Bareuh

Ook de rijke en g’lukkige mensen hebben het wel eens zwaar.

bareuh1.JPG

In de bus

1.

BUSCHAUFFEUSE
Kijk, zie je die jongen?
Met die camera?
Dat is de zoon van een buschauffeur.
Hij maakt de hele dag foto’s van bussen.

OUDE MEVROUW
O ja?

BUSCHAUFFEUSE
Ja.
Dat vindt ‘ie leuk.

OUDE MEVROUW
Foto’s maken.

BUSCHAUFFEUSE
Ja, maar alleen van bussen.

OUDE MEVROUW
O. Wat leuk.

BUSCHAUFFEUSE
Ja, hè.

OUDE MEVROUW
Dat is net als vliegtuigspotten.

BUSCHAUFFEUSE
Ja! Inderdaad!

De twee kijken glimlachend voor zich uit.

2.

Ik wachtte op de bus tussen allemaal geparkeerde auto’s. Ik moest tien minuten wachten.
Er kwam iemand aanlopen met een cello op de rug. Het was zo’n dame die tussen meisje en mevrouw inzit. Met een degelijk staartje, brilletje en een beige regenjas.
Ze bleef een tijdje naast me staan en toen de bus bijna kwam liep ze weg.
Ik vroeg me af waarom ze wegliep.
Misschien besloot ze om toch naar het station te lopen.
Misschien hoefde ze helemaal geen bus.
Misschien had ze geen zin om drie minuten te wachten.

3.
Op het plein stond een limousine.
Uit de limousine stapte een piet.

4.
Bij de halte op het plein stond de mevrouw met de cello. Ze hield de cello vast, alsof ze een kind vast had.
Ze keek verwilderd hoe de bus stopte, zijn deuren opende en sloot.
De bus reed weg.

Brussel III

Uit m’n opschrijfboek:

Ongelooooooofelijk!
Ik ben gek op in mijn eentje uit eten gaan. Gewoon met een boek en een kaarsje en een glas karaf wijn.
Zit ik in een helemaal leeg restaurant, op een tafel verderop na, daar zitten drie mensen, komt er een man, die óók alleen gaat eten, RECHT TEGENOVER ME ME ZITTEN aan het tafeltje dat het ALLERDICHTSTSTST naast míjn tafel staat. Uit ALLE tafels waar hij uit kan kiezen, kiest hij de tafel uit waar hij gewoon zo ongeveer MEE kan lezen uit mijn boek!

Kijk zo:

jeeeeezus.JPG
In het echt zat er veul minder ruimte tussen onze tafeltjes, maar ik kan niet zo goed tekenen. In Paint tenminste. Ik bedoel: ik ben geen Perez Hilton.

Jeeeeeeeeeeeeeeezus!
Ja, hier kan Josse de Pauw ook niet tegenop.
Wat een eikel.

Woody Allen II

Interestingly, according to modern astronomers, space is finite. This is a very comforting thought. Particularly for people who can never remember where they have left things.
Woody Allen

1984

In de Tuinen struin ik door de honderden soorten pillen en capsules. Ik hoef alleen maar een tubetje crème, maar ik vind het altijd erg interessant om potjes te lezen, vooral bij maaltijdvervangers en afslankmiddelen. Ik heb wel eens repen gevonden waarin het hoofdingrediënt glycerine was. Kon je ook mooi de vloer boenen, met zo’n reep.
Ik hoor de jongen achter de kassa de boodschappen van de andere klanten afrekenen, waarbij hij bij elke aankoop vraagt of de klant misschien ook hun tijdschriftje wil kopen. Bij ‘zon’ in ‘gezóndheidsmagazine’ gaat zijn stem steevast een beetje omhoog.
Niemand maakt de jongen los.
Ik besluit af te gaan rekenen.

“Heeft u misschien ook interesse in ons gezondheidsmagazine?” vraagt de jongen.
“Nee hoor,” zeg ik.
De jongen scant mijn tubetje crème.
“Moet je dat nu aan elke klant vragen?” vraag ik hem.
De jongen buigt voorover.
“O mijn god, het is echt verschrikkelijk,” zegt hij fluisterend. Zijn stem is ineens een stuk lager. “Zelfs mensen die hier gister ook waren en toen geen gezondheidsmagazine wilden moet ik vandaag wéér vragen of ze er een willen.”
“Och, arme jongen,” zeg fluister ik terug. Hij wijst onder zijn arm naar een camera die boven hem zoemt.
“En niemand koopt die krengen. Ja, ja, misschien als er net een nieuwe uit is, maar nu, nee, echt niemand.”
“Heb je er vandaag al verkocht dan?”
“Drie! En ik moet er nog zeven. Zéven. Hoe moet ik dat gaan doen? Ik ben een robot!”

Achter me sluit een oudere mevrouw aan.
De jongen schrikt op en klikt weer terug in zijn rechte positie.
Ik gooi mijn beste Marge-uit-Fargo-glimlach naar hem als ik de te grote papieren tas met het tubetje crème aanpak.
Als ik de zaak uitloop hoor ik hem de dame vragen of ze een gezondheidsmagazine wil.
“Wát?” roept de dame. “Een wát?”

