We are nowhere and it’s now

~ Geschreven voor en tijdens Waai te Plu te Nijmegen.~

lamp-met-vogeltjes.jpg

Je kunt op een dag nooit teveel per ongeluk the Smiths horen. En met per ongeluk bedoel ik dat het zomaar ineens door iemand wordt opgezet die op dat moment niet bezig was met mijn nu al twee decennia durende Smiths-verslaving. Vandaag gebeurde het twee keer. De eerste keer was nog voor het ontbijt, toen ik de tafel aan het dekken was en thee zette. De tweede keer was ik plastic bloemen over de tijdelijke bar van het atelier aan het leggen.
Vandaag is een goeie dag.
Ik denk dat ik alles van the Smiths kan meezingen. En ook al heb ik een vreselijk slecht gehoor voor tweede stem, bij veel liedjes van the Smiths heb ik zelf een tweede stem verzonnen. Ik kan weinig dingen echt goed, maar ik vertel altijd met trots dat ik al vanaf mijn negende naar the Smiths luister. Toen vond ik dat vrolijke muziek. En toen ik eenmaal Engels begon te verstaan zongen ze over alles wat ik ook voelde en dacht de hele dag. Nick Hornby schreef ooit: Do I listen to pop music because I’m miserable or am I miserable because I listen to pop music? Soms zijn er nog stukken tekst die ik alleen maar in brabbelengels mee kan zingen. Ik heb tot mijn twintigste gedacht dat Morrissey zong over Hank the DJ. Dan zong ik “Hank the DJ, Hank the DJ, Hánk the Deeeeejay, Hánk the Deeejay.” Later bleek dat we Hank eigenlijk moesten ophangen.
Tijdens de rellen in Engeland heb ik het nummer nog veel gezongen als ik op de fiets zat of naar de supermarkt liep.

lamp-met-vogelbad.jpg

And when a train goes by, it’s such a sad sound.
Padiepadampadiepadampadadadadam.

lamp-met-vogeltjes.jpg

“Jij denkt teveel na,” zegt hij.
We zitten buiten tegen de pui van de kroeg en we hebben een dekentje om onze benen heengeslagen. Ik heb het koud, maar ik drink evengoed wijn. Af en toe loopt er iemand voorbij.
“Kijk,” wijs ik af en toe. Soms vertel ik een verhaal over een voorbijwandelaar.
Dan zeg ik dingen als:
“Die heb ik ooit eens de kroeg uitgegooid omdat hij een middelvinger naar me opstak.”
Of:
“Die vrouw daar noemden we vroeger altijd “Een Stukje Levensvreugd”.
Of:
“Hij is ooit een eetcafé begonnen zonder horeca-ervaring. Dat vond hij helemaal niet vreemd. Hij vertelde dat het altijd een droom van hem was geweest: lekker een eigen zaakje beginnen. Het eetcafé was binnen een half jaar alweer over de kop.”
En:
“Zij kwam vroeger ook altijd bij ons en toen noemde we haar de Wijnspons. Ik zag haar ooit een keer in de sportschool—”
“Zat jij bij een sportschool?”
“Een keer een maandje. Ik heb denk ik nog wel een jaar contributie betaald.”
“Ik haat sportscholen.”
“Ik ook.”
“En zij zat ook bij die sportschool. Ze droeg zwarte handschoentjes zonder vingers en keek iedereen aan in de hoop dat iemand een praatje met haar wilde maken. De handschoentjes die ze droeg waren voor het gewichtheffen en werden in die sportschool alleen maar gedragen door de brede mannen waarvan het hoofd en de nek in één lijn in de schouders doorliepen.”
Je kon aan haar blik zien dat ze alcoholist was. En eenzaam. Alcoholisten hebben altijd waterige ogen. Ik ken ook mensen die een alcoholistenkop hebben maar geen alcoholist zijn. Dat lijkt me heel erg, dat iedereen denkt dat je dat bent terwijl je dat niet bent. Bestaat een eenzame kop ook? Ik denk dat ze vroeger heel mooi was, de Wijspons. Vergane glorie. Sommige mensen kunnen de kroeg niet aan. Drank en vertier is misschien wel het ergste wat er bestaat. Het is zo leeg dat alles er schraal bij afsteekt in het felle zonlicht van de dag dat weerkaatst wordt door de natte straatstenen. Zo gaat altijd alles maar door, als een grote machine met ons als kleine pony’s die aan het wiel vastzitten, achter elkaars kont aan. Ik hou van die machine, ik hou van de kroeg en van de verhalen en van de leegte die ons herinnert aan dat stukje niets dat we tussen ons hart en onze buik meetorsen. Heel de dag, elke dag.
Ik zucht.
“Wat is er?” vraagt hij.
“Niks,” zeg ik. “Er is niks.”

