Het is vroeg

1.
Het is bloody half acht in de ochtend en ik denk: “Dit is het beste kopje thee van de week.”
Downwards from here, lieve mensen.

2.
Ik droomde vannacht dat ik ontsnapte tijdens een overval, met d’n D. wegscheurde in zijn Mercedes en dat we ons verstopten in het bos. Toen ik wakker werd moest ik denken aan dat ik het als kind altijd zo vreselijk vond om wakker te worden na een nachtmerrie, omdat er schaduwen op de muur waren en dat de geluiden van de kersenboom in de tuin buiten ineens klonken als mensen die via de muur naar binnen wilden klimmen en dat er niemand naast me wakker werd die een arm om me heen sloeg en “ach toch” zei.
Vannacht was ik blij.

3.
Misschien sliep ik wel onrustig door het veel te corpulente en dure en lekkere eten gisteren alhier.
We aten ham uit de achterhoek en parelhoen uit weet ik veel waar uit de buurt en misschien wel duizend soorten wijn uit de Pfalz.
Maar het was denk ik de kaas op het eind die me vannacht genekt heeft.

(Om zoveel decadentie te compenseren wil ik u gaarne, en als u het gelooft: zonder cynisme, even wijzen op de stand van zaken in Congo: Kilk!)

4.
Ja, stenig me maar: ik ga zo naar de Intratuin.
Ook als compensatie.
Op de fiets.
Dat wel.

5.
Al met al het nul woorden tellende gevoel van de laatste acht uur:

lekker-pitten.jpg

Nieuw huis

1.
Ik ben net verhuisd en mijn huis ziet eruit alsof er een bom is ontploft. Ik heb per ongeluk uit het berghok van mijn broer niet alleen mijn eigen doos videobanden meegenomen maar ook een doos met ouwe videobanden van hem. Ik hou van videobanden omdat ze voorfilmpjes hebben, voorfilmpjes van ouwe films waarin Nicole Kidman nog krullen heeft en haar voorhoofd kan bewegen en waar er houseparties worden gehouden door jongen met een blockhead-kroeshaar-kapsel en ook waarin een meneer uitlegt hoe goed dat nieuwe DVD wel niet is. Ik weet nog dat ik destijds “wat een onzin” dacht. Ik hou van het trillen van het beeld van een videoband en ik hou ervan als ik er eentje repareer die het niet doet.
Ik kijk de kamer rond.
Alles kastjes schudden hun hoofd en wuiven hun handen afwerend.
“Vol!” roepen ze.
Ondertussen krijg ik een sms van het berghok van mijn broer. “Ik wist wel dat ze me zouden missen.”
Zuchtend zoek ik mijn lievelings uit.

2.
“Maar dat kun je toch gewoon in een kast leggen?”
“Ja, maar ik kijk er gewoon graag naar.”
“Zo te zien kijk jij naar alles graag.”
Ik kijk om mee heen en alles is bezaaid met… Tja… Met alles.

3.
Alles wat ik aanraak valt uit elkaar of om. Ondertussen zit de kat net buiten de deur op de mat te gniffelen. Ze mag niet naar binnen van me, dus ze vindt het erg grappig wanneer ik “auw!” “juu” of “fuk” roep. En als ik haar een boze blik wil toewerpen, vouwt ze haar armen over elkaar en kijkt ze, een lach in houdend, over haar schouder de tuin in.
Zal me leren.

4.
Volgens mij ga ik hallucineren van die vloerolie van m’n nieuwe vloer. De kat en de kastjes praten en ik kreeg zojuist een sms van een berghok.

Annabel

Het schijnt dat verbranden de pijnlijkste dood is, zei Annabel een keer.
Maar hoe weten ze dat? Hebben ze een enquête gehouden onder alle dooie mensen? Soms stellen mensen zulke domme vragen. Dan vragen ze of het te begrijpen is hoe iemand zich voelt en dan vragen ze zich af of het te vergelijken is.
Dood blijft kut, zoiets zei ze. Enkele uitzonderingen daargelaten.
Als Annabel een stijlfiguur was geweest dan was ze beeldspraak, hoe lelijk dat ook klinkt. Want misschien is ze dat wel echt, een stijlfiguur, en zien wij de wereld en taal en letters gewoon verkeerd. Is Annabel dat wat we eigenlijk bedoelen. En als we dan toch in de lelijke beeldspraak zitten dan ben ik wel de pointe. De pointe die volgde op een veel belovend verhaal en vervolgens tegenviel.
Ik werd met de zuignap gehaald toen ik geboren werd, want ik zat klem.
Met een punthoofd geboren, zei Annabel.
Wij kennen elkaar allang, dat weten we zeker.
De eerste dag dat Annabel en ik elkaar zagen, zagen we eigenlijk nog niets. Zij aan zij lagen we in een plastic bakje dat voor wieg doorgaat op de kraamafdeling en we hoorden elkaar, daar, die eerste nacht. We hoorden elkaar ademen. Dat de hartslagen van onze moeders weg waren, het suizen van het bloed, het gepruttel van de darmen en dat het stil was. Alleen het ademen van mij en alleen het ademen van Annabel. Het snelle ademen van twee baby’tjes in een plastic bakje op een nachtelijke kraamafdeling. Af en toe een smakje, een snik of een snurk. Na al het geweld, door dat geboortekanaal en de schok van het eerste licht, en het eerste harde geluid lagen we daar. Ik las ooit dat ze baby’tjes die erg ziek zijn wel eens een nachtje bij een andere baby leggen en dat die zieke baby’s dan vaak beter herstellen. Ik denk dat we minder bang waren omdat we de ander hoorde. Mijn moeder zei dat het de nacht van onze geboorte flink noodweer was en dat het flitste en donderde toen. Het brein van een baby is nog een soort pulp. Waar nog maar één lijntje ligt van receptor naar receptor: die van “ongemak” naar “huilen”. En dat lijntje heeft nog helemaal geen idee waar al die informatie vandaan komt. Maar door steeds wat meer trial and error leert zo’n beestje. Als ik huil komen ze naar me toe. Als ik lach vinden mensen me lief. Als ik huil komen ze ook als ik stiekem geen honger heb. Als baby denk je dat de wereld een onderdeel van je is. Dat je moeder uit jou groeit, wat omgekeerd evenredig natuurlijk wel een kern van waarheid bevat, maar goed. En op een dag snap je, doordat er steeds meer verbindingen in die pulp van je worden gemaakt dat die anderen helemaal geen deel van je zijn. Dat ze helemaal niet door hebben wat je bekokstooft. En dat je dus ook dingen stiekem kan doen. En dat, lieve mensen, is het begin van het einde. Want we willen allemaal terug naar het moment dat we één waren met de ander. Terug naar het moment dat anderen nog onze gedachten leken te lezen. Ik weet niet of Annabel in de baarmoeder al wist wat een mens te wachten staat. Ze kwam veel te laat, en toen ze haar wilde halen toen kwam ze nog niet. Alsof ze op me gewacht had. Ik hoop dat vaak en dan zeg ik dat ook. Dan kijkt Annabel uit het raam en dan vertelt ze het me nog een keer, van hoe het ging. En dat geboren worden een soort van doodgaan is en dat daar duizenden manieren van zijn. En dat we geluk hebben gehad. Dat we dat nooit mogen vergeten. Dat mag je nooit vergeten.
Ik beloof haar dat altijd.
Als iemand het me zou vragen, hoe het was, dan zal ik het altijd zo vertellen.
Van hoe we daar lagen in die plastic bakjes, als kipfiletjes in de vitrine van de supermarkt. En dat het daar stil was in de vroege ochtend na al dat natuurgeweld. dat onze moeders een stuk verderop in een andere kamer sliepen en dat wij daar lagen, in de stilte, te luisteren naar elkaars ademhaling en dat er langzaam een stroompje in de pap in ons hoofd het ergens begon te begrijpen.
Ik ben niet alleen.
Jij bent er.