2010

***

Het is nog 2010.
Ik weet niet of het een goed jaar was.
Nee. Stop.
Ik weet van wel.
Ik weet heus wel van wel.
Eind goed, al goed, zeggen ze.
Vorig jaar rond deze tijd: als ik eraan terug denk lijk ik wel een ander mens. Een ander mens in hetzelfde hoofd.

***

Oudejaarsdag, ik loop door de supermarkt met een mandje en een plastic tas met mijn drie kilo wegende laptop. Karretjes botsen tegen elkaar aan, mensen praten, lachen, lopen chagrijnig door de paden met chips en drank met hun mandjes en kinderwagens. Ik moet bubbels. Veel bubbels, maar niet teveel, want vorig jaar op het feest al om twee ’s nachts omgevalle’.
“Zeg, is dat Hendrix die daar de muur omhoog staat te houden?” scheen Zwar destijds gesproken te hebben. En ja: het was Hendrix.
Mensen veranderen niet, hoor ik mezelf wel eens zeggen.
Maar ik heb maar soms gelijk.

***

Blegh smsen Fem en ik al de hele dag heen en weer en dat dan variërend van “Blegh…” naar “Blegh!” en van “BLEGHGHGHRRR!!” naar “Bareuh”. Want “Bareuh” is ook een soort van “Blegh”. Natuurlijk.
Het is fijn, zo iemand als Fem, die dit soort dagen ook niet zo goed trekt. De vrolijkheid, de grijze dagen, de sneeuwsnot en de volle winkelstraten, de familieaangelegenheden. En dat op zich valt nog allemaal wel mee, want ja: gezellig.
En wij zijn gek op gezellig.
Heus wel.
Maar als alles gezellig is en dat dan niet gezellig vinden: dat is decadent.
Decadent, stom, slecht en bovenal ongezellig.
Wij zeggen: innerlijke frictie.
En innerlijke frictie heet “Blegh”.
Doet u maar mee: met tong uit de mond naar het scherm BLEGH! roepen.
Echt waar, dat helpt.

***

(tromgeroffel)
De Groote Oud Hollandsche Goede voornemens voor 2011:
1. Ik doe eigenlijk niet aan goede voornemens
2. Maar goed, nu u hier toch bent
3. Minder praten
4. Meer fietsen
5. Minder drinken
6. Echt waar! Nou ja zeg, wat is dat nou voor gegrinnik? (En waar blijft die bemoedigende schouderklop?)
7. Meer autorijden (dat kan heus wel in combinatie met 4.)
8. Wasmand op fiets vervangen door rieten mand
9. Platte schoenen kopen (of: niet meer klagen over kapotte knieën)
10. Minder slechte gedachten hebben over willekeurige voorbijgangers (of gewoon minder slechte gedachten in het algemeen)
11. Minder weblogstukjes zich in de supermarkt laten afspelen
12. De dubbele punt in ere herstellen (sorry dat ik ooit zo slecht over je dacht)

***

Het is nog 2010.
In supermarkt sta ik in de rij om af te rekenen. Ik glimlach naar het meisje achter me en die glimlacht terug. Tussen haar boodschappen liggen konijn, luxe nootjes, flesjes tripel en krieltjes om te bakken. Rucolasla, een fles Royal Club cassis. Light. U kent het wel.
Tussen mijn balkjes liggen ‘n potje humous, een pakje crackers en een fles bubbels en voor Baco P. een blik bonzo en een zak paprika chips. Wij vinden dit heus niet beladen dus kopen wij wat we altijd kopen, Baco en ik. Het meisje eet vast niet iedere week konijn. Vast niet.

***

Inkomende sms, 18u20, van Fem:
IK BEN VERGETEN NAAR DE SUPERMARKT TE GAAN!

Ik koop wat ik altijd koop.
Dat is handig.

Uitgaande sms, 18u23, naar Fem:
Ik had nog een noodfles bubbels in de koelkast. Neem ik wel mee. Verder: humous, paprika chips. Is goe’?

