Heeft hier iemand teveel Dans Browns gelezen?

~ Of teveel van de fluoxetine gesnoept?~

De laatste reactie onder de video van Apply door Glasser op ons aller YouTube:

glasser-is-de-illuminatie.JPG

Hoezee!
Voor wie ook graag mee wil in ’t rustieke occulte: zie voor de videoclip ’t postje van gisteren.

Het is weer herfst

Vandaag gehoord in huiskamers, aan barren, in supermarkten, een selectie:

EEN:
“Kom ik vandaag twéé keer in de Albert Heijn, waarvan één keer om de pot met roosjes te halen die ik de eerste keer op miraculeuze wijze bij de kassa had laten staan, ik bedoel, het is geen pakje smintjes dat je even over het hoofd ziet ofzo, ik bedoel, het is toch een flinke pot, ben ik WEER pleepapier vergeten mee te nemen!”
“Ja! Ik ook! Ik ook al vandaag! En ik vergeet alles! Ik vergeet zelfs de memo’s op te plakken en als ik al iets in mijn agenda schrijf dan vergeet ik vervolgens mijn agenda!”
“Het is godverdomme herfst.”
“Ja. Bah.”

TWEE:
“En verder?”
“Gewoon, sip, verder niks bijzonders.”
“Sip?”
“Ja, ik geloof het gewoon allemaal niet zo.”
“Bang dat ‘ie het tapijt onder je vandaan trekt?”
“Eerder bang dat het léven het tapijt onder me vandaan trekt!”
“Tja.”
“Tja.”
“Het is godverdomme herfst.”
“Ja. Bah.”

DRIE:
“Ik zou echt dagen kunnen slapen.”
“Ik ook, ik ook, ik kan echt niet meer.”
“Ik kan gewoon niet tegen dit weer.”
“Weet je, als we zeven dagen in de week in een mijn moesten werken dan zouden we echt geen last hebben van zoiets debiels als een najaarsdip.”
“Nou.”
“Nou.”
“Al zou ik best graag negenenzestig dagen onder de grond zitten.”
“Lekker warm.”
“Ja. En wij maar werken hier.”
“Ja.”
“Luie donders.”
“Ja.”
“Godverdomme herfst.”
“Ja. Bah.”

white_square.jpg
En een hart onder de riem:

I’m a bit run down, but I’m okay…

Viva P de DJ!

viva-mariaklein.jpg

Heute abend Helter Skelter te Doornroosje, wij (als in drievoud, als in het Pluralis majestatis) zeggen:
Komt all’n! Komt all’n! Komt all’n!

Veertig cent, dat is een goeie naam voor een rapper

Ik besloot om een soort van gezond te doen en een paar bakken kant-en-klare sla te halen, dus ging ik naar de Groenteboer. De enige plek die fijner wordt als de winter er aan komt is de Groenteboer tussen de twee pleinen. Daar hullen de meisjes achter de balie zich hoe kouder het wordt in meer en meer sjaals, stola’s, handschoenen met afgeknipte vingers, gebreide mutsen en wollen jassen. Bij de Groenteboer tussen de twee pleinen zijn de meiden een alternatief soort van hip, zonder dat je meteen alleen maar seizoensgroenten of dingen met zemelen kunt kopen. De meisjes daar zouden nog weg kunnen komen met dreadlocks.
Zulke meisjes.
Ik kom er graag.

Als de winter komt verander ik ieder jaar een paar weken in een zeurderig huilwijf, dat zich met een pakje sigaretten en een velours huispak opsluit op de bank voor de tv. Dan kook ik niet, dan eet ik geroosterde boterhammen met kaas en augurken en bij een erg slechte bui smeer ik er ook nog alle sauzen op die zich ergens in de koelkast voor het licht proberen te verstoppen.
Bij pech duurt het een maand of drie.
De supermarktbakker vaart vaak wel bij mijn winterdepressies.
Hoe dan ook: sla.

