Hoe ik in bed liggen op het midden van de dag rechtvaardigde

“Ik heb het koud!”
“Thee drink..”
“Doe ik al. Staat mok naast me.”
“Schoenen aa…”
“Heb ik al. Bontlaarzen zelfs.”
“Verwarming.”
“Aan.”
“Trui.”
“Ook.”
“Sjaal.”
“Om.”
“Eten.”
“Al op. Veel.”
“En dan is het nog maar 15 graden.”
“Wacht maar tot de winter, dan word ik gewoon niet meer warm. Gewoon niet.”
“Hardlopen.”
“Ik ga in bed. Onder drie dekens.”
“Op het midden van de dag?”
“Ja.”
“Hardlopen is beter!”
“Jahaaaa!”
“Nou ja, ik denk ook maar mee.”
“Maar ik heb het zo kou-houououououd!”
“In bed gaan liggen. Met drie dekens.”
“Hè, kijk, wat een goed idee. Aan jou heb ik nou nog eens wat.”

Voor de hoop

Voordat de hooiman er was, waren de dagen aaneengeschakeld en was de week een grote brei van niks, die werd afgewisseld met een wandeling naar de kruidenier. Ik stond op rond een uur of vier om het koffiezetapparaat aan te zetten en dan naar de kruidenier op de hoek te lopen om broodjes te halen. Twee broodjes.
Thuis kroop ik dan met die broodjes en een mok koffie weer in bed en dan keek ik videobanden.

Sinds een dvd-speler nog maar twee tientjes kost kun je via internet voor een kwartje-vieftig hele dozen videobanden aanschaffen. Originele speelfilms, films die van de televisie opgenomen zijn, seizoenen series met ouwe reclames er tussendoor.
Ik ben een ster in het aan de praat krijgen van haperende videobanden. Soms was ik wel tien minuten bezig met het masseren van een cassette en dan keek ik triomfantelijk de lege kamer rond als de film eenmaal zonder kraken en haperen begon te spelