Gehoord aan de bar

“Japanners eten tot ze tachtig procent vol zitten, en dan stoppen ze.”
“Ja, nogal wiedes. In Japan hebben ze geen friet.”

Het nieuws en het bijbehorende prachtige prachtige prachtige stukje McCarthy

On the outskirts of the city they came to a supermarket. A few old cars in the trashstrewn parking lot. They left the cart in the lot and walked the littered aisles. In the produce section in the bottom of the bins they found a few ancient runner beans and what looked to have once been apricots, long dried to wrinkled effigies of themselves. The boy followed behind. They pushed out through the rear door. In the alleyway behind the store a few shopping carts, all badly rusted. They went back through the store again looking for another cart but there were none. By the door were two softdrink machines that had been tilted over into the floor and opened with a prybar. Coins everywhere in the ash. He sat and ran his hand around in the works of the gutted machines and in the second one it closed over a cold metal cylinder. He withdrew his hand slowly and sat looking at a Coca Cola.
What is it, Papa?
It’s a treat. For you.
What is it?
Here. Sit down.
He slipped the boy’s knapsack straps loose and set the pack on the floor behind him and he put his thumbnail under the aluminum clip on the top of the can and opened it. He leaned his nose to the slight fizz coming from the can and then handed it to the boy. Go ahead, he said.
The boy took the can. It’s bubbly, he said.
Go ahead.
He looked at his father and then tilted the can and drank. He sat there thinking about it. It’s really good, he said.
Yes. It is.
You have some, Papa.
I want you to drink it.
You have some.
He took the can and sipped it and handed it back. You drink it, he said. Let’s just sit here.
It’s because I wont ever get to drink another one, isnt it?
Ever’s a long time.
Okay, the boy said.

(O, ja. En het nieuws…)

We zijn begonnen…

En ik heb nu al pijn aan de voeten, ondanks echte verpleegstersklompen.
Al biertappend gisteravond leek het alsof we in een National Lampoons terecht waren gekomen. Het hele terras zat vol dronken bejaarden. Waarvan een een groepje Denen zó dronken was, dat ze collegae voor de kont begonnen te slaan.
“Die krijgen niks meer!” brieste het slachtoffer.
Prompt daarna donderde er eentje met zijn grijze lokken en wandeloutfit van de trap zó het keldergat in.
“Mooi!” riep ik van achter de bar.
Lekker laten liggen.
Normaal voeden wij onze clientèle een beetje op.
Maar met dronken bejaarden is geen land te bezeilen.

Daarna, toen alle kunstgebitten en rollators weer bij elkaar geveegd waren, haastte ik me naar het Valkhof.
En pas toen ik er was, merkte ik hoeveel ik ‘t weer gemist had.
Fijne mensen.
Zittend op een kliko dronk ik mijn eerste biertje.
De klompjes met de pijnlijke voeten, bungelend boven het gras.


En de immer ladingdekkende Zomerfeestenhit. Ufcurs.

Zomerleenhuis III excluis katten, deel 1

Om de hoek van nu alweer zomerleenhuis III zit een supermarkt.
Ik moet dat vaker gaan doen, om de hoek van een supermarkt gaan lenen.
Zo heeft een mens altijd wat te zien.

Het is trouwens eigenlijk ongelofelijk dat ik al sinds de eerste week van april aan het huishoppen ben. Nog een paar weken en dan heb ik eindelijk weer een maand of negen een onderhuurhuis en dan eindelijk, eindelijk, eindelijk, betrek ik het Huis-Met-De-Kippen. Ik kan niet wachten om al mijn dozen uit te pakken, mijn eigen boeken, dekens, cd’s, films en u weet niet half hoeveel ik mijn schemerlampen mis.

Maar goed, zomerleenhuis III is het huis van de heer en mevrouw Santiago en toen ik hier maandagavond toch een brok in mijn keel. Ik leende drie jaar geleden al eens een keer Jnnk’s huis, en toen ik eergisteren over de drempel stapte rook het ineens weer een beetje naar iets dat als thuis voelt. De Santiagootjes hebben een huis waar je gewoon bij binnenkomst naar de koelkast loopt, die opentrekt en een boterham gaat smeren. En dat niemand dat daar ooit raar vindt als je dat doet.

Eergisteren was er niemand.
Het rook alleen naar een fijn huis.

Bij het grote raam aan de straatkant komt van alles voorbij, zo zie ik steeds vanaf mijn laptop. Heel anders dan het Zomerleenhuis I, dat in Nijmegen Oost lag. Daar kwamen vooral King Louie-vrouwen voorbij, met bakfietsen en gebloemde fietstassen. En ouders met blonde kindertjes op roze fietsjes.
Maar het was heerlijk.
Al die snelheid buiten. In Oost had iedereen steeds een beetje haast.
Je had geen tv meer nodig.

