En de nummer 4 die niet meer in de Trilogie van de eenzaamheid paste omdat het anders geen trilogie meer was, maar ook omdat het te gezellig klinkt voor ‘n trilogie van eenzaamheid

4.
Tijdens mijn wandeling zag ik drie keer een man die voor een huis stond te dralen. Eentje stond in een voortuin naar de fietsen te kijken, één stond met zijn handen in zijn zakken te ijsberen op het tuinpad en eentje keek gehypnotiseerd naar een garagebox terwijl er om zijn voeten blij een hondje heen en weer kwispelde.
Drie keer dacht ik: die man is gek. Die voert iets in zijn schild.
En drie keer ging, terwijl ik voorbij liep, de voordeur open en kwam er een dame naar buiten die blij de man begroette.

“Ik heb de hond meegenomen,” zei de laatste man in antwoord op de begroeting.
Het hondje sprong kwispelend tegen de dame op.
“Wat een lieverd!” zei de dame.

Ik liep door.
Ik leer niet bij.
Hoe vaak dralende mannen bij voordeuren ook omhelsd worden.

Zak chips

Overigens: ik ken iemand die iemand kent die Jacques Sips heet.

Een trilogie van de eenzaamheid

1.
De meneer naast me aan de kassa heeft waterige ogen en draagt een waxjas die te groot is, ook al is de man zelf ook niet dun. Ik kijk om naar ‘m omdat ik wil weten wat er zo ruikt naar natte was die te lang in de wasmachine heeft gezeten.
De meneer dus.
Hij legt voorzichtig een zak Euroshopper paprika chips op de band en kijkt treurig voor zich uit terwijl hij wacht tot hij aan de beurt is.
Als ik nog mijn boodschappen aan het inpakken ben, loopt hij me voorbij naar buiten toe. Terwijl hij loopt trekt hij de zak open en begint hij te eten. Misschien houdt dat hem van de gedachte af dat zijn jas stinkt of dat zijn vrouw dood is. De vrouw die zo lekker kon koken of waarbij de was altijd rook naar wind en zon.

2.
Een mannetjeseend loopt door de verlaten winkelstraat. Ik maak een wandeling want ik heb de hele dag binnen gezeten, met uitzondering van een tripje naar de supermarkt, en ik voel me als een bankstel met een dekentje. Stoffig.
De eend kwaakt voor zich uit en hij loopt snel. Hij lijkt in paniek. Alsof hij iets zoekt. Of iemand. Een vijver. Een vrouwtje.
En terwijl hij zo door de eindeloze winkelstraat snelt, eet hij toch nog haastig de etensresten die hij tegenkomt. Gulzig. Alsof zijn leven ervan afhangt.
Ik denk aan hoe ik de eend zou vangen en ‘t beest naar een vijver zou brengen en hoe blij die eend zou worden van deze daad. Hoe gelukkig ‘ie zou zijn.
Ik sla een hoek om. Zijn gekwaak klinkt nog twee hoeken verder.
Ik keer me niet om.
Ik ben geen held.

3.
Op het midden van de Waalbrug kijk ik naar het zwarte water onder me. Tijdens de wandeling heb ik de dingen die in mijn jaszak zitten talloze keren door mijn handen laten gaan. De dingen die gaandeweg de week overal vanaf geflikkerd zijn, en geloof me: bij mij valt zo gaandeweg de week van alles uit elkaar. De schroeven in het rek op mijn fiets, een nagelknipper (waarmee ik weer een tie-wrap die aan mijn fietsrek zat en een gat voor een nieuwe schroef blokkeerde doorknipte in de fietsenstalling op het station, om na gebruik meteen uit elkaar te vallen), de veer uit een balpen, het pinnetje van een haarklip en een spijker.
Ik hecht me snel aan dingen, dus gaandeweg de week steek ik alles dat valt in mijn zak.
Op de Waalbrug kijk ik naar de stad.
Ik denk aan hoe ik me niet kan voorstellen dat er mensen zijn die niet in Nijmegen willen wonen.
Ik denk aan de Waalbrug is thuuskomme.
Er staat een straffe wind en de stoffigheid is zo goed als weggewaaid.
In mijn zak rinkelen de dingen die uit elkaar vielen.
Één voor één laat ik ze in het water vallen.
Minuscule plonsjes onder me in het Waalwater.
Als alles onder me is verdwenen klop ik mijn handen uit.
“Gauw naar huis,” denk ik. “Voordat iemand denkt dat ik ga springen.”
Met een montere tred wandel ik naar huis.
Zonder gekwaak.
Zonder zak chips.

‘t Benne woelige tijden

~Of: je maakt wat mee, tegeswoordigs.~

1.
Ik zag een man met een houten been. En niet gewoon een houten been, neen, het was een blok open haard-hout dat met een touw aan zijn bovenbeen was vastgebonden. Er zat nog een extra stok aan vast, waarmee hij zijn been vooruit kon zetten.

2.
“Wat zoek je? Ben je iets kwijt?” vroeg ik toen ik d’n D. met zijn mobiel op de klinkers van de Markt zag schijnen.
“Kijk.”
D’n D. wees naar een dikke zwarte tor van wel vier centimeter lang.
“Wat is er?” vroeg ons Linda, die ook met de fiets aankwam.
“Kijk.”
“Jeuzus.”
We wenkten de jongen die voorbij fietste en ook twee rokers die voor de deur van de kroeg stonden kwamen kijken. Iemand haalde de barvrouw achter de bar vandaan.
Zo stonden we laat op de avond met zeven man gebogen over de zwarte tor die zachtjes glom in het licht van de straatlantaarns.

3.
Uitgaande facebookstatus, HMDODHBS:
Ik zag een meneer die een blok hout met touw aan zijn onderlijf gebonden als been had. Gewoon op station Ernhem. (Zit hier ‘n tijdgat? Wist ik niks van.)

Douchegordijn
Bij de bouw van de nieuwe perrontunnel hebben ze per ongeluk een tijdvortex blootgelegd. Ik zag er net een ridder.

HMDODHBS
Gezelligheid! *zoekt melaatsenratel*

Marian Boyer
Ja, zo doen ze dat in Erhnem.

Baco Pirelli
Het vacuüm zat vroeger bij Ede-Wageningen. Zal wel iets met de reorganisatie van doen hebben.

Czost
Hij reist er wel mee, ik zag ‘m woensdag op station Sloterdijk. Want het lijkt me onwaarschijnlijk dat er 2 rondlopen.

HMDODHBS
Hij stapte uit in Driebergen-Zeist. Quite de wereldreiziger.

Marian Boyer
Die in Sloterdijk is bestolen door die in Arnhem; suffe mankepoot

Maus
Wat is er zo bijzonder aan een man met z’n vrouw op het station?

4.
torre.jpg