Verlicht

Gauw tussen het typen door even op de fiets om naar Stichting Overal te gaan voor de laatste stukjes decor.
Wat een geweldige kringloopwinkel (en ook nog eens exclusief, want maar vijf uur in de week open).
Ik ben danig onder de indruk.

***

De man met de krukken rende (toch behoorlijk snel) een Turkse dame achterna, die volgens hem niet had afgerekend.
“Main man graat betaal!” riep ze terug.
“Hierkomme!” riep de man met de krukken.

De man met de krukken was niet onder de indruk van de kapotte schakelaar van het schemerlampje.
“Kijk,” zei ik.
“Evengoed twee euro, net als alle andere schemerlampen. Die schakelaar hoef je alleen maar even aan elkaar te plakke’.”
Ik durfde natuurlijk geen nee te zeggen. Wie weet hoe hij aan die krukken kwam.

***

De meneer van de afdeling grote spullen daarentegen voelde zich schuldig dat er geen geaarde stekker aan mijn stalamp zat.
“Ja, en ik weet ook niet of ‘ie het wel doet,” zei ik.
“Nee, ja, dat weet ik ook niet. Vijf euro dan maar.”
“Oké. Ja. Vijf euro.”
“…”
“Wat betekent die sticker eigenlijk?”
“O. … Dat hij het doet.”

Ik overhandigde de aardige meneer gauw vijf euro.

***

Ik ben zo blij als een kind.

26112008096-001.jpg

Het leven is eigenlijk heel simpel

Een college logica zet het allemaal in één zin:

∀x∃yHxy

Iedereen houdt van iemand.

white-square.jpg

Wat natuurlijk ook weer een soort van onzin is. Tenminste, volgens de logica betekent ∀x∃xHxx semantisch hetzelfde. Dus iedereen houdt van iemand en die iemand kan ook hijzelf zijn. Wat zegt dat dan over hoop?

Oplichting

Toen ik zojuist precies om zes uur naar de brievenbus rende (ik weet dat zeker, want het nieuws van zes uur begon op de radio toen ik de trap naar buiten afdenderde) om op tijd te zijn voor de lichting van vandaag (en ik was op tijd) besefte ik ineens dat ik in heel mijn leven nog nooit heb gezien dat een brievenbus daadwerkelijk geleegd werd. Dat terwijl ik me in mijn leven al veel te vaak rond lichtingstijd naar de brievenbus heb gespoed.
Raar.
Zou er sprake zijn van een complot?

Of bestaan er eigenlijk helemaal geen brievenbus lichtende postbodes?
En is post toch misschien iets dat zich metafysisch verplaatst?

Ofzo?

Vandaag in een dotenop

1.
Niet nog zes keer gesnoozed, dus tijd om de krant te lezen en een boterham te eten. Dat kan ook alleen maar niet-veel-goeds voorspellen.

2.
Kaartjesautomaat in tunnel stuk, waarna ik op dertig seconden na de zwaar vertraagde trein van een half uur daarvoor miste. Toen wachten op de eigenlijke trein. Vertraagd. Ufcurs.

3.
De metro die ik moest nemen wegens stuk spoor stonk naar… naar… een kruising tussen kots en van die Dufty-poppetjes van vroeger.

4.
duftyhuis2.jpg
Heb al zeker twintig jaar niet meer aan Dufty’s gedacht.

5.
Uitgaande sms, 17u45
Ik sta in een hoekje gedrukt in een afgeladen boemelstoptrein ergens tussen de Bijlmer en Utrecht, want geen normale treinen tussen A’dam en Utrecht. Iedereen is zo zen als hindoekoeien en hier en daar worden vriendschappen voor het leven gesloten. Frappant altijd, hoe mensen zich altijd veel meer ergeren als er geen vertraging is en wél gewoon plaats om te zitten.

6.
In de verte zie ik op een totaal verkeerd spoor mijn trein wegrijden.

“Meneer van het Informatiepunt?”
“Ja, Hanneke?”
“Waarom zag ik mijn trein wegrijden op spoor 5, terwijl wij met zijn allen op spoor 14 stonden te wachten?”
“Nou, die kwam niet uit Amsterdam. Want er rijden geen treinen naar Amsterdam.”
“…”
“…”
“Waarom heeft u dat niet eventjes omgeroepen?”
“Tja…”

Achter me gromt een boze mensenmenigte.

