Antonette wil dood, deel XXI

“Zo? Is dit de zomerhit?” vraagt Harold als hij binnenkomt en hij Antonette huilend op de bank aantreft, luisterend naar Maria Callas in “La Gioconda” van Arrigo Boito.

Zomerleenhuis II incluis twee katten, deel 2

Ik begin het idee te krijgen dat Pootjie toch niet altijd blij is. Ik moet daar op terug komen. Pootjie is altijd lief, dat wel. Altijd in voor een kopje, een aai, een poosje op de schoot (in Venlo zegt met slup, wist u dat?) en gezellig op de tafel. Liefst naast mijn bord, maar dat terzijde. Ik gedraag me wat dat betreft als Oma, ik hoef Poot niet op te voeden.

Maar vandaag zag ik dat Poot eigenlijk helemaal niet zo blij is.
Ze klom over de schutting en toen ze naar beneden sprong en landde zei ze met een pijnlijke grimas:
“Mrrek!”
Als in: “die godverdommese kutppoot ook altijd.”
Waarbij ze overigens misschien ook wel meteen zichzelf bedoelde.
En zojuist dronk Dikkie al haar kattenmelk op, terwijl Dikkie helemaal geen kattemelk lust.

Ik ben een ietwat gestressed, vandaag moet ik mijn huis inpakken, poetsen en zaterdag verhuizen, maar daarvoor hebben nu al twee mensen (door de rug gaan en zelf-stress-door-drukheid) afgezegd, ik heb een deadline, een huilen-bij-de-diploma-uitreiking en een voetbalwedstrijd, dus ik heb helemaal geen zin in kopjes aaien. Poot zit in een hoek, kijkt naar zijn lege melkbakje.
Kloteleven, denken we.
Ik thuisloos, Poot baasloos en met een gemene huisgenoot die z’n melk jat.

Nu geeft Poot kopjes tegen mijn beeldscherm, want mijn beeldscherm is warm en zoemt. Ze zingt een beetje.
“It’s a hard knock life for us, it’s a hard knock life for us…”
Ik zing zachtjes mee.

Ik woon hier goddomme al dertig jaar

“Lieverds,” zei ik en ik sloeg mijn armen om Nas en Bies heen, “kunnen jullie je het nog voorstellen, dat we hier, in tweeduizendvijf samen stonden, met alle anderen. Zo aan het begin? En dat we hier dan nu staan, zo met z’n drieën? En dat ik jullie vrijdag gewoon uitzwaai?”
“Dat wordt jenken,” zei Nas.
“Nee! Stop,” riep Bies. “Ik begin nu al”
Bier sloeg over onze schouders in de omhelzing.
“En dat jij dan achterblijft!” riep Bies.
“Nee!” riep Nas.
“Jawel,” zei ik, “met een zakdoek zal ik op de kade staan.”
“Zo hoort het eigenlijk ook,” zei Nas.
“Wie had dat gedacht.”
“En dan komen jullie maar gewoon een keer terug, op de koffie.”
“Zoals het hoort.”

En dat was dat.

***

“Ik ga friet halen,” wauwelde ik naar de laatsten der Mohikanen aan de tafel.
Ik was misselijk.
Van de honger dacht ik.
Maar het had net zo goed ‘t bier kunnen zijn.
Heineken. Ik heb daar nooit zo goed tegen gekund. Vooral niet in grote hoeveelheden, zonder avondeten.
(Als het al Heineken was…. Blurgh…)
Voor de Falafel World stond de Meneer van de Frietkraam te roken.
“Mag ik friet?” vroeg ik terwijl ik nog bezig was de straat over te steken. “Maar rook eerst maar op hoor.”
“Leuke rok,” zei de Meneer dan de Frietkraam.
“Ja,” zei ik, “gekregen.”
“Staat je echt goed.”
“Mag het om mee te nemen?” vroeg ik.
“Wat?” zei de Meneer van de Frietkraam.
“De friet,” zei ik.
“Met?”
“Zonder.”
De Meneer van de Frietkraam keek teleurgesteld. Maar ik heb g’woon bij Lies nog mayo, dacht ik. Ik besloot om hem geen uitleg te geven van het hoe en waarom van mijn schijnbare met-loosheid. De Meneer van de Frietkraam maakte er geen woord meer aan vuil. Met een nors gebaar kreeg ik de friet in een zak. Ik huppelde blij naar een taxi.

***

“Was het een leuke avond?” vroeg de taxichauffeur.
“Geweldig,” zei ik met dubbele tong. Uit mijn tas walmde frietlucht. “Maar ik val nu gewoon echt om. Je kent dat misschien wel, dat je zo’n honger hebt dat je denkt: ik val gewoon godverdomme om.”
Het was even stil.
“We hadden allemaal toneelvoorstellingen.”
“Ging het goed?”
Ik vertelde.
Ondertussen reden we langs het park en over rotondes.
“Maar het is goed dat het gewoon nog kan. Gratis. En alles. Als het een rechts kabinet wordt kunnen we dat allemaal mooi op onze buik schrijven.”
De taxichaffeur knikte.
“Linkse hobbies,” zei ik.
We reden de verkeerde kant Lies’ straat in.
“Eenrichtingsverkeer,” hikte ik.
“Nou,” zei de taxichauffeur, “ik zie geen Wilders hier om ons te bekeuren.”
We gniffelden.
“Criminelen dat we zijn,” zei de taxichauffeur.
“Een linkse hobbyist en een allochtoon!” riep ik.
“Bel de politie!” riep de taxichauffeur.
“O nee!”
“Aargh!”
“En ik woon al dertig jaar hier!” riep de taxichauffeur.
Gierend van de lach stopten we voor Lies’ huis.
“Ik ook!” riep ik.
“Wat?” zei de taxichauffeur.
“Ik ben net dertig,” zei ik.
We schudden elkaar de hand.
“Als we dit nou zo de komende jaren blijven doen, dan komt het misschien nog allemaal wel goed.”
“Laten we het hopen,” zei de taxichauffeur.
Ik rekende af.

***

Achter de computer at ik lauwe friet met curry en mayo.
Allemaal fijne mensen vandaag.
Ik ben een bevoorrecht mens.

***

Ik struikel zo de trap op.
Naar bed.

Zomerleenhuis II incluis twee katten, deel 1

Poot dankt zijn naam niet aan een seksuele geaardheid maar aan het feit dat hij een stukje voorpoot mist. Logisch eigenlijk. Poot is altijd blij en wil altijd een aai. Ik zit in de tuin onder het afdakje en in een gras ligt een vreemde zwarte kat.
“Pootjie,” (ik weet ook niet waarom ik ‘m steeds op z’n Zuid Afrikaans roep, het ligt in ieder geval niet aan het WK) wijs ik. “Pootjie, jaag die vreemde de kat eens weg.”
Poot kijkt me aan.
Hij hinkt naar de zwarte kat en blaast.
De zwarte kat kijkt Poot aan en steekt nog net geen sigaret op, zo niet onder de indruk is hij.
Poot staat even stil. “Hergroeperen, jongens,” hoor je hem denken.
Poot gaat op zijn rug liggen. Hij spint.
De zwarte kat schudt zijn hoofd.
Zoals de kinderen die op de lagere school geen aansluiting vinden met hun klasgenoten, uit pure armoei dan maar een poging wagen bij de kleuters, zo vindt Poot mensen gewoon heel gezellig. Liggend naast de zwarte kat kijkt hij me aan.
“Fijn hè?” knijpt hij met zijn ogen.
“Met jou winnen we de oorlog niet,” zeg ik.
“Oké! Gezellig!” zegt Poot.
Een zonnetje breekt door.
Ik zucht.
Poot draait zich nog eens om en de zwarte kat komt verder de tuin in.

Dan komt Dikkie uit de keuken gelopen, de tuin in.
Op het pad gaat hij zitten.
Dikkie is from tha hood en Dikkie haat mensen. Hij kan spinnen en kopjes geven, maar zodra je ‘m aanhaalt krijg je een lel.
“Opbokken met je vieze fikken,” kermt hij dan. Mensen aaien omdat ze dat zelf lekker vinden, niet zozeer omdat Dikkie dat vindt. Vindt Dikkie.
Dikkie poetst zijn revolver op het paadje van de tuin.
Hij kijkt naar de zwarte kat en likt dan nonchalant zijn poot.
De zwarte kat springt op en verdwijnt onder de schutting.

Of Dikkie andere katten haat, daar ben ik nog niet uit en ik begin nu ook een beetje te twijfelen over hoe Poot nu ook weer zijn voorpoot is verloren.
Misschien zo maar eens de kelder controleren.
Even checken op een witwasserij of een pillenlab.

De Bouwvakker met het Gebroken Hart

Niks helpt.
Ik heb een tweede blik bier opengetrokken en gekeken naar de mannen met aktekoffers op de fiets.
Om acht uur ben ik opgestaan en onder de douche gaan staan.
Ik heb me gewassen met haar shampoo.

De fles is bijna leeg.

aktou8zivx.jpg

22 juni 2010
17uoo
Akademietheater aan het Janskerkhof in Utrecht.


Anna/Hannah
door Wynn Heliczer
De Bouwvakker door willekeurige Facebookvrienden

Reserveer hier!
Wilt u ook een stem?
white_square.jpgwhite_square.jpg

*Dennis Gaens, Eva Mouton, Bert de Geyter, Rob Rombouts, Erik Leker, Lea Kliphuis en Laura Haman

Bent u ook zo gek op kleine lettertjes?
Voelt u zich soms unheimisch op zit-verjaardagen?
Knakt u met uw kaken als u zenuwachtig bent?
Vindt u de kinderen van uw zuster ook zo eng?
U moet ook komen.
We kunnen niet meer zonder u.

Yvette

Ik heb de planten in het huis een naam gegeven.
Dingen groeien beter als ze een naam hebben.
De twee bolchrysanten heten José en Marie. De vetplant heet Yvette.
Ze staan niet graag naast elkaar, de bolchrysanten en Yvette.
Dus Yvette mag naast me aan de computer.
Ze is al een keer bijna dood geweest door uitdroging, wat nogal wat is voor een vetplant.
Maar ik heb haar opgelapt en nu heeft ze weer bloemetjes.
Al zijn ze niet meer zo felrood als dat ze waren toen ik haar kocht, ze blijft mijn lievelings.