In de rij van de supermarkt

Geschreven tijdens en voor Into The Great Wide Open Festival te Vlieland

De rij bij de broodjes gaat twee keer de hoek om. Voor me staat een mevrouw. Ze tikt het meisje voor haar aan.
“Zeg, vind je het erg als ik even naar buiten ga zodat ik een sms kan versturen over het brood?”
Het meisje kijkt de vrouw niet begrijpend aan. Mompelt iets in de trant van ja, nee, natuurlijk. De vrouw loopt naar buiten. Buiten zien we haar met de mobiel in een uitgestrekte arm rond lopen, alsof ze een vlinder met een net probeert te vangen. Ze loopt terug naar binnen en neemt haar plaats in de rij weer in.
We zwijgen.
Dan schrikt de vrouw op.
“Waar is mijn zoon eigenlijk?” zegt ze.
“O, ik wist niet dat dat ook bij de taakomschrijving hoorde,” zegt het meisje.
De vrouw springt weer uit de rij en rent in een slalom door de schappen de deur door, naar buiten.

Glimlachend zuchten jong

Geschreven tijdens en voor Into The Great Wide Open Festival te Vlieland

Stortemelk – Dorpstraat, deel 1

De blonde jongen met de portofoon en het oortje praat tegen een meisje. Ze is slank, donker en kijkt om zich heen. Ze draagt een bloemenjurk. Tussen zijn benen steekt een mountainbike.
“Als we al een schema hadden, dan lagen we er nu op achter,” zegt de jongen. Hij snuift en maakt zich wat breder.
Het meisje knikt flauwtjes, zegt iets van “hmm-hmm”, draait zich om en loopt weg.
De jongen blijft staan. Hij is even stil en drukt dan tegen het oortje van zijn portofoon.
“Ja wátte!” roept hij.
Ik loop snel door.

Stortemelk – Dorpstraat, deel 2

“Ik moet Teun nog bellen.”
“Ach, jij met je Teun. Je kent hem net drie dagen.”
Ik wandel achter twee mädl. Echte Hollandse mädl. Met heupen en een paardenstaart.
De vriendin van de vriendin van Teun kijkt nors. Ze steekt een Belinda Mentol op.
“Er zijn hier allemaal blonde kindjes,” zegt de vriendin van de vriendin van Teun.
De vriendin van Teun zucht. Ze zucht met een glimlach.
Dat zag ik veel, overigens, zo op dat blokje om, op en neer naar het dorp: zuchten met een glimlach.
“Maar jij heb toch een takkehekel aan kinderen?” zegt de vriendin van de vriendin van Teun.
Het is even stil.
“Ach weet je, van Teun wil er ik er tien.”
Ik ben ondertussen benieuwd naar Teun, maar de mädl slaan af, het bospad op en ik overweeg om ze te volgen.
Ik wil ook een Teun.
Ik loop door.
Een blokje om is immers een blokje om.

Stortemelk – Dorpstraat, deel 3

Twee jongetjes op fietsen met zijwieltjes. Ze hijgen beide, de één wat meer dan de ander.
De minst hijgende praat.
(Leze met Fries accen:)
“Dat zijn toch geen Vlielanders, jòng. Dat zijn badgasten.
Ze schieten de hoek om, hun knieën nog net niet tegen het stuur.

Stortemelk – Dorpstraat, deel 4

“Er lopen hier alleen maar de hele dag meisjes binnen die fleecedekentjes komen kopen.”
Ik kijk naar het schap. Er liggen nog twee rooie en eentje met bloemen. In mijn armen heb ik de laatste bruine en de laatste witte.
“Die met die bloemen zijn voor kinderen,” zegt de mevrouw.
“Of dwergen,” zeg ik.
“Pardon?” zegt de mevrouw.
Ik schud mijn hoofd.
“Laat maar,” zeg ik. “Ik raaskal. Ik heb vreselijk slecht geslapen.”
“Ach kiend, hoe komt dat?” zegt de mevrouw.
Ik kijk naar de twee fleecejes in mijn armen.
De mevrouw knikt.
Natuurlijk.
“Slaap lekker,” zegt ze als ik de deur uitloop.
“Dank je,” zeg ik.
Ik kus de fleecejes als ik buiten ben.
Ik zucht glimlachend.
Weet u wel. Zoals dat hoort.

Bloody Nova Zembla

Geschreven tijdens en voor Into The Great Wide Open Festival te Vlieland

“Han?”
“Hmmm?” zeg ik.
Het is nacht, het is bijna stil op Stortemelk: alleen de zee en in de verte klinkt gesnurk.
In het donker zie ik het silhouet van de D’n Lee. Of ja, ik zie een berg slaapzak waarbij ik vermoed dat die witte vlek daar bovenaan haar neus is.
“Ik heb het zo koud,” hoor ik uit de berg slaapzak komen.
“Ik ook,” zeg ik, “ik ook.”
Ik ben zo’n vrouw die ’s nachts haar kouwe poten tegen haar vriend aanduwt. Ik ben zo’n vrouw die in de zomer nog onder een winterdekbed ligt. Zo’n vrouw die in de winter op de radiator woont.

D’n Lee en ik klappertanden ons volgestouwde koepeltentje.
Ik koop godverdomme nooit meer zo’n knakenslaapzak van de Perry.
“Ik overweeg serieus om die vuilniszak open te knippen,” zeg ik.
“Ik om onder een brug te gaan liggen,” zegt d’n Lee. “Lekker onder een warme doos.”
“Bloody Nova Zembla,” zeg ik.
“Ijs in de snor,” zegt d’n Lee.
We stellen ons voor dat als we de tent openritsen, we op een ijsvlakte staan.
Met een scheepswrak in de verte in de duinen.
De man in de verte slaakt een harde snurk en is dan stil.
Ik luister naar de golven in de verte.
Langzaam dommel ik in.
Ik droom dat ik in mijn slaapzak in de deuropening van de Bolder lig.

Het wordt ochtend.
Het wordt licht.
De zon.
De tent broeit.

“Godverdomme wat is het werrem!” roept d’n Lee.
Onder mijn trui, trui, vest, hemd, twee paar sokken en een trainingsbroek in de knakenslaapzak guts ik van het zweet.
Ik kreun en vecht me een weg door alle lagen textiel om de ritssluiting van de slaapzak te vinden. Als een larf uit een cocon worstel ik me een weg de tent uit.
Eenmaal op het gras kijk ik naar de blauwe lucht.
Ik knijp met mijn ogen in het zonlicht.
Het is dag.
Het is vrijdag.
U bent hier.
Ik ben hier.
Er klappert een tentzeil.
We zijn begonnen.

What stains on the sofa?

Over time we learned to anticipate this kind of behavior. My mother would take Ya Ya to the department store for new underwear, and we’d watch from behind the racks as she wandered out of the dressing room in her bra and knee-length bloomers. Once in the parking lot she would stoop to collect empty cans and Styrofoam cups, stray bits of cardboard, and scraps of paper, happily tossing it all out the window once the car reached a manicured residential street. She wasn’t senile op vindictive, she just had her own way of doing things and couldn’t understand what all the fuss was all about. What was wrong with kneading bread dough on the kitchen floor? Who says a newborn baby shouldn’t sleep with a collosal wooden cross wedged inside the crib? Why not treat your waist-length hair with olive oil? What stains on the sofa? I don’t know what you’re talking about.
‘That might play back on Mount Olympus,’ my mother would say. ‘But in my house we don’t wash our stockings in the toilet.’

David Sedaris, Get your Ya Ya’s out!, Naked.