Ik denk dat ik maar eens een bak friet ga eten.
Qua gezondheid.

Brussel II

Uit mijn opschrijfboek:

Vandaag gaf ik en zwerfster en haar kind anderhalve euro, waarna ze me ongeveer honderd meter bleef achtervolgen. Ik verstond haar niet, maar ik kreeg het idee dat ze meer wilde.
Ze hief haar hand naar de hemel, de andere gebruikend om haar kind mee voort te sleuren.
Ze had haar mond vol gouden tanden.
Hoe kun jij gouden tanden betalen, dacht ik.

Hoe dan ook: het is niet mogelijk om over zulke dingen na te denken, of het zelfs op te schrijven, zonder decadent te zijn.
Het is decadent om een zwerfster, met of zonder baby, anderhalve euro te geven, terwijl een koffie zojuist bijna drie euro kostte.
Ik kijk er naar en ik geef niets of een schijntje. Ik loop voorbij slapende mensen op kartonnen dozen die ik bekijk of die ik opzettelijk niet bekijk.
Ik denk dan och arme, och junkie, och onderdrukte, och viezerik.
Het is decadent om te bedenken dat een koffie meer kost dan een zwerfster.
Het is decadent te bedenken dat dat kind haar meer oplevert en ook dat er waarschijnlijk een man is die haar dat geld weer afneemt.
Het is altijd decadent, want ik zou er best eentje een paar dagen kunnen redden, ook al ben ik arm.
Ik zou ervoor kunnen zorgen dat er ergens iets gebeurt, al dan niet constructief, maar het enige wat ik doe is het hele principe interessant vinden. Uit het raam hangen en kijken naar de naar pisruikende zwerver voor de deur die Chimay Bleu uit flesjes drinkt.
Ik ga uit eten, ik koop chocola met zoute amandelen en ik slaap uit tot twaalf uur.
En ik vind mezelf arm.
En hen interessant.
Het is altijd decadent.

Brussel

Bij de Albert Heijn op het station kocht ik een bak sla voor in de trein naar Brussel. De kassajongen trommelde op zijn kassa toen ik aan kwam lopen, ik denk dat hij zestien was.
Op zijn naambordje prijkte de naam Teflon.
Ik overwoog om hem te vragen of hij wist wat Teflon is, maar deed het niet.

***

Toen ik een sigaret stond te roken drentelden er twee zeer hooggehakte meisjes met ieder een rolkoffertje over het perron. Op de borden boven perron 13b stond Do Not Board. De trein uit Parijs kwam aangereden en leegde de inzittenden. De meisjes drentelden door. Op de borden verscheen nu ook Arriving Train Only.
De trein was leeg.
Op de schermpjes naast de deuren stond Paris -> Bruxelles -> Amsterdam. “Paris!” riepen ze tegen elkaar. En al trippeltrappelend sleurden ze hun rolkoffertjes de trein in. Op het bord boven 13a verscheen bestemming Parijs en in de verte schenen de lichten die wachtten tot het spoor leeg was.
De deuren van de trein op spoor 13b sloten en de trein reed weg.
In het voorbijgaan zag ik in de lege trein de twee meisjes hun koffers in het bagagerek proppen.

***

Ik drukte op de bel van de jongen die de sleutel had.
Op een naambordje onder dat van hem droeg iemand de voornaam Pils.
Ik denk dat ik dan liever Teflon had geheten.
Of Bakeliet.
Ja.
Bakelietje.

***

Ik logeer in mijn broers huis, want die zit in Japan.
De gangen van het appartementencomplex ruiken naar ingedikte rookworst. Voor zover dat kan, rookworst indikken. Ik hoor de bovenburen lopen en buiten loeien de sirenes.
Het appartement is op een steenworp afstand van Manneke Pis.
En de ouwe spellenkast uit mijn ouderlijk huis staat in de gang.
Ik voel me hier thuis.

De mevrouw van de trein is de vleeswording van een warm bad

“En dat treinticket heeft u net besteld, mevrouw Hendrix?”
“Ja, vier minuten geleden.”
“Naar Brussel.”
“Ja, en er staat een andere tijd op dan dat wat ik had aangevinkt.”
“Wat is uw boekingsnummer?
“A-A-G-B-H-H-R.”
“Anton, Anton, Cornelis, Bernhard, Hendrik, Hendrik, Rudolf?”
“Ja, nee, die Cornelis moet een… een euh… Gamma zijn.”
“Mevrouw?”
“Ja?”
“U mag geen reclame maken over deze lijn.”
“Pardon?”
“Grapje.”
“…”
“Bent u daar nog?”
“Ja, ik ben er nog. Ik ben gewoon zo blij dat ik eens een keer iemand aan de lijn heb die ook dit soort flauwe grappen maakt.”
“Graag gedaan hoor, mevrouw Hendrix.”