***

Buiten ligt er sneeuwprut en ruikt het naar oliebollen. Halverwege naar huis kom ik Rod tegen, waarmee ik vorig jaar in mijn ouwe leven dezelfde avond als vanavond vierde. Ik zie hem niet meer zo vaak. We stoppen in de sneeuw.
“O, dáár ben je!” roep ik.
“Ja, waar bleef je nou?” zegt Rod.
Het gaat ons goed, vertellen we elkaar en gek genoeg geloof ik ons.
The only way is up, dacht ik vorig jaar toen ik de muur stond overeind te houden.
En up it is.

***

Het is nog steeds 2010 en de letters die u nu leest worden op moment van schrijven geschreven in de kroeg. Mijn kroeg. Onze kroeg. We zijn hier met de collegae een soort familie, dus hier zit ik: een beetje waar ik hoor. Tussen de familie achter een laptop.
Het is nog steeds 2010.
Ik bestel een koffie tik.

***

Eind goed al goed.
En dan nu.
Het goeie voornemen.
Het échte goeie voornemen.
Daar gaan we.

Meer liefhebben.
Nog meer liefhebben.

Met heel mijn hart, met heel mijn ziel, met alles wat ik in me heb, zolang het nodig is, als de zon er niet is, als de wind te koud is en je handschoenen nog op je werk liggen, dan warm ik ze, met alles wat ik heb aan vuur en warmte en dat wat maakt dat mijn vingers dit intypen. Vanuit mijn hoofd, via die wonderlijke stroompjes die soms alles zo door de war schoppen om het vervolgens ineens weer van dof en gevoelloos zo groots en meeslepend kunnen maken, via die stroompjes door mijn merg, ledematen en dan nu bij u op het scherm.
Hier.
Voor u.
Voor jullie.

Voor jou, lieverd.

Ik ga meer liefhebben.
En het wordt een goed jaar.
Ik beloof het.
Ik beloof het.
Met heel mijn hart: ik beloof het.

***

“Schapen lopen via ijs autosnelweg op”

Te bedenken dat schapen zo’n beetje de huisvrouwen op de Libelle Zomertoer onder de dieren zijn, kan ik me al helemaal voorstellen hoe dit ging.
Levendig.

TWINTIG SCHAPEN DOORELKANDER SPREKEND
Ach, kiek nou toch, Merie, we kunnen ook g’woon een stukske zo lopen voor ‘n keertje.
Ja, dat is weer ‘s wa’ anders.
Goh, wa’ ‘n goed idee.
Gans gezellig.
Spannend.
Oe, glibberig.
Oei!
Ja! Oei!
Hahahahahahaha
Hahahahahahaha
Hahahahahahaha
Merietje! Kiek je uit!
Kiek d’r gaan!
Dames, wat leuk dit.
Hè, gezellig.
Ja, gezellig.
Lekker in de benen.
Merk je wel hoor, dit, zo op da’ glad.
Nog maar ‘n klein stukske.
Wat hebben we het toch goed.
We moeten er toch echt vaker uit.
Ja, dit moeten we vaker doen.
Iemand ‘n amandel kano?
Nou, daar is de berm alweer.
Oe, het gras is hier echt lekkerder dan thuus.
Wel meer herrie hier.
Al die wagens.
Stinkt ook ‘n beetje.
Maar wel gezellig, hoor!
Ja!
Wel gezellig.
Kom we wandelen effe ‘n stukske door.
Nu we er toch zijn.
Ja.
We zijn er nu toch.

Appie in de sneeuw

1.
Toen ik over de beijzelde straten naar de Albert Heijn fietste kwam ik erachter dat ik toch wel erg veel geluid maak als ik me alleen waan.
“Hoei Han, ho ho, even voorzichtig, hatsikidee Hendrix, kijken we uit?”
Van zulks.
Om daarna, of ja, nee, tijdens, aan de donkere kant van de straat iemand te ontwaren.

Ik heb maar een hoestbui geveinsd.
Ik denk niet dat het mocht baten.

