De Hooiman op Lowlands, deel III

Zoals verschenen in de zondageditie van Lowlands’ Daily Paradise.

white-square.jpg

Zondagavond, 20u25, wederom voor de pannekoekentent

Ik zit al sinds gistermiddag voor de pannekoekentent. Het was vannacht nog best een klus geweest om onder het zeil weg te kruipen zonder gezien te worden. Onder de balie had ik tussen de papieren bordjes en servetten geslapen.
“Als je iedereen kwijt bent moet je op dezelfde plek blijven,” had mijn dikke besnorde Akela bij de welpen ooit gezegd. Ik had veel gezelschap gehad voor de pannekoekentent de afgelopen dagen. Twee Limburgse meisjes deelden bubbelgum met me en een hadden dansje voor me gedaan. “Ongesubsidieerde kunst!” riepen ze bij het weglopen. Ik zag een jongen in een elektrische rolstoel, die gierend van de lach een passagier over het terrein racete, dikke zweterige kale mannen zonder shirt en naast me hadden gothicjongens op plateauzolen sinas gedronken.

“Groots en meeslepend wil ik leven! hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis!” schreef Hendrik Marsman, waarop een halve eeuw later Theo van Gogh zei: “Groots en meeslepend wil ik leven, maar elke dag denk ik: ik wacht nog even.”
Ik kijk naar de gekleurde spotlights, ik ruik mens en stof en mijn wangen gloeien van de zon van vanmiddag.

Ineens staat de Hooiman briesend voor me.
“En waar ben jij steeds geweest!?“ brult hij.
“Nou gewoon, hier!“
Dit was niet zoals ik me had voorgesteld.
“Gewoon hier?!”
“Waar was jij?!”
“Nou!“ roept de Hooiman. “Daar!” De Hooiman wijst naar een soepkraam aan de overkant van het veld.
“O,” zeg ik, “ik was hier.” Ik wijs naar de pannekoekentent.
We zijn even stil.
“O,” zegt de Hooiman. “Dat kan ook. Natuurlijk.”
De Hooiman gaat naast me zitten.
We kijken naar de mensen die voorbij komen.
Ik vertrouw nooit meer Akela’s met snor in een hopmanpak.
“Heb je het leuk gehad?” vraag ik.
De Hooiman antwoordt niet.
Hij slaat een arm om me heen.
En daar zitten we totdat de zon zakt en het begint te miezeren en de nacht ons naar huis jaagt.

De Hooiman op Lowlands, deel II

Zoals verschenen in de zaterdageditie van Lowlands’ Daily Paradise.

white-square.jpg

Zaterdagmiddag, 16u40, op een bankje voor de pannenkoekentent.

“Mijn pannenkoeken zijn lekkerder,” zeg ik tegen de jongen naast me. Ik leun teder hem tegen aan. Dit is liefde. Later zal hij zeggen, met ons zoontje op zijn knie, dat het de pannenkoeken waren die ons samenbrachten.
“Pannekoeken, Jean-Paul!“ waarop onze zoon zou kirren van plezier.
Ik val om want Jean-Pauls vader is opgestaan en wijst nu vanaf een groepje mensen naar me. Ze lachen. Misschien was het toch niet zo’n goed idee geweest om met de rockers uit de legertent te ontbijten.

“Wat kijk je sip,“ had Chantal gezegd toen mijn pannetje met spiegelei was omgevallen.
“De Hooiman is kwijt,” mompelde ik.
Ik had gisteren de hele dag gezocht.
”Och,” zei Chantal.
“Ja,” zei ik.
En zo kwam het dat Chantal voorstelde om aan te schuiven en haar cornflakes met Baileys met me te delen. De rockers dronken bier uit thermoskannen.
Vanaf dat moment was het er niet veel beter op geworden.
“Ik wil groots en meeslepend leven!” had ik gezongen. “Ik wil dat iemand me optilt en me op zijn schouders zet! Ik wil door graanvelden rennen!”
Ik had uren gedanst en gesprongen en rondgedraaid en toen ik mijn ogen weer geopend had stond ik helemaal alleen voor de pannekoekentent.
De Hooiman is gek op soep en pannekoeken.
Ik was op een bankje gaan zitten.

