Inkomende mail

Van: Als ik er ben dan bel ik*
Onderwerp: “Vijf?!”


Vijf koeien dood door aanrijding

GRUBBENVORST (ANP) – Vijf ontsnapte koeien zijn in de vroege
donderdagochtend om het leven gekomen doordat ze op de Horsterweg in
Grubbenvorst (Limburg) werden aangereden door een personenauto**. Dat maakte
de politie bekend.

De auto van de 55-jarige bestuurder uit Grubbenvorst raakte daarbij total
loss. De man bleef ongedeerd. De koeien waren uitgebroken door een gat in
het hek rond hun weiland aan de Horsterweg. Het gat was ontstaan bij de
diefstal van een tractor die in de wei stond.

*Het blog waar het nog immer jammer van is dat het ooit op zwart ging.

** Reactie broer, ook uit Grubbenvorst:
BROER
Wat?! Pap?

HMDODHBS
Bestuurder pas 55.

BROER
Gelukkig.

HMDODHBS:
knikt

Ces bottes sont faites pour marcher

1.
Uitgaande sms vanaf de fijne camping van de ouders van Jop, 12 juli, 15u12, naar Jnnk:
Net een enorme klauterwandeling gemaakt van een uur of vier met laarzen op hakken over rotsblokken en langs een ravijn, zónder dood te gaan! Hoezee! Nu op Camping van Jop van d’n Lee, erg mooi en rustig en fijn, maar wel met allemaal gezinnen. Met allemaal welopgevoede kind’ren, dat wel, maar ik ben wel eens van minder depressief geworden.
Morgen rijden we naar Barcelona.

2.
Campings en vakantie in het algemeen doen bij mij altijd het gevoel herleven van vroeger toen ik op vakantie ging. Ik kan mij niet herinneren dat ik me ooit op mijn gemak heb gevoeld op vakantie. Nu voel ik mij überhaupt niet gauw op mijn gemak, of ja: wel soms, op plekken die als een kroeg zijn of zoals mij huis, maar die liggen op vakantie natuurlijk niet ongelimiteerd voor het oprapen. De bar van camping of de tent, of dat restaurantje waar we net zo vreselijk lekker aten (bloedworst vooraf, eend als hoofdgerecht) daargelaten.
Vakantie en campings en zwembaden doen me denken aan mezelf, honderd jaar terug, bibberend in een badhanddoek met een vanille-ijsje in een plastic trechtervorming bakje met een kauwgombal onderin in mijn hand terwijl ik keek naar de kinderen die in het zwembad plonsden of rond de pingpong-tafel renden.
Dat het allemaal leuk was en dat er allemaal leuke kinderen waren.
Dat iedereen blij was en speelde en dat ik daar dan stond en het gevoel had dat iedereen naar me keek, terwijl er niemand naar me keek.
Gelukkig was daar altijd de broer.

3.
We zitten in Vichy op een terras.
“Het speelt je allemaal af in je hoofd.”
We kijken naar de mensen die voorbij lopen.
Iedereen die ik zie ziet er ongelukkig uit vind ik en ik ben ineens panisch dat dit mijn voorland is. Hoe kun je in ‘s hemelsnaam als stel het groote sleuren ontwijken?
Naast ons schuift een gezin met zeer lelijke kinderen aan.
Ik begrijp niet hoe mensen ontspannen van vakantie kunnen komen.
“Je kunt niet op vakantie steeds helemaal euforisch rondlopen. Dat kan helemaal niet. Dat is helemaal niet normaal.”
Ik denk catastrofaal.
Altijd.
Ik weet dat wel.
Ik haat het als andere mensen gelijk hebben.

