Het jachtgeweer van opa langs moeders kant

“Gisterochtend heb ik met een jachtgeweer de kraaien uit mijn achtertuin geschoten.
Klote beesten.
Ik haat ze.
Ze doen net alsof ik al dood ben.
En als ze niet net doen alsof ik al dood ben, dan wachten ze.
Ik ben niet dood.
Ik ben niet dood.
Ik werd midden in de nacht wakker en ik dacht:
Ik pik het niet.
Ik mag toch doen wat ik wil.
Ik mag toch best een volière?
En een kamer met knipsels en een kamer met souvenirs.
Ik heb gewoon veel meer meegemaakt dan de gemiddelde mens.
Sorry, maar ik heb gewoon meer spullen.
Ik moest steeds denken aan die klote beesten.
Hoe ze de hele dag in mijn tuin zitten en naar me staren.
Alsof ze wachten.
Ze wachten op me.
Zodat ze mijn lijf kunnen verscheuren.
Mijn gezicht kapot kunnen pikken.
Mijn handen, mijn benen, mijn borsten, alles uit elkaar trekken met die snavels.
Ik ben opgestaan en heb het oude jachtgeweer uit de meterkast in de gang gepakt.
Er zat stof op en ik weet niet of ik dat een goed teken vond.
Het was een uur of vijf.
Het was nog donker.
In het licht van de keukenlamp heb ik het geweer opgepoetst.
Als een soldaat.
Met een koperpoetsdoek.
En met een pijpenrager heb ik de loop schoongemaakt.
Kruitresten verwijderd, van zulks.
Het is een ouderwets jachtgeweer dat ik geërfd heb van mijn grootvader langs moeders kant.
Eerst hagel erin, dan kruit er bovenop en de boel goed aanstampen.
Ik heb het geweer gepakt en ik ben met een plaid over mijn benen op een stoel onder de veranda gaan zitten en ik heb gewacht tot het licht werd.
Ochtend.
Tot die klote beesten weer tevoorschijn zouden komen.
Het was nog een hele klus om na de eerste en de tweede en derde kraai, etcetera, te wachten.
Ik wilde er minstens tien tegelijk omleggen.
Ratten zijn het.
Vliegende ratten.
Toen er tien vrolijk als kippetjes door de tuin scharrelde heb ik zo snel als ik dat ouwe ding kon herladen vier ladingen hagel op die smerige dingen afgevuurd.
Ze wisten niet wat hen overkwam.
Zes heb ik er gedood.
Sommigen waren zo aan flarden geschoten dat ik bijna dacht dat het er twee waren. Maar ik speel niet vals.
Zes dooie kraaien.
De drie die geen poten meer hadden heb ik verbrand in een ton achter het schuurtje en de andere drie heb ik als waarschuwing voor de rest van de zwerm aan de wasmolen midden in de tuin gehangen.
Als het waait draaien ze nu als in een carrousel in het rond.
Het stemt me tevreden die beestjes hun dodendans te zien draaien.
En nog een laatste pluimpje rook boven het dakje van het schuurtje te zien uit kringelen.
Nog even en het is winter.”

Vannacht op Radio 1

Presentator: “…maar vannacht hebben we het dus over wat een corrigerende tik is en wanneer dat nu wel of niet zou mogen.”
Ans aan de telefoon: “Nou, maar ik ben dus naar die ene musical geweest, die van Danny de Munk, nou, en wat je dáár ziet, nou, dan denk je wel even na, dan leer je ‘t wel af, dat zeggen dat een corrigerende tik mag.”