lamp-met-vogelbad.jpg

Nature is a language
Can’t you read?
So ask me
Ask me
Ask me
If it’s not love
Than it’s the bomb
That will bring us together


lamp-met-vogeltjes.jpg

Jeej

HMDODHBS
Wie zijn dit?

GAENS
Dit draaide Mouton vorig jaar steeds.

HMDODHBS
Zijn dit the Yeah Yeah Yeah’s?

SEB
Wat? Zijn dit de 3J’s?

I’m talking to myself here.

Na een drukke dag snel een magnetronmaaltijd en een uurtje op de bank alvorens naar de presentatie van De Kutgitaar #2 te gaan.
En tja, wat kijk je dan?
Juist.
Dan kijk je Clerks.

***

RANDAL
You called Caitlin again?

DANTE
She called me.

RANDAL
Did you tell Veronica?

DANTE
One fight a day with Veronica is
about all I can stomach, thanks.

RANDAL
What do you two fight about?

DANTE
I guess it’s not really fighting.
She just wants me to leave here, go
back to school, get some direction.

RANDAL
(opening paper)
I’ll bet the most frequent topic of
arguments is Caitlin Bree.

DANTE
You win.

RANDAL
I’m going to offer you some advice,
my friend: let the past be the past.
Forget Caitlin Bree. You’ve been
with Veronica for how long now?

DANTE
Seven months.

RANDAL
Chick’s nuts about you. How long
did you date Caitlin?

DANTE
Five years.

RANDAL
Chick only made you nuts. She
cheated on you how many times?

DANTE
Eight and a half.

RANDAL
(looks up from paper)
Eight and a half?

DANTE
Party at John K’s-senior year. I
get blitzed and pass out in his
bedroom. Caitlin comes in and dives
all over me.

RANDAL
That’s cheating?

DANTE
In the middle of it, she calls me
Brad.

RANDAL
She called you Brad?

DANTE
She called me Brad.

RANDAL
That’s not cheating. People say
crazy shit during sex. One time, I
called this girl “Mom.”
Continue reading…

Een liedje voor een dag als deze

Buiten hoorde ik een vader bezig zijn dochter in de auto te krijgen. Althans, ik hoop dat het zijn dochter was, want als je voor je tweede leg zo’n schlemiel aan de haak hebt geslagen dan ben je mooi in de aap gelogeerd, maar goed: dat geheel terzijde. Het meisje gilde alsof haar mollige beentje werd geamputeerd en de vader deed precies alle dingen die er voor zorgen dat zo’n kind al helemaal niet meer in de auto wil.
Kinderen zijn net zoiets als dronken mensen in de kroeg, je moet er gewoon geen discussies mee aangaan. (Al zijn kinderen wel weer wat makkelijker te tillen. Probeer maar eens een dronken Hell’s Angel in de kinderstoel te krijgen.)

Toen hoorde ik een vrouwenstem en toen sloeg de deur en toen was het stil.

Het had steeds geregend en het was nog steeds grijs overal, maar de zon wierp goud licht als uit een filmlamp over de straat. Ik keek naar buiten en ik zag nog net een stationwagon vol kinderen voorbijrijden met aan het raam een brullend meisje en in de bijrijderstoel een meneer met een bril, een frons en over elkaar geslagen armen.

Op een dag vind je jezelf in een stationwagon vol met kinderen.

En toen had ik ineens dit liedje in mijn hoofd.