2.
Uitgaande sms (met later ingevoegde youtubeclip op de plek van de vermelding van het desbetreffende nummer), 19u45, naar d’n D.:
Ze draaien een écht échte guilty pleasure van me (topgeheim!) hier in de Albert Heijn.
En wel deez’:

Het is zómer wat ik je brom. Zómer.

3.
Als ik naar huis fiets door de half vastgevroren ijsdrab, met de handschoenen in de jaszak -want toch niet meer zo koud-, en de auto’s stapvoets langs me vandaan glibberen ben ik ineens blij dat ik in fietsend Nederland woon, dat het hier sneeuwt en dat iedereen klaagt.
Terwijl ik niet eens van sneeuw hou en al helemaal niet van kou, maar dat het gewoon zo fijn is: met wolkjes uit je mond, met af en toe een voet aan de grond om te kijken of er hier ook gestrooid is, naar een warm huis met een waterkoker en een dekentje op de bank.

Spitting image

Het stel links naast me haat de wereld. Of ja, de man naast me kan ik niet goed zien, maar de mevrouw die tegenover hem zit, zit soort van ook tegenover mij en zij haat de wereld zeer zeker. Ze is nog niet eens zou oud, ze is netjes gekleed, blond, met nette rustige make-up en met mondhoeken die diep naar beneden hangen. Het lijkt bijna of ze er moeite voor moet doen om ze zo laag te krijgen. Elk normaal mens zou moeite moeten doen om die mondhoeken zo laag te krijgen.
Misschien heeft ze dit gezicht getrokken toen de klok twaalf uur sloeg, bedenk ik.
Ze heeft haar gedrag er in elk geval op aangepast.
Als de groep naast hun tafeltje in luid gelach uitbarst bekijkt ze, met die omlaag getrokken mondhoeken en een paar korte op en neer bewegingen van haar hoofd, het meisje dat het dichtst bij haar in de buurt zit.
Als ze wegkijkt snuift ze.
Ik kan door de herrie steeds net niet verstaan wat ze zeggen, maar de vrouw is het meest aan het woord. De man hoor ik alleen maar af en toe soort van instemmend mompelen. Ze is het ergens niet mee eens, haalt een stuk papier uit haar tas en wijst erop met een perfect gemanicuurde vingernagel. De mondhoeken blijven naar beneden.
Ik hoor haar al het woord “rekening” noemen nog voordat haar man zijn biertje half op heeft. Het witte wijntje heeft ze, best lastig met die omlaag getrokken mondhoeken, al op.
De man klokt haastig zijn Koninkje naar binnen, terwijl zijn vrouw de jas al aan heeft. Met een licht geërgerde blik wacht ze tot haar man zijn jas heeft aangetrokken. Dat gaat door de haast een beetje stuntelig.
Ik kijk naar links.
Een bleke grijze man. Met eerder een treurige dan een geërgerde blik.
De blik van iemand die vele jaren geleden heeft besloten om gewoon niet meer deel te nemen.
De vrouw loopt alvast richting de trap naar beneden.
Ze haat de wereld.
Ze lust waarschijnlijk niet eens witte wijn.
De man struikelt een beetje over een stoel.
Ze kijkt niet om.
De man wel.
Ik knik hem toe.
Voor eeuwig op weg naar slachtbank, denk ik.
Tevreden drink ik mijn kouwe thee op.
We hebben het maar goed.

Woody Allen III

There’s an old joke – um… two elderly women are at a Catskill mountain resort, and one of ‘em says, “Boy, the food at this place is really terrible.” The other one says, “Yeah, I know; and such small portions.”
Well, that’s essentially how I feel about life – full of loneliness, and misery, and suffering, and unhappiness, and it’s all over much too quickly.
The other important joke, for me, is one that’s usually attributed to Groucho Marx, but I think it appears originally in Freud’s “Wit and Its Relation to the Unconscious,” and it goes like this – I’m paraphrasing -, “I would never want to belong to any club that would have someone like me for a member.”
That’s the key joke of my adult life, in terms of my relationships with women.
Ons Woody