4.
“U kunt dit stuk echt niet lopen op die schoenen,” zegt een mevrouw met een zeer uitgebreide wandeloutfit in het Frans. Ik versta helemaal geen Frans, maar dit is wat ik opmaak uit haar woorden en haar wijzen naar mijn schoenen, naar mijn bloemenjurk en naar haar voorhoofd.
“Bfofff,” puf ik op z’n Frans terug.
“Be very very careful,” drukt ze me met grote ogen op het hart.
“I will,” zucht ik.
We lopen verder.
Ik heb kekke grijze laarzen waarmee ik ook Berlijn een half jaar terug doorkruist heb, soms wel drie uur uur per dag. Ces bottes sont faites pour marcher. Ook al hebben ze een hak van zeseneenhalve centimeter. En is Berlijn geasfalteerd.
Soit.
Twee uur lang klauteren we over rotsblokken en boomstronken omhoog naar een waterval. Daar zweet ik als een otter en drinken we water uit een fles.
“Nu nog terug,” puf ik. Ik ben er bang voor, want twee uur dalen op hakken zonder profielzolen is een stuk lastiger dan klimmen.
Het gaat wonderwel best aardig, die weg terug.

5.
Ooit kwam ik na een stukje oever tot oever te hebben gezwommen de bizonbaai uit. Zo uit het water herrijzend als een fenix uit het vuur voelde ik me Halle Berry in een James Bond. Met wiegende schouders en een, al zeg ik het zelf, pronte kont stapte ik de oever op.
Ik voelde mij geweldig.
Iedereen keek.
Om meteen na de eerste stap op het hete zand ineen te krimpen en al “Aiaiaiaiaiaia” roepend en verder hinkelend, uiteindelijk met veel moeite en spastisch dansend mijn badmat te bereiken.

6.
Ik ben blij dat ik schrijver ben en geen acteur.

7.
Al dalend vanaf Gorges du Cady raakte ik een beetje in een trance. Steeds zo opletten als je de ene voet voor de ander zet op steen en stukken mul zand langs een afgrond, maakt dat je het meeste van je sores vergeet.
Campings.
Gezinnen.
De sleur die ons wacht als we oud en uitgelodderd zijn.
Ik zweefde op een gegeven moment over de rotsen.
“Ik ben een hinde! Ik ben een hinde!” zong ik tegen terwijl ik met mijn armen wapperde en een paar sprongetjes over een richel maakte.
Om vervolgens meteen uit te glijden en op mijn kont te belanden.
“Ja ja, een hinde!” klonk het vanaf de andere kant van het rotsblok, alweer een meter of honderd verderop.
Ik veegde de klont gravel van mijn kont en stapte weer verder.
Mij kregen ze er niet onder.

8.
Ik ben blij dat ik schrijver ben en geen acteur.

9.

10.
Aan het einde van het bos, aan het einde van de tocht ben ik nog heel en d’n D. ook, ook al loopt hij wel een stuk op me voor. Ik heb een kek jurkje en mes Bottes nog aan en aan de rand van het bos zie ik d’n D. bij de kleine dam van de waterzuiveringsinstallatie staan. Naast hem kijkt een belegen echtpaar in het water. Ze hebben dezelfde uitgebreide uitrusting als het echtpaar dat we vier uur terug tegenkwamen, toen ik nog heerlijk fris en fruitig ruikend het bos instapte.
Snel fatsoeneer ik mijn haar, veeg ik het zweet van mijn heufd met de punt van mijn jurk, fatsoeneer ik mijn jurk en adem ik flink in.
Ik zet mijn ontspanendste glimlach aan en loop het stel, dat nu richting pad het bos in loopt.
“Bohsjoer!” roep ik op mijn beste Frans als ze me passeren.
De vrouw groet me terug en kijkt vervolgens afkeurend van mijn jurkje naar mijn schoenen.
“Zag je dat?” roept d’n D. vanaf de dam. “Hoe die keek?”
“Hoezee!” roep ik.
Er zit nu een gat in mijn zool, maar dat maakt niet uit.
Ces bottes sont faites pour marcher

11.
Morgen naar Barcelona.

12.
De bar van de camping gaat dicht, weet u wel, daar waar ik me altijd thuisvoel, in barren en huiskamers, dus ik heb gans geen tijd om te checken of hier nog spel- (nee! zet-!) fouten of kromme zinnen inzitten.
Dus vergeeft u mij.
In Barcelona maak ik het goed.
(Of thuis, ken mij ‘t schele.)