Het was iets met hoop

Geschreven tijdens Lux Live #2 dat vanavond helemaal ging over Hope XXL. Ik had een uur of twee om door middel van een verhaal een reactie te schrijven over dat wat er gezegd werd en waar de avond over ging.
Een verhaal dat aan het einde van de avond meteen moest worden voorgelezen.
Ik zat binnen no time in een soort van schrijfmarathonfrenzy.
Over hoop.
Natuurlijk.

Het was iets met hoop

Een van mijn vroegste herinneringen speelt zich af in de keuken van mijn ouderlijk huis. Ik stond aan het aanrecht en ik kon net met mijn ogen over de rand van het aanrecht blad kijken. Mijn moeder stond naast me en terwijl ik me met mijn handen naast mijn hoofd vasthield aan dat aanrechtblad keek ik naar wat ze aan het doen was. Mijn moeder was bezig met een beker roosvicee voor me te maken. Het was de eerste keer dat ik zo groot was gegroeid dat ik kon zien wat mijn moeder aan het doen was aan het aanrecht.

(Normale kinderen kunnen dat van veraf, een stukje verderop in de keuken, maar ik moest al vroeg een bril, en dat wisten we toen nog niet, vandaar, maar goed, dat is weer een heel ander verhaal.)

Nu goed, de beker roosvicee.
Wie kent ‘m niet?
Iets zoets uit een plastic beker met twee oren en een aai over je hoofd.
De tijd dat álles wat vloeibaar is en je in een glas of beker wordt aangereikt nog gewoon drinken heet.
Normaal verscheen die beker roosvicee ineens voor me, als een kelk uit de hemel, als een goddelijke hand die me iets aanreikte, maar dit was de eerste keer dat ik zag dat mijn moeder een vloeistof uit een fles schonk in die beker en daar dan water bij deed.

Het was de dag dat ik besefte dat ik invloed kon uitoefenen op de gang van zaken omtrent de dingen die ik wil.
Het begon daar.
Het besef van de maakbaarheid van alles.
De beker met ranja, de kleurpotloden, een bak met ministek, een konijn.
Hoop.
De dag dat je als kind beseft dat er handelingen vooraf gaan aan dat wat je graag eet, drinkt of wil hebben.
De dag dat je beseft dat je lievelingsdingen niet gewoon uit het niets verschijnen, dát is de dag dat de hoop je de deur uit jaagt en maakt dat je opzoek gaat.
Hoop.
Die beker met roosvicee.
Die traptractor die achter de deur van de afgesloten schuur staat.
De jongen op de brommer.
Het lekkere wijf in de kroeg.
Het diploma, de baan, de vriendin, weg uit dat gore studentenhuis, de verloofde, de echtgenoot, de scheiding, een televisie zo groot dat oma denkt dat het de deur naar de kelder is.
We willen iets.
We willen iets hebben.
Had ik maar.
Ik hoop toch dat.
Is dit het nou?

Worden we nu dan, als we alles hebben, omver gerend door cynici?

Iedereen hier heeft vandaag ergens op gehoopt.
Iedereen.
U, ik, degene die links van u zit, degene die rechts van u zit, het achterhoofd waar u deze afgelopen twee uur tegen aan heeft gekeken, degene die tegen uw achterhoofd aankijkt.
Is dat wat ons mens maakt?
Die roosvicee?
De wil.
De hoop op die ander?
Die hoop op eindelijk de bevestiging dat we niet alleen zijn?
De hoop op dat er iemand is die alles goed maakt?
De hoop dat nu iedereen opstaat en zorgt dat niet alles in elkaar stort.
De hoop dat dat nieuwe kind, ons kind, weer gewoon die beker roosvicee krijgt.
Zijn we daarom allemaal hier?
Met al onze harten vol van alles wat we willen en hopen en denken en voelen, op een tribune, als honderdzeventig kléíne stipjes in op een nog kleinere planeet in een immens heelal.
Hier zitten we.
U, ik, de mensen voor u en naast u.
Misschien morgen is dan een dag dat de roosvicee op het aanrecht blijft staan, we naar buiten lopen en onze neus in de wind steken en de frisse lucht snuiven.

We zijn nu allemaal hier.

En het begon allemaal met hoop.