Antonette wil dood, deel XXIII

“Volgens mij moeten we gewoon af en toe aan onze relatie werken,” zei Antonette in het donker van de nacht in bed, waarop Harold stante pede deed alsof hij sliep.

De jongens en het bier

Het geluid van een blikje dat geopend wordt klinkt over het perron.
Een driftig in zichzelf pratende Noord-Afrikaanse jongen houdt het blik, waar ik een halve liter Schultenbräu in herken, voor zich uit terwijl hij met zijn ogen naar de hemel gericht praat zonder geluid. Meteen daarna zet hij het blik aan zijn mond en drinkt hij, een hand met de palm naar boven, alsof hij regen op wil vangen en nog steeds zijn ogen wijd opengesperd naar de hemel.
Niet doen, denk ik terwijl hij ritmisch een slok of tien naar binnen werkt. Nu niet ook nog eens bier gaan drinken. Niet als je al zo gek bent.

***

MEISJE (lachend)
En dus heb ik twee weken bij je broer lopen klussen, gratis, en zit hij met een mooi huis voor niks en hij is al zo rijk en ik… Ik heb helemaal niks.

JONGEN (ook lachend)
Ach jij…

MEISJE (nog steeds lachend)
Ja, en dan ga jij ook nog eens vreemd.

JONGEN (lachend)
Tja, haha.

MEISJE (toch echt nog steeds lachend)
En dan gaat het uit!
Zit jouw broer met zo’n mooi huis.

JONGEN (lachend)
Maar dat is nu toch al vijf jaar geleden?
Of misschien wel zes!

MEISJE (lachend)
Ja, nu lach je als een boer met kiespijn, hè.
Nee, dat is niet leuk, hè.

Ze geeft hem een amicale schouderklop en lacht luid en laag.
Ze stappen in.

***

Tegenover me in de trein zit een bleke dikkige jongen met een bril en een dure telefoon overdwars in zijn handen. Uit de dopjes in zijn oren klinkt luid het geluid van een mitrailleur en hij ligt onderuit gezakt over een tweezitsbank heen.
Als de jongen een wending met het, ik gok in tegenstelling tot de Schultenbräu maar wat, gevechtsvliegtuig wil maken draait hij met een schok zich rechtop. Zijn knieën stoten tegen de mijne en een grote buik met een zwart shirt en geel doodshoofd komt uit zijn jas tevoorschijn.
Zijn ogen kruisen kort de mijne. Zo kort dat ik niet kan zien of hij zich verontschuldigt of juist geërgerd is. Of hij naar me wil lachen of niet.
Zijn vingers schieten door over het schermpje van zijn telefoon.
Ik ben er niet, denk ik.
Hij is bezig de wereld te redden.
Daar kan ik niet tegenop.

Misschien moet ik opspringen en iets naar hem roepen.
Iets in de trant van: o verlosser.
Of: o heer.
Ik denk aan jongens in gevechtsvliegtuigen.
Ik denk aan jongens met bier.
Ik denk aan ouwe mensjes die sterven en buiten schiet Hollandsche Rading voorbij.
Ik denk aan jongens die bang zijn ’s nachts.
Ik denk aan jongens die andere jongens aan stukken snijden.
Ik denk aan schieten en hoe ik van niks weet, hier in de trein met die minilaptop.
O heer.

En ik schaam me.
Want ik denk bovenal:
ik heb een biertje nodig.
Een koud glas bier.
Of voor mijn part een blik.