Ik stond in de rij.
Naast me stond een meneer met een blindenstok.
Ik tuurde in de virtrine.
“Ik kom even mopperen,” zei de meneer met de blindenstok
Ik keek op. De meneer hield de stok als een opgebaarde Viking met twee handen voor zijn borst geklemd.
“Ik kocht hier deze week een sinaasappel, en nou ja, niet om het één of ander, maar die was niet echt te eten.”
De twee meisjes achter de balie zuchtten.
“Ja,” zei het meisje dat hem hielp, “ik zeg er altijd bij dat ze op dit moment niet zo lekker zijn.”
“Niet om het één of ander, maar tegen mij is niks gezegd.”
“Het is niet de periode nu. De lekkere Spaanse zijn nu eenmaal nog niet binnen.”
“Ik snap niet dat jullie vieze sinaasappels verkopen. Niet om het één of ander.”
“Ja, als we er geen verkopen vinden de mensen het ook niet goed. Er moet toch sap geperst kunnen worden.”
“Nou ja, niet om het één of ander, ik vind het gewoon niet kunnen. Ik heb toch veertig cent voor die sinaasappel betaald.”
Ondertussen was de zaak leeg.
“U komt nu al jaren hier,” zei het meisje dat hem hielp, “en u weet ook wel dat we altijd proberen om de beste dingen aan te bieden.”
Het andere meisje haakte in.
“Ik was erbij toen u die sinaasappel kocht en mijn collega zei toen niet voor niets dat ze niet wist hoe de sinaasappels waren. Daarom heeft u er toen maar eentje gekocht.”
“Niet om het één of ander, maar er had toen best gezegd kunnen worden dat ze vies waren, dan had ik er geen gekocht. Jullie verkopen gewoon vieze sinaasappels. Ik heb veertig cent betaald voor een vieze sinaasappel.”
Ik begon in mijn portemonnee te graaien.
Ik geef die man wel z’n veertig cent.
Z’n lullige veertig cent.
“U kunt niet zeggen: ik probeer er eentje, en dan terug komen en zeggen dat het niet lekker was. Dan moet u ’t ook niet proberen.”
“Uw collega had moeten zeggen dat ze vies zijn.”
“Goeoeoed!” zei ik. Ik zong een beetje. Ik schrok van mezelf. In de kroeg haat ik het altijd als andere gasten zich bemoeien met een discussie die ik voer met een klant. Lastige mensen zijn altijd klanten, overigens. De rest is gast. Ik had ooit een baas die zei dat je klanten er meteen uit mag flikkeren.
“Ja, nu goed,” zei één van de meisjes.
“Ik wilde gewoon mijn punt maken. Niet om het één of ander.”
Het was stil.
Langzaam schuifelde de man de straat weer op.
“Hij had zich vast heel erg op die sinaasappel verheugd,” zei ik.
“Ja,” verzuchtte het meisje.
Ik koos de twee ongezondste dingen uit de vitrine.
Dingen met saus.
Toen ik de zaak uitliep draaide ik me nog even om en hief mijn tasje de lucht in.
“Hoezee!” riep ik.
“Hoezee!” riepen de meisjes door de lege zaak.
Ik hou van de Groenteboer tussen de twee pleinen.
En ach: op de keper beschouwd liggen alle groenteboeren tussen twee pleinen.
Misschien in Grubbenvorst niet, want daar hadden we maar één plein.
Gelukkig woon ik niet meer in Grubbenvorst.

Misschien komt er bij mij ook een dag dat mijn levensvreugd afhangt van het Russisch roulette van het vinden van de lekkere sinaasappel in oktober.
Op een dag vind ik nog wel een instantie of een groenteboer waar ik mijn gram kom halen over alles wat smerig blijkt te smaken in mijn leven.
Ik had er nog zo op gehoopt.
Ik druk mijn sigaret uit in een bord met broodkruimels.
Het ruikt hier ineens naar geroosterd brood.
Het gaat een lange winter worden.