“Weet u hoe koud het is?”
“Och, Hanneke, nu niet boos worden.”
“Ik ben niet boos. Ik ben teleurgesteld.”
“Het spijt me zo! Niet weggaan! Alsjeblieft!”

Ik draai me om en als ik wegloop hoor ik de meute achter me Meneer van het Informatiepunt met grof geweld in stukken rijten. Op het perron wacht ik klappertandend op de volgende trein.

7.
Uitgaande sms, 18u30
Fucking totale chaos op Utrecht Centraal. En koud! En honger! En vertraging! En ik wil NU naar huis.
Het was veel gezelliger in de boemelstoptrein.

8.
Voor me in de tunnel loopt een magere jongen met vettig lang haar. Aan zijn hand hangt een meisje met felroze haar.
Achter me loopt een jongen die de hele tijd “Nou!” zegt.
Ik hoef nog maar vier en een halve minuut te lopen, maar ik wil NU thuis zijn.

9.
Ik kook veel te uitgebreid voor mezelf alleen en ik draai de verwarming heul erg omhoog.

10.
Aan de telefoon, 20u30
“Ik zit vol.”
“Kinderen in Afrika, die zitten vol! Jij bent verzadigd.”

Ik ga naar bed.

De godvrezende kleuter

Er gebeuren genoeg wereldschokkende dingen in het leven van een kind. Een dood konijn, een platte band en een potloodpunt die breekt. Maar mijn band werd geplakt en mijn konijn ging niet dood, en als mijn konijn doodging dan vond ik dat maar eventjes erg, want dan kreeg ik gauw weer een nieuwe.
Nee, toen ik klein was ging God dood.
Op mijn achtste viel ik van mijn geloof, en ik viel hard en ik viel van hoog, want als rechtgeaarde rooms-katholiek voelde ik me niet schuldig, maar schaamde ik me diep.

Tot die tijd was ik een godvrezende kleuter geweest. Ik zag God als een soort van superheld, als mijn grote liefde. Ik koesterde overigens dezelfde soort gevoelens voor prins carnaval, al zag God alles en prins carnaval daarentegen juist helemaal niets. Hele dagdromen kon ik hebben over dat wanneer God eenmaal terug op aarde zou komen, ik vooraan zou staan.

Maar op een dag was hij weg. Het gebeurde toen ik op het toilet zat en op een Truman-show-achtige manier (of misschien wel een Sinterklaas-bestaat-niet-achtige manier… Ik kan niet kiezen) besefte ik ineens dat ik voor de gek gehouden was en hij was niet eens dood, want dan zou ik nog een soort van missen. Nee, hij was er nooit geweest.
Ik was erin getrapt, erin getuind en iedereen deed alsof. Hoe ik mijn best ook deed, niets kon er voor zorgen dat ik weer kon horen bij die gelukzalig wuivende mensen op de EO-jongerendag.
Sukkel die ik was. Ik had me laten belazeren door een ouwe grijze man op een wolk. Met een snor. En een baard.
Dat zou me niet meer overkomen.

En eigenlijk is die teleurstelling altijd gebleven, want in ware liefde heb ik nooit meer kunnen geloven. Hoe kan het ook? Als blijkt dat God niet bestaat en Sinterklaas niet en dat Bert en Ernie gewoon poppen zijn met de stemmen van Wim T. Schippers en Paul Haenen. En dat the Night Rider een enge man blijkt, die David Hasselhoff heet en dronken op de keukenvloer een broodje hamburger naar binnen werkt terwijl zijn dochter hem filmt.
Ware liefde: laat me niet lachen. Het is een farce.

In mijn leven geen wereldschokkende gebeurtenissen meer, besloot ik. Ik plak liever mijn band dan mijn hart.
Maar toch…
Misschien, heel misschien kom God ooit, op een mooie zomerdag, weer bij me terug.
Dan tikt hij me op mijn schouder en zegt hij: “Grapje hoor Hanneke, ik was er heus wel. Heus. Kijk, ik zat daar verstopt in die struik en ik heb zó m’n best moeten doen om niet in lachen uit te barsten. Maar goed, nu is het wel weer genoeg geweest. Hier ben ik, en ik blijf.”
En dan zal ik hem in de armen vallen en zeggen: “Ik vond het helemaal niet leuk, God. Maar nu je er weer bent ben ik eigenlijk alleen nog maar heel erg blij.”
Ik hoop het.
Stiekem.