Hier staan oude mannetjes gerust een half uur voor je raam te praten, zonder een ondergebit in. En ik schaaf mijn Nijmeegs weer eens wat bij.
Eerder deze middag kwamen er twee meiden voorbij, waarvan er één een kinderwagen voor zich uitduwde richting de supermarkt. Het was niets vreemds, maar het viel me op omdat ik me afvroeg hoe het ineens zo opvalt dat verse moeders tegenwoordig jonger zijn dan ik. Dat was vroeger niet, bedacht ik.
En toen dacht ik aan Syrië.
En toen aan Moeder Maria.
Dat die waarschijnlijk negen was toen ze Jezus kreeg.

Een half uur later kwamen de twee weer langs. Weer richting de supermarkt. Ik had ze niet terug zien komen, met kinderwagen en een boodschappentas. Dit keer hadden ze geen buggy bij zich, maar een winkelwagen met ongeveer acht (naar ik aanneem lege) kratten bier erop. Gierend van de lach probeerden ze de wagen van de stoep af te rijden.
(Wat natuurlijk lastig ging. Uitlijnen van winkelwagens is in deze huidige financiële crises nu eenmaal niet prioriteit nummer één bij de heren en dames van de zelfbedieningsexploitanten van tegeswoordigs. Maar goed, dat geheel terzijde.)
Ik vroeg me af waar de baby was.
Hadden ze die in de supermarkt gelaten?
Had de vader het kind nu op schoot?
Ik dacht aan hoe ik sjouwen haat.
Hoe alles in elkaar kan storten als je er te lang over nadenkt.

Maar wat het meeste opviel vandaag waren de duizend vrouwen met kinderwagens én oude dametjes met een rollator die voorbij kwamen. Soms zelfs in rijen, rijen waar ze zich niet eens van bewust waren dat ze erin liepen.
En ik kan u vertellen, een stoet rollators en kinderwagens hebben eigenaressen die erg veel op elkaar lijken.
De tred.
Het hoofd licht gebogen.
De droeve blik naar iets wat misschien te doen kan zijn, daar, aan het einde van de stoep.
Een riedeltje in haar hoofd, als een mantra over gepureerde voeding, slaapjes, nachtluiers en een alarm om de nek tegen gemene mannen.

Er was maar één kinderwagenvrouw zonder die blik.
En dat was het meisje dat later met de acht kratten bier voorbij kwam.

I rest my case.

Bijgeloof

De kwartfinale keek ik in de kroeg waar ik werk. We hebben daar geen scherm of iets van zulks, in tegenstelling tot het buurcafé waar ongeveer vierendertig schermen op het terras prijken, maar Suus had gelukkig een klein teeveetje van zolder weten op te snorren en zo kwam het dat we met drie man binnen achter tafel 4 zaten te staren naar onze mannen op ‘t gras. Verder was de kroeg leeg en op het terras zaten twee dames met een kopje thee.
Ik had niets oranjes aan.

Ik ben namelijk nogal bijgelovig*.

In de eerste helft maakte ik de grap door met de tv te schudden als een kogelspel, u weet wel met zo’n labyrint en een ijzeren kogeltje dat u tot het einde van het labyrint moet zien te krijgen, zodat de bal wat gemakkelijker in het doel zou rollen.
Lachen, gieren, brullen, maar hoe dan ook was die eerste helft natuurlijk niks. Waardoor ik in de rust besloot drie viltjes onder de rechterkant van de tv te leggen, zodat de tv wat naar links helde.
“Rolt ‘ie bal gewoon een bietje d’r in,” mompelde ik.
Trots keek ik rond.
De kroeg was leeg.
De ene collega was de nieuwe voetbalhatende gasten aan het serveren (niet te verwarren met tennis deze sportzomer, overigens), de ander stond te roken.

Hoe dan ook: we wonnen.
Zoals u al wist.

Ik denk nu dus serieus dat het door mijn viltjes kwam dat we van Brazilië wonnen. Niks geen vertrouwen van van Marwijk of smsjes van Jolanthe, nee, die bal rolde er gewoon wat gemakkelijker in omdat het beeld scheef stond.
En nu ben ik me dus al dagen af aan het vragen: zal ik wéér viltjes onder het scherm leggen? En moet dat nu juist weer in de rust?
Of moet ik het gewoon laten?

Maar stel dat we dan verliezen… Is dat dan mijn schuld?!

snor.gif
* In 1988 hadden zes van de elf spelers een snor. Ook dat geeft te denken. Wat u: zullen we allemaal een goeie snor laten staan? Een echt Nigel onder de naas?