
Lacht scheef.

Jongen achter kassa van hippe bio winkel
Kijkt HMDODHBS droogjes aan en wacht tot de kassabon print.

HMDODHBS
Denkt na. Zegt dan, als moment al lang weer verdwenen is.
Nein, ich hab’ die karte geklaut.

Jongen achter kassa van hippe bio winkel
Stilte.

HMDODHBS
Lacht scheef, als in: da’s een gekke witz, jongen achter de kassa.

Jongen achter kassa van hippe bio winkel
Haben Sie die PIN auch gestohlen?

HMDODHBS
Ja, auch!
Lacht luid.

Jongen achter kassa van hippe bio winkel
Lacht niet en stopt boodschappen in tasje.

HMDODHBS
Mompelt, terwijl ze naar buiten loopt:
Hihi, grápjeee.

Niemand reageert, alleen de wind blaast wat blaadjes op.

Het heeft denk met momentum te maken. Tegen de tijd dat ik bedacht heb hoe je iets misschien bij benadering in het Duits kan zeggen is het moment weg. Daarbij: ik weet niet eens of ik wel zeg wat ik zeg.

Let them eat knödel

Ich bin ein Berliner, 2012, deel I

Ik zeg niet snel dat ik ergens goed in ben. Eigenlijk ben ik ook nergens écht goed in, maar als ik twee dingen zou moeten noemen waar ik écht goed in ben dan is het Paulaners inschenken en het uitkiezen van een goeie koffie- of eettent. Ik schiet niet snel mis.
Zo niet deze avond in mijn eentje in Berlijn.

Uitgaande sms naar Nelis, 20u12
Hier is het godsgruwelijk koud! Ben net een soort van hip restaurant binnengestapt. Jazz net iets te hard.

Uitgaande sms naar Nelis, 20u15
En ze serveren hier alles met knödel. Dat vergeet ik tegenwoordig wel eens in Duitsland, dat ze dat altijd deden: alles met knödel. Misschien toch minder hip dan het van buiten leek.

Toen ik binnenstapte dacht ik door een groot bord op de stoep waarop “Vegetarisch!” stond, dat ik met een quasi-vegetarische tent te maken had. Nu is dat in de buurt waar ik verblijf niet zo vreemd. Je wordt hier met de veganistische zaken om de oren geslagen. Naast de veganistische supermarkt bij mij om de hoek zit een veganistische schoenenzaak, alsmede een veganistische kinderopvang. (“Normaal vang ik graag mijn kinderen op met gehakt en gelatine van botten, maar goed, tegenwoordig met de crisis en het milieu en alles, hè…”)
Er blijkt maar één vegetarisch gerecht op de kaart te staan. En de rest is vlees. Mit knödel. In de zaak zitten nog twee mannen te eten bij het raam en aan de andere kant van de zaak zit een gezin dat aan het toetje zit.
Na tien minuten komt er een ober naast me staan, een schattige springerige jongen die blij is dat ik er ben, want aan het gelach dat uit de keuken klonk toen ik binnenkwam, ging zitten en geen bedienend personeel zag, kon ik opmaken dat het arme jong zich stierlijk aan het vervelen was. Ik krijg de wijnkaart. Ik krijg brood met een schaaltje basilicumcrème.
“Zelf gemaakt,” zegt hij trots, hij fluistert het een beetje, alsof het ons geheim is.
Ik neem een spätburgunder, want als je in Duitsland bent moet je natuurlijk een Duitse pinot noir nemen en geen Franse. En ik kies de lemongrass-kipspies met sla. Het enige gerecht zonder, u kunt het woord vast niet meer horen, knödel. De rode wijn die ik voor me heb gekregen lijkt wel port. Zoete rode wijn, ik kan me sinds de pakken Liebfraumilch op Lowlands toen ik vijftien was niet heugen dat ooit nog gedronken te hebben. Het gezin is ondertussen vertrokken en ook de mannen bij het raam vragen de rekening. Ik tik rustig verder. De mannen trekken hun jas aan en met dat ze de deur achter zich sluiten is de cd afgelopen. De oberjongen is waarschijnlijk in de keuken. Het is stil in de zaak. Uit de keuken klinkt gerammel en gelach.
Dan begint er een penetrante oude frietvet-lucht door de zaak te trekken.
De schattige oberjongen komt de zaak weer binnen, er wordt wat gerommeld in een kastje en ineens klinkt de jingle van Spree FM, waarna een Duitse schlager begint te spelen.
Dan krijg ik mijn bord. Op mijn bord ligt sla met een mayonaisedressing en de kipfilets die aan lemongrass-stengels zijn gespiest zijn, houdt u vast, gepaneerd met een cornflakes-achtige substantie en daarna dus met lemongrassspriet en al, even uw vingers in uw oren graag, GEFRITUURD!
Nu vind ik gefrituurde kip heus wel lekker, hoor, als ik knetterzat ben en het half vijf ‘s ochtends is en ik in de enige open frituur in, noem eens wat, Breskes sta. Of als ik zestien dagen door de woestijn heb getijgerd op zoek naar water en voedsel.
Of als iemand het met liefde voor me gemaakt heeft, ja, dan ook.
Maar in alle andere gevallen vind ik gefrituurde kip vies.
Nu goed, geleerd hebbende dat ik gewoon moet eten wat de pot schaft, begin ik.
Het gaat heus wel.
Heus. Ondertussen zingt een broer van Matthias Reim een lied over hartezeer.
Dan loopt ook nog de schattige oberjongen de zaak uit, terwijl hij iets verontschuldigends naar me mompelt, met zijn dikke winterjas aan en een zwarte bak met zilverfolie in zijn handen.
En zo zit ik ineens geheel alleen in een restaurant met Spree FM aan.
Ik denk er over om heel snel aan de tafel naast me te gaan zitten, en alles precies zo neer te zetten als dat het op mijn tafel stond en dan net doen alsof ik er al de hele avond zit, zodat de schattige oberjongen helemaal in de war raakt.
Als hij ooit nog terugkomt.
Ik kan ook gewoon weglopen zonder te betalen.
Ik kan ook de kipjes met cornflakes en al tegen het plafond kwakken.
Kan allemaal.
En dan ineens: zand in de sla.
De oberjongen komt weer binnengerend met een lege bak in zijn hand. De kou straalt uit zijn jas als hij me passeert.
Ik ben er klaar mee.
Ik ga.
Ik gooi mijn servet op mijn bord, loop naar de bar en vraag de rekening. De schattige oberjongen vraagt of alles wel goed was, volgens mij weet hij allang dat het eten niet te vreten is. Hij kijkt me met schuldbewuste puppy-ogen aan.
“Ja,” zeg ik. Maar we weten allebei wel hoe de vork in de steel steekt. Of in dit geval: de lemongrassspriet in de kip. Als ik buiten ben moet ik hardop lachen. Een passerende mevrouw met hond loopt met een boogje om me heen.
Maar er is een moraal aan dit verhaal, want ik heb één les geleerd die ik u graag op het hart wil drukken, lieve mensen: als ze alleen maar knödel hebben, eet dan knödel.
Alstublieft.
Eet dan knödel.