In wezen is ieder mens alleen, je zit immers altijd alleen in je hoofd.
Ik denk dat ik Jean-Pauls vader nog maar even op de lange baan schuif.
Het begint langzaam te regenen en iedereen duikt weg onder overkappingen en in tenten.
Ik blijf zitten en kijk naar het water dat in mijn bierbeker plenst.
Ik denk aan de Hooiman.
Oké, oké, fluister ik tegen het opspattende bier.
Ik wacht op hem, ik wacht op hem.

De Hooiman op Lowlands, deel I

Zoals verschenen in de vrijdageditie van Lowlands’ Daily Paradise.

white-square.jpg

Vrijdagochtend, 10u10, camping 3

“Alles doet pijn,” klaagt de Hooiman.
“Tja,” zeg ik.
Geheel tegen de Hooimans zin was ik gisteravond vroeg onder de wol gekropen en toen ik vannacht naar de wc moest, vond ik hem in het 24-uurs washok, waar hij met een psychotische glimlach een woeste polka danste. Meisjes doken angstig weg achter de wasbakken en een groepje in modderige jongens moedigde hem aan. Onder afkeurend gejoel had ik de Hooiman aan zijn arm meegetrokken. Hij mag er dan wel uitzien als de bouwvakkerversie van He-man, hij heeft maar een klein hartje.
De Hooiman en ik zijn al jaren beste vrienden. Hij kwam op een dag met zijn kolenschoppen en stierenek mijn keuken ingelopen, ging op het allerkleinste krukje zitten, zuchtte een keer en is nooit meer weggegaan.
Ons tentje staat in de schaduw van een grote legertent met ongeveer twintig rockers. Hun stereo blaast al sinds half acht vanochtend metal, het soort metal dat de jongens uit het dorp vroeger herd rok noemden. De rockers zijn aardig, ze boden de Hooiman al een literblik Atlasbier aan, alsmede Chantal, de enige dame die bij de legertent hoort.
De Hooiman had vriendelijk bedankt.
“Leuk hier, hè?” had Chantal gezegd.
Leuk? Leuk is een gefiguurzaagd paardje! riep Alex van Warmerdam ooit.
“Ja,” antwoordde ik.
Normaal is de Hooiman juist prima te porren voor goeiekoop extra sterk bier in voordeelverpakking of voor vrouwen met getoupeerd haar en een spijkerlegging.
De Hooiman had zin gehad in Lowlands, lekker met zijn vriendinnetje kamperen, lekker met zijn vriendinnetje zonnen, lekker met zijn vriendinnetje kussen bij een bandje.
Maar gisteren trof hij haar huilend om haar moeder in foetushouding aan in de douchebak, waarna hij haar met gedragstoornissen en al aan de dijk had gezet.
“Nou, dan ga jij maar mee,” had hij gezucht.
We zitten voor ons tentje en het begint te miezeren.
“Leuk hè,” mompel ik.
De Hooiman gromt.
Hij staat op en loopt zonder om te kijken de camping af.

Bontje

De oude overbuurvrouw wreef zo nu en dan met haar knokige vingers de vitrage opzij om te kijken of het nu weer diezelfde man was die daar zo aan de overkant voor de deur stond. De oude overbuurvrouw kreeg op zulke middagen warme knieën van de centrale verwarming waar ze tegenaan geleund stond en boven zou ze haar bedlegerige zus naar het toilet horen stommelen. De oude overbuurvrouw stelde zich dan voor dat er een meneer voor háár deur stond te wachten in de regen, die aan het dubben was of hij wel aan zou bellen. Een nette heer, die zijn vinger al een kwartier vlak voor de bel hield, maar niet drukte. Dat hij na lang twijfelen dan toch zou drukken en dat ze op zou schrikken, zich af zou vragen of het een pakketje kon zijn, of de meteropnemer. Dan zou ze de deur open doen en de nette meneer zou zijn hoed optillen en vragen of ze zin had in een glaasje, ergens in een grand café, ergens om de hoek. Dan zou ze blozen, knikken en een bontje en een plu van de kapstok pakken.
Het stommelen boven verstomde even, een stilte werd onderbroken door het geluid van een doorspoelend toilet, en dan zou het stommelen weer dezelfde weg terug afleggen.
Hoe perfecter oude vrouwen zich opmaken, hoe meer het opvalt dat ze gerimpeld zijn.
Boven kraakte een bed. De oude mevrouw zou de vitrage laten terugglijden en de warme radiator verlaten.

Mi rowsu

Ik heb een met verrotte kool en mest overladen volkstuintje in mijn hart, maar alleen voor jou.