En een boutje en moertje en een schroefie en een nibbeltje

“Da’ kan nooit,” zegt de man naast me aan de balie van de Wanco. Naast hem staat een grote vrouw met grove gelaatstrekken. Ze heeft een kunstgebit, zie ik door de brede lach die ze heeft. Ik vind haar te jong voor een kunstgebit. Ze doet me ergens aan denken. Ze kopen een hele grote lijmspuit.
“Da’ kan echt nooit,” zegt de man nog eens. Hij kijkt kwaad.
Ik glimlach.
Ja ja, denk ik. In de kroeg zeggen ze ook zo vaak dat het niet kan, maar het kan altijd.
“Ies roestvrij staal,” zegt de Poolse jongen achter de kassa. Volgens mij is hij nieuw.
“Zes euro voor vier van die schruufkes?”
Ik hou van de Wanco. Het is zo fijn om daar tussen de schappen door te lopen, in bakjes met schroefjes te graaien, om te luisteren hoe de mannen daar met elkaar praten. Ik hou ervan om in mijn rok, hoge hakken en lange jas naar de boormachines te kijken alsof ik daar heel veel verstand van heb. Bij de Wanco heeft men nog vertrouwen in de mens, daar mag je gewoon zelf zeggen hoeveel dat schroefje kost.
“Ja, het is duur tegenwoordig, hè?” zegt de vrouw en ze lacht haar tanden nog bloter. Ik moet steeds naar de grijze randjes tussen haar tanden en tandvlees kijken. Ik haal mijn pas door de pinautomaat.
“Ongelofelijk,” zegt de man en hij slaat op de balie. Hij draait zich een beetje van ons af. Hij kan het niet aan.
Ik hou zoveel van de Wanco dat ik dat inderdaad geen raar bedrag vond. Bij de Subba betaal je immers ook veertien euro vijfennegentig voor een lullige opscheplepel uit India, dus ja, waarom zou de winkelbeleving van de Wanco niet worden doorberekend in en prijs van een schroef met een al dan niet roestvrij stalen vleugelmoer? Het is meditatie aldaar, wat ik u brom.
“Nu begin ik ook te twijfelen,” zeg ik als de jongen mij m’n bonnetje geeft. Ik spring even tussen de schappen.
“Juu!” roep ik.
Ik heb een euro teveel per schroef doorgegeven aan de balie.
“O nou, haha,” zegt de vrouw. “Ja, wij zijn zuinige klussers.”
De man kijkt kwaad. Heel kwaad. Hij haat mij.
Ik krijg vier euro terug van de jongen achter de balie.
“Dat zou ik eigenlijk aan jullie moeten geven,” zeg ik lachend. De ogen van de vrouw gaan ineens stralen. Iemand wil haar iets geven. Dat gebeurt haar nooit.
“Maar jullie krijgen mijn eeuwige dank,” krabbel ik terug.
“Minstens de helft moeten we krijgen,” zegt de man. Hij kijkt me niet meer aan. De vrouw kijkt teleurgesteld.
“Minstens de helft.”
Ik gooi de munten in mijn portemonnee.
“Bedankt hè,” zeg ik als ik de deur opentrek. “En ik zeg maar zo: de goeie daad van vandaag heeft u in ieder geval weer gedaan.”
“Alweer eentje, ja,” zegt de man. Hij heeft een rooie kop. De deur valt dicht.
De wereld zit vol met mensen die je willen oplichten, denkt de man, die je willen oplichten en je dan ook nog je verdiende twee euro ontnemen. Oplichters zijn het. Die Polen en die vrouwen al helemaal. Vooral die dames met die hakken en die gestifte lippen, nee, daar houdt de man helemaal niet van. Oplichters zijn het. En ze loopt nu gewoon vrolijk met mijn twee euro naar buiten. Minstens de helft heb ik verdiend, denkt de man, minstens de helft.

Buiten miezert het.
Ik gooi mijn hoofd in de nek en de miezer legt een laagje op mijn gezicht.
Had die dromerigheid me bijna weer eens geld gekost.
Alweer.
En nu ben ik ineens vier euro rijker.
Winst over de ruggen van brave burgers.
Fluitend stap ik op de fiets.
Wat hou ik toch van de Wanco.

***

O, en trouwens, de vrouw deed me aan deez’ dame denken: KILK