Seinfeld

Ik hou zoveel van Seinfeld dat ik soms doe alsof ik ook in zo’n serie woon. Dan doe ik alsof alles wat ik zeg gestroomlijnd, gevat en grappig is en dat iedereen daar om moet lachen. Dat één muur in mijn huis geen muur is, maar een tribune met mensen. Ik zou een soort George zijn.

Ik kijk seizoen drie.

1.
JERRY
You know there’s like always one location in your neighborhood, one store location that’s constantly changing hands.
Everybody has this in their neighborhood.
It’s a leather store, then it’s a yogurt shop, then it’s a pet supply.
It’s constantly changing and nobody can do business there.
It’s like some sort of Bermuda triangle of retail, you know?
Stores open up and then they just disappear without a trace.
Nobody knows what happened to ‘em.
I guess eventually when like aliens land in the mother ship from Close Encounters, the bottom will slowly open and all these store owners will come wondering out, in a daze going: I thought there would be more walk-in traffic didn’t you?

2.
ELAINE
What time is your job interview George?

GEORGE
9:45

JERRY
Remember, don’t whistle on the elevator.

GEORGE
Why not?

JERRY
That’s what Willie Loman told Biff before his interview, in ‘Death of a salesman’.

GEORGE
What, you are comparing me to Biff Loman, very encouraging.
The biggest loser in history of American literature.

ELAINE
All right, I’m gonna go.

JERRY
What time is the lesbian wedding?

ELAINE
9:30

GEORGE
Lesbian wedding. How do they work bride and groom out, what do they flip a coin?

ELAINE (zucht)
Yeah, they flip a coin.

GEORGE
What, was that not politically correct? It’s a legitimate question.

JERRY
I’m so tired. I’ll fall asleep on that train.

GEORGE
I get the feeling when lesbians are looking at me, they’re thinking: “That’s why I’m not heterosexual”.

3.

4.
GEORGE
…pianist. A classical pianist. She plays the piano. She’s a brilliant woman.
I-I-I sat in her living room… She played the Waldstein Sonata!
The Waldstein!
We did a crossword puzzle together, in bed.
It was the most fun I ever had in my entire life.
Did you hear me?
In my life!
Y’know?

(Jerry komt binnen.)

JERRY
Were you talking? I couldn’t hear anything.

GEORGE
I was telling you about Noel.

JERRY
Oh, Noel! Yeah, the one who plays bongos…

GEORGE (sarcastisch)
Heh heh heh… So side-splittingly funny…

JERRY
All right, I’m sorry. What about her?

GEORGE
What, you think I’m going to repeat the whole thing now?

JERRY
I know, you told me you like her, everything is going good.

GEORGE
No everything is not going good. I’m very uncomfortable. I have no power. I mean, why should she have the upper hand?
Once in my life I would like the upper hand. I have no hand– no hand at all.
She has the hand.
I have no hand…
How do I get the hand?!

JERRY
We all want the hand.
The hand is tough to get.
You gotta get the hand right from the opening.

GEORGE
She’s playing a recital this week at the McBierney School. You wanna hear her play? I got two extra tickets, you and Elaine could go…

JERRY
Yeah, that sounds like somethin’…

GEORGE
Then afterwards maybe we could all go out together. Y’know she’ll see me with my friends, she’ll observe me as I really am, as myself. Maybe I can get some hand that way.

Ode aan de Fiets

Nou lieve mensen, het was weer een bewogen LuxLive vandaag.
De vorige keer ging het nog om triviale zaken
(ik zou het er eigenlijk niet bij hoeven zeggen, maar “triviale zaken” moet natuurlijk met een ironische toon gelezen worden, mijn vrinden)
als immigratie, religieuze diversiteit en “help! de moslims komen!”, dit keer werden er prangender vragen aan de kaak gesteld en wel het nieuwe parkeerbeleid van de gemeente Nijmegen en dan éígenlijk vooral het parkeerbeleid in de binnenstad.
De sfeer zat er al meteen goed in.

zx.jpg

Uitgaande DM naar ons Seb via Twitter, vandaag om 20u08:
O jee. Allemaal boze meneren en mevrouwen in de zaal. Ze grommen. Misschien toch maar even achter het gordijn gaan zitten?


(Lieve mensen, ik vraag u: wat moeten we in ‘s hemelsnaam zonder Seb? Ik klampte zijn arm vast toen hij net binnen kwam en piepte iets in de trant van “kun je anders niet gewoon stiekem naast me komen zitten?” “Vind je het eng?” bromde Seb geruststellend boven me uit. “Heus niet,” piepte ik terug. “Echt niet.”)

zx.jpg

Nu ja.
Gegrom uit de zaal dus.
Mensen waren boos, mensen verhieven hun stem, mensen begrepen dingen niet, maar ook: mensen die, hoewel heul kwaad, toch de ander lieten uitpraten en mensen die hun best deden om de boel fatsoenlijk te formuleren. Alle ingrediënten voor een bewogen avond.
Een ding leerde ik snel: Kom aan een mens z’n auto en je had net zo goed z’n hond kunnen trappen.

Dus ik kon maar één ding doen.
Een Ode aan de Fiets schrijven.

zx.jpg

Ode aan de Fiets

1.
Het eerste wat ik vandaag hoorde toen ik hier kwam, ging als volgt:
Twee mannen staan te praten en een derde komt erbij staan.
“Heej, wat ben je laat,” zegt de eerste.
“Ja, sorry,” zegt derde.
Het is even stil en dan zegt de tweede:
“Kon de auto niet kwijt ofzo?”

2.
15 september 2006
Ik fiets van de Albert Heijn naar huis. Het waait en er is bijna niemand op straat. Niemand, behalve een zeer brede man met in de wind wapperende blonde manen, die aan mijn kant van de straat tegen een parkeerautomaat staat te schoppen. Terwijl hij schopt kijkt de brede blonde meneer steeds mijn kant op terwijl ik zijn richting in fiets en terwijl hij dat doet zucht hij heel diep.
Als ik de parkeerautomaat passeer, heft hij z’n handen op en roept hij luid
“Handig hoor, mevrouw, die Knip-Chip. U zit lekker op de fiets. Heel handig voor u. Mevrouw. Die fiets.”
Hij schopt weer tegen het apparaat en heft zijn vuist naar me op.
“Hoerrr!” roept hij.
(Die “hoerrr!” had ik wel opgeschreven, maar die durfde ik niet voor de te lezen. Ja, nee, ik durfde het g’woon niet. )
Ik zet maar even gauw de vaart erin, want mijn fiets is inderdaad erg handig.

3.
5 januari 2012
Op Facebook vertelt Jaap dat hij met zijn vingers in één van de nieuwe parkeerautomaten is blijven steken. Om zijn woorden kracht bij te zetten heeft hij er een foto bij gezet waarop drie flink bloedende vingers te zien zijn.
Joris, Frank, Chantal, Karel, Marieke, Jeroen en Paul hebben op de “vind ik leuk”-knop gedrukt.
Dat zijn in ieder geval al zeven mensen die de nieuwe parkeerautomaten leuk vinden.

4.
Als ik iets niet kan dan is het parkeren.
Nu zullen hier wel meer mensen zijn die van zichzelf zeggen dat ze niet kunnen inparkeren, maar ik kan u verzekeren: ik kan écht niet inparkeren.
Nu ben ik sowieso een ramp op de weg. Als u zich wel eens ergert aan die vrouw die op de rechterbaan, rokend en kromgebogen achter het stuur, al meezingend met de autoradio, met maar tachtig kilometer per uur over de snelweg tuft, nou lieve mensen: die mevrouw ben ik. Als ik een auto moet inparkeren dan zoek ik een vrije plek voor minimaal twee auto’s, en dan het liefst nog met een stuk stoep erachter waar geen bomen op staan, zodat ik zo via de stoep, hop, het parkeervak in kan knallen. Als het aan mij zou liggen dan schaften we dat hele fileparkeren gewoon af. Gewoon alleen maar vakken waar je zij aan zij staat en waar een inparkeeralfabeet als ik ook eens zonder stress de auto kwijt kan.

Nee, wacht.
Ik weet het nog beter…
zx.jpg
En toen hield ik een plechtige stilte in mijn relaas. De zaal wachtte in spanning. Zou dan toch niet de Nico Díjkshoorn van de avond het probleem oplossen? Dat kón toch helemaal niet?
zx.jpg
…als het aan mij zou liggen dan zouden we álles gewoon afschaffen. Landelijk. Het fietspad, het trottoir, het asfalt en de parkeervakken en als we dan toch bezig zijn dan schaffen we meteen die auto’s ook maar af. We plempen de hele boel gewoon vol met een grote dikke van duurzaam fair trade rubber gegoten lopende band en dan bouwen we aan de Energieweg gewoon een gigantische wolkenkrabber, waar je je auto alleen maar in een bak hoeft te rijden en een bonnetje hoeft te trekken als in een garderobe, voor als je hem een keertje nodig hebt als je Nederland uit moet. Als we naar Duitsland moeten om naar de Trinkgut te gaan of voor de zomervakantie naar Frankrijk.
Dan hoeven we alleen maar even vanaf de voordeur al onze zooi, hop, op de lopende band te gooien om vervolgens onze auto op te halen.
Dat vind ik nog eens een goed idee.
En daarna rijden we gewoon lekker weg hier vandaan over de Energieweg, terwijl we opletten op de flitsers want gelukkig zijn we dat ook al helemaal afgeleerd, lekker naar ’t buutelánd.

Zo.
Nu goed.

Tot die tijd kom ik gewoon op de fiets, want dat is voor iedereen beter.

Zes mensen met een kink in de kabel

~Of: Hoe het ging dat er zes mensen naar me keken en niemand door had dat ik een cent of vijftig te weinig betaalde ~

~Of: Hoe de machine nog niet geolied was~

white-square.jpg

Als ik de nieuwe Starbucks op het station in Nijmegen binnenkom staan er zes mensen achter de balie. Het is er leeg, op een dikke compacte man in pak met een clipboard die zittend iets uitlegt aan nóg een medewerker van de Starbucks na.
Zes hoofden kijken me aan.
“Zeg het maar,” zegt het tweede meisje als de eerste niks tegen me zegt en me alleen maar aanstaart.
“Euhm,” zeg ik. “Hoe groot is een middel latte ook weer?”
Een derde houdt een middelgrote beker omhoog en zet ‘m weer terug.
“Hoe die maar,” zeg ik.
“Een Venti Latte!” roept de vierde naar rechts en de vijfde en de zesde komen in beweging. De hand van de vierde vist een grote beker uit de stapel en de tweede noemt een bedrag en de derde vraagt hoe ik heet.
Ik kijk rond. Er is verder niemand in de zaak. Zes hoofden kijken me aan. Ik lach scheef. Er wordt niet terug gelachen. Achter me hoor ik de dikke man mompelen tegen de zevende medewerker en die mompelt van jaja en neenee. Buiten klinken de schel krassende wielen van een trein die over een wissel gaat.
“Euh, Hanneke?” zeg ik. Ik twijfel en ik weet niet waarom want ik heet toch echt zo.
“Ja?” zegt de eerste.
“Ja?” zeg ik.
Driftig begint de vierde op de beker te schrijven en de tweede noemt nog een keer een bedrag. Ik grabbel in mijn portemonnee.
“Dan mag u nu naar de volgende balie lopen,” zegt de vierde.
Ik versta wel wat ze zeggen, maar ik begrijp het niet meer.

Ik ben heus wel vaker bij een Starbucks geweest, al ben ik daar niet trots op. Maar hell, ik kwam in bloody 2002 al in de Starbucks toen ik in Nieuw Zeeland werkte. Overigens ging ik daar altijd stiekem heen want iedereen die ik kende was heul erg anti en boven de kleine niet-Starbucks koffiezaken aldaar hingen grote borden waarop “Locally Owned” stond om te verzekeren dat er geen Amerikaanse multinational achter zat.
Ik schaam me dat ik toch nog af en toe koffie hier koop.
In de hel.

“Watte?” zeg ik. De eerste, de tweede en de derde kijken me aan.
“Dat u mag doorlopen,” zeggen de tweede en de eerste door elkaar heen. De derde wijst naar de volgende balie. Ik stommel door naar de volgende balie. De dikke man wijst in het rond en het zevende Starbuckspersoneelslid noteert waar hij naar wijst op een clipboard. Buiten bliepen de palen van de chipcards. Binnen lijken alle geluiden zwaar te zoemen, zoals in films, als het warm is in een motelkamer en de hoofdpersoon op bed ligt en gehypnotiseerd naar de ventilator kijkt.
“Hanneke?” vraagt de zesde. Ik schrik op.
“Hè?” zeg ik.
“Hanneke?” zegt de zesde en zet een beker op de balie.
Ik pak de beker op.

Ik loop naar de trein. Binnen staan de zes achter de balie voor zich uit te kijken. Ik denk aan de Efteling als ik de trein instap. Vroeger dacht ik altijd dat die poppen gewoon doorleefden als het nacht was. Later leerde ik dat de boel uitschakelt als ze dichtgaan. Wat betreft de Starbucks heeft niemand me nog uitgelegd wat er met de personeelsleden gebeurt als iedereen eenmaal weg is.
Maar ik verwacht niet veel goeds.