Oven

Mijn allereerste herinnering is mijn moeders gezicht door het raampje van de ovendeur in de keuken van ons tweekamerflatje op de Klok. De Klok was een groot complex met sociale huurwoningen aan de rand van de stad. Een cliché van een sociale huurwoningen, compleet met naar pis ruikende trappenhuizen, schotelantennes en bonzende auto’s met lopende motor voor de voordeuren, die altijd openstonden. We speelden graag verstoppertje, mijn moeder en ik, soms wel uren lang. Ik was vier, maar het was toen al een prestigekwestie. Ze vond me altijd.
“Je had de oven aan moeten zetten,” zei ze toen ze me gevonden had.
Ik hoorde haar stem gedempt door het hittebestendige glas. Ze tikte met een van de gouden ringen op het raampje.
“Kleine pygmee. Hoor je dat? Dan had ik nooit geloofd dat je je hier zou verstoppen.”
Sinds zou altijd alles haarscherp zijn, het was de eerste krakerige bandopname van mijn moeders stem in mijn hoofd en vanaf dat moment ging de film lopen. De oven van binnen, de schroeilucht van jaren op de bodem gedropen kookvocht, mijn voetstappen over de tegels, over de betonnen trappen van de flat naar buiten, de bloembakken een eind verderop en de groencontainer, het kinderfietsje op het dak van de schuur van vieze meneer Schattorjé en het witte punthekje van mevrouw Zaat.
Het volgende potje verstoppertje haalde mijn moeder me bewusteloos uit de oven. Roodgloeiend met hier en daar een blaar.
“Iedere paar uur even afsproeien met de plantenspuit en verder op bed laten liggen,” had de huisarts gezegd, terwijl hij een blik in mijn moeders decolleté wierp. “En dan komt alles weer goed.” Je kunt slechte dingen alleen bestrijden door zelf de eerste te zijn. Mijn moeder sproeide twee dagen lang de blaren af. Ik lag op bed en ik staarde naar het plafond, misselijk van de hitte op mijn huid. Twee dagen heb ik daar gelegen en elke seconde is me bijgebleven. Alles kwam inderdaad weer goed, al heeft niemand heeft me ooit nog gevonden. Mijn moeder niet, de leraren niet, ome Harie niet.
Alleen jij.
Jij wist al lang hoe de oventruc werkte.
Natuurlijk.

Straks is het Jnnk Santiago

1.
Ik moet zo speechen op de bruiloft van Jnnk. Als dit postje online komt dan heb ik het net achter de rug.
Voordragen is peanuts, een praatje op een bruiloft is killing.

2.
Ik heb maar tien minuten om dit stukje te typen.

3.
Ik draai de hele week alleen maar Reading, writing en arithmetic van the Sundays.
Alweer.
Zo moet immers het leven zijn.
Luister maar:

4.
Ik heb de speech met blauw moeten printen want de zwart is weer eens op.

5.
Hé, volgens mij gaat mijn platenspeler te snel. Dat Youtubefilmpje klinkt veel trager.
Misschien een teken van de kosmos dat ik niet zo moet haasten.

6.
Ik heb nog vijf minuten.

7.
Dit heb ik geschreven voor zo meteen:

In 2006 werkte Jnnk bij een platenzaak achter de toog. High Fideletietje spelen noemden ze dat destijds, en omdat ik zelf ook wel graag High Fidelity was hing ik daar geregeld rond om plaatjes te luisteren en te kletsen. Zo ook die dag. Het was een zonnige zomerdag in juni toen ik de platenzaak binnenliep, alwaar ik Jnnk languit hangend over de balie aantrof. Toen ik de trapjes van de zaak afliep naar de balie toe, tilde ze haar hoofd op. Ze had een vage glimlach om haar mond en haar ogen hingen een beetje dicht.
“Haaaa,” zei ze, en rolde van haar buik op haar zij, haar armen gestrekt langs haar hoofd.
“Ha,” zei ik. “Wat is er met jou aan de hand? Ben je ziek?”
“Nee hoor,” zei ze met overslaande stem. “Ik voel me echt heel erg goed juist.” De blosjes op haar wangen waren zo rood dat het leek of ze gedronken had. Ik had door de grapevine wel gehoord dat ze er erg aan toe was, maar dat het zo erg was had ik niet aan zien komen. Naast me kwam een jongen aan de balie staan.
“Moest jij eigenlijk ook een cd?” vroeg Jnnk aan me. Ik schudde mijn hoofd.
“Zeg het maar,” zei ze vervolgens tegen de jongen, nog steeds over de toonbank gedrapeerd.
“Euhm. Heeft u misschien ook Big Shots van Peanut Butter Wolf?” vroeg de jongen.
“Wie?” zei Jnnk terwijl ze zich van de balie liet glijden. “Wat is dat?”
“Hiphop,” zei de jongen.
“Big Shots van Peanut Butter Wolf,” zei ze en liep naar de cd-kast achter haar. Het was even stil. “Wat zei je nou ook weer?”
“Peanut Butter Wolf,” zuchtte de jongen.
Ze ging door de plastic mapjes met cd’s. Even. En toen gebeurde er een tijdje niks.
De jongen keek me aan. Ik haalde mijn schouders op.
“Euh, Jnnk?” vroeg ik.
“Huh?” zei Jnnk.
“Big Shots,” zei de jongen.
“Van Peanut Butter Wolf,” zei ik.
“O ja,” zei Jnnk. Ze begon weer te zoeken.
De jongen tapte met zijn voet op de grond, haalde zijn neus op, keek even quasi geïnteresseerd de zaak rond. Toen klonk vanaf de kast met cd’s achter de toog gelach. Jnnk draaide zich om.
“Ik ben het wéér vergeten,” riep ze gierend.
De jongen draaide met zijn ogen en zuchtte.
“Sorry,” zei ze, “maar ik kan ‘m vandaag echt niet vinden. Ik ben ook zo ongelofelijk verliefd,” De jongen beende de zaak uit en Jnnk vouwde zich weer over de toonbank. Ze keek me aan. Glazig.
“Moest jij eigenlijk ook nog een cd?” vroeg ze.
“Vind jij het vervelend als ik tegen iedereen ga zeggen dat er werkelijk geen land met jou te bezeilen is?” vroeg ik.
“Kun je het zien?” vroeg ze. “Dat ik zo verliefd ben?”
“Mwoa,” zei ik. “Valt wel mee.”
Toen was het weer stil. Buiten reed een scooter voorbij. De muziek was opgehouden met spelen. Boven de deur tikte een klok.
“Nou, dan ga ik maar weer,” zei ik.
Ik tapte op haar hoofd en ik kreeg een kus. Toen ik de zaak bijna uit was klonk er nog een diepe zucht, gevolgd door een kreun.
Het was begonnen.
Niks meer aan te doen.
En de rest, lieve mensen, de rest is geschiedenis.

8.
En deze heb ik niet zelf geschreven, maar die ga ik wel voorlezen.

Kilk!

9.
Wel of geen extra jurk mee voor het avondfeest? Wel of geen extra jurk mee voor het avondfeest? Wel of geen extra jurk mee voor het avondfeest? Wel of geen extra jurk mee voor het avondfeest?

10.
Ik ben zenuwachtig!