De telefoon

De telefoon gaat. Alweer.

Ik ben op de gang op de grond onder de telefoon gaan zitten en ik wacht op Jeannette om haar te zeggen dat de telefoon al de hele dag gaat, al realiseer ik me ook wel dat Jeannette dan zegt dat ik de telefoon gewoon op had moeten nemen.
Ik? zou ik dan zeggen, ja, zou Jeannette antwoorden, jij woont hier toch ook en voor hetzelfde geld was ik mijn sleutels vergeten en wilde controleren of jij straks thuis zou zijn, maar ik ben altijd thuis, en daarbij, jij vergeet nooit je sleutels, voor hetzelfde geld was er iets ergs of was Anton me kwijt of was ik in paniek voor hetzelfde geld belde er iemand om te zeggen dat ik dood ben of heb ik mijn been gebroken, ben ik onder een bus gelopen, heeft een gek me in de rij bij de supermarkt me door mijn kop geschoten en ben ik verlamd. Misschien moest ik je gewoon hebben.
Jij mij hebben?
Ja.
Gewoon?
Ja. Ik jou hebben. Gewoon.

Ik neem de telefoon op.

Onbelangrijk nieuws en het bijbehorende beeld:

1.

Hans van der Togt: “Onder mijn presentatiedesk stond altijd een flink bel wodka-jus. Telkens als een kandidaat een zwengel aan het rad gaf, nam ik buiten het oog van de camera een slok. Dat was de enige manier om vrolijk te blijven.”

animated_lakeland_pics_smal.gif

2.

Goor gaat een romantisch boek schrijven over de liefde. Zijn website schrijft: “Het boek is tevens doorspekt met gedichten die hij de afgelopen tijd schreef en ook songteksten uit het verleden zullen een steentje bijdragen aan dit romantisch meesterwerkje.”

white_square.jpgwhite_square.jpg

alex-old_fam_photo.jpg

Een verharend huisdier

Ik zag vandaag toen ik met mijn fiets voor een stoplicht aan het wachten was een Fiatje voorbij rijden met daarin een kleine magere vrouw, het type dame dat een hele sigaret op kan roken, zonder hem met haar handen aan te raken.
Ook al zat ze in de auto, ik wist precies hoe haar stem moest klinken.
Een schorre doorrookte stem.
Ik zag eigenlijk alleen haar silhouet met een peuk die uit haar mond stak, maar ik weet dat haar huid vaal-grijs eruit ziet.
Het was een wijds kruispunt, daar waar ik voor het stoplicht wachtte, dus ik had de luxe haar vanaf stilstand tot in een weidse baan om me heen te kunnen volgen.
Ze trok aan haar peuk, trok op, moest schakelen door de bocht en in die beweging zag ik een askegel van zeker twee centimeter van de sigaret afvallen.
Ze vertrok geen spier.
Geen verschrikte blik naar haar schoot, geen hand die de as van haar kleren klopte, nee, twee gespannen handen om het stuur en de sigaret stevig tussen haar getuite lippen. Misschien had ze wel een kunstgebit.
Ik schoot in de lach, terwijl ik daar zo stond, tussen een groepje fietsers en voetgangers.
Ik wilde wijzen en zeggen wat ik gezien had, maar soms zijn dingen nu eenmaal mooier als je de enige bent die er getuige van was. Ik dacht aan hoe ze straks uit zou stappen en de as van haar schoot zou kloppen, alsof haar sigaretten een verharend huisdier zijn.
Het stoplicht sprong op groen. We fietsten weg.
Misschien vertelt er vanavond iemand aan het avondeten dat er een meisje op de fiets, die middag naast hem voor het stoplicht, spontaan hardop had gelachen.
Ja, dat zou mooi zijn.

Sommige relaties zijn gewoon echt te gecompliceerd

~Of: Gehoord in de trein, soms is je koptelefoon vergeten zo gek nog niet.~
~Of: Hoe een friet-ei je relatie over de kop kan helpen.~

“Waarom at je eigenlijk niet gewoon alles dat mijn ouders op tafel hadden gezet?”
“Wat?”
“Nou, je at alleen maar boterhammen met kaas.”
“Ik had gewoon zin in een boterham met kaas.”
“Je kunt niet zomaar, omdat jij daar zin in hebt, gewoon laten staan waar mijn moeder zoveel moeite voor heeft gedaan.”
“Voor watte?”
“Ze had speciaal voor jou friet-eieren gemaakt.”
“Friet-eieren?”
“Die had ze de hele ochtend staan rollen.”
“Had dat dan gewoon gezegd.”
“Ik kan dat toch niet zeggen met mijn ouders erbij?”
“Friet-ei?”
“Ja, dat is echt iets van het zuiden.”
“Klinkt echt heel goor.”
“Wat bedoel je daar nu mee?”
“Friet-ei?”
“Dat is ei met ragout met paneermeel en dat gefrituurd. Ze lagen naast de broodschaal.”
“Die gigantische gefrituurde ballen? Gadverdamme.”
“Jij vindt gewoon altijd alles uit Limburg stom.”
“Komaan.”
“Ja, echt alles. Van carnaval tot sokker pèèk tot de schutterij.”
“Ik heb nog nooit iets over de schutterij gezegd. Daarbij heb je volgens mij in het noorden heus ook wel schutterijen.”
“Ik vraag me nu echt af wat je nou met mij moet als jij zo’n takkehekel aan Limburgers hebt.”
“Liefje…”
“En jij mij maar uitlachen. In je vuistje.”
“Liefje…”
“Jij voelt je gewoon aangevallen. Door die gigantisch gefrituurde ballen. Jij hebt gewoon geen ballen. Zak hooi.”
“Ik hoef dus echt nooit meer mee met jou.”
“Prima. Prima. Dan ga je zo meteen ook maar alleen naar huis.”
“Prima.”
“Prima.”

Antonette wil dood, deel XVII

“Een bamischijf, een kaassouffle en een grote friet pinda,” bestelt Antonette bij de frituur.
“Hatsikideeeee,” zegt Harold met een knipoog tegen de meneer achter de balie.