Com-mu-ni-ca-tie

“Ik word altijd zo weemoedig als ik om me heen ineens relaties stuk zie gaan, die altijd zo ideaal leken.”
“Tja.”
“Leuke mensen, die het leuk samen hebben.”
“Ja ja.”
“Ik moet er gewoon een beetje van huilen.”
“Ach, lief toch.”
“Die altijd goed leken te communiceren.”
“Ja, jee.”
“Gaat dan iedere goeie relatie stuk?”
“Nou…”
“Je ziet alleen maar de stomme saaie rotkoppels de tien jaar halen.”
“Ach ja, maar…”
“De enige oplossing is gewoon maar niks met niemand niet te beginnen. Gewoon thuis te zitten. Met een fles wijn.”
“Nou, nou, nou.”
“Ofzo.”
“Ja.”
“Ons gaat dat niet gebeuren, hè?”
“Nee, lief.”
“Wij blijven net zo goed communiceren als dat we nu doen, toch?”
“Hè? Wat?”
“Ik voel me al een heel stuk beter.”
“Ja?”
“Ja!”
“Hè, wat fijn.”
“Ja. We doen het heel goed.”
“Inderdaad. Heel goed.”

Oranje is Het Nieuwe Zwart

bea.jpg

Tijdens Oranjepop in het Nimweegse Hunnerpark lezen de jongens en ik voor uit ‘t Neije Swert.

white-square.jpg

In de tipi.

tipi1.jpg
“Typisch het nieuwe zwart,” grapte iemand die op bijster weinig schaterlachen rekenen kon. (Zie foto.)

white-square.jpg
Het is maar twintig minuten, dus wees niet bang voor ellenlange verhandelingen van mummelende dichters.
Daarbij zijn wij natuurlijk jong, snel en wild, dus schroom niet om onze tent in te kruipen.

Van 14u15 tot 14u35.
Op Koninginnedag.

bea1960.jpg
Wie weet is het wel de laatste en dan kunt u op de vraag wat u dan wel niet deed, die laatste koninginnedag in 2009, antwoorden dat u bij ons was.

Wat was het een fijne avond gisteren

“Straks gaan we het allemaal vieren, maar nu éérst nog even huilen,” zei d’n Lee lachend voordat ze weer een treurig liedje inzette.
“D’n Lee moet een stand-up comedy show gaan doen,” zei ik tegen Photomike die foto’s schoot. Photomike knikte instemmend.

t-neije-swert-ii.jpg

Het Nieuwe Zwart werd gepresenteerd en Willem droeg een geel en Dennis´ schoenen waren stralend wit.
We droegen voor, we dronken bier, rookten sigaretten en hingen in de Plu rond tafels en praatten en lachten. Ik heb zelfs iemand een traan zien pinken, maar dat was uren nadat de expositieruimte was afgesloten en we bij Bas-1-2-3-boterham-met-pindakaas in de Plupub aan het bier zaten.

Het was een mooie avond.
En dat was het.

Mijn piep-knor

Op deze vrijdagochtend fietste ik om kwart voor tien langs de bewaakte fietsenstalling aan de grote rotonde. Voor het hek stonden een tiental dames te wachten tot om tien uur het hek open zou gaan.
Ze keuvelden in de ochtendzon en ik vroeg me af of er een hele wereld schuil zou gaan, daar achter de hekken van de bewaakte fietsenstalling. Een wereld met bonbons en koffie, met tafeltjes met theelichtjes erop en een wereld met ongedeukte fietsmandjes en fietstassen zonder afval. Waar Bureau Toezicht niet je fiets steelt en een junk hem je niet aanbiedt.
Op mijn piep-knor-fiets trapte ik voorbij op mijn platte banden.
Ik klopte mijn ros teder op zijn bel.
“Het is niet erg, liefje,” fluisterde ik hem toe, “ik hoef niet bij die kakkers. Kom, we gaan fijn naar huis. Daar zet ik je met een kettingslot gewoon aan je eigen paal.”
Hij zuchtte opgelucht.
De grote rijkdom van anderen is toch altijd even schrikken.

Huisgenote is weer terug

~En d’n Lee ook!~

Met de telefoon tussen mijn schouder en kin geklemd ging ik met beide handen door een berg was om een joggingbroek te vinden, zodat ik beschaafd bedekt naar de badkamer kon lopen.
Tot ik ineens besefte dat huisgenote terug is, die zo sinds december af en aan in het buutenlaand zat en ik daardoor opgescheept met een verder heus wel prima onderhuurder. Gisteren had ik huisgenote met haar kwieke gezelschap in de vorm van d’n Lee opgehaald van Schiphol, alwaar de twee keurig en heelhuids na zes weken Amerika uit het vliegtuig stapten.

“Joepie!” brulde ik door de telefoon.
“Auw,” klonk het aan de andere kant.
“Ik kan weer gewoon in mijn onderbroek door het huis!”
“Jaaaa,” klonk het lauwtjes.

In mijn ondergoed huppelde ik de trap op en draaide een rondje door huisgenote’s nog lege woonkamer.
Badjassen zijn voor mietjes.
En mensen zonder huisgenote.

Dag Martin

“Ik vind Martin Bril altijd veel beter op papier, dan op televisie!” riep ik altijd steevast tegen de tv als Bril tafelgast was bij De Wereld Draait Door.
En dat vond ik ook.
Martin Bril was de eerste columnist die ik graag las. Martin Bril was ook de eerste columnist die ik las die gewoon op de fiets ging zitten. Of in de trein.
Ik weet wel dat hij daar niet uniek in was, maar het was de eerste die ik las en het is net als bij lievelingsbands: het eerste album dat je hoorde blijft altijd het speciaalste.
Zelfs als je weet dat er daarna eigenlijk betere zijn gemaakt.

Het kwam door hem dat ik realiseerde dat ik vanaf een bankje in het park de wereld veel liever en veel beter kan bezien, dan met een bittere pen via een column wijzend naar iemand met net zo’n bittere pen als ik.

Martin Bril is dood.
Het is eeuwig zonde.

Als iedereen er niet is

Gehoord in de bus:

“Ja. Nee. Ja. Hoi. Ik heb ijsjes als toetje.”

“Ja. Hoe laat kom je?”

“Ja, nee, die komen allemaal niet.”

“Ja. Half zeven. Maar ik ben zelf wat later. Mijn huisgenoot doet voor jullie open. Ja, nee. Mijn hond moet naar de dierenarts.”

“Ja. Hij moet een nachtje blijven.”

“Ja. Misschien gaat hij wel dood.”

“Ja, ik lach wel, maar ik vind het echt heel erg.”

Ja. IJsjes. Ik dacht, dat kan wel.”

“We waren toch maar met zijn vieren. Dus ik dacht, dat kan wel. Ik bedoel, als iedereen er niet is.”

“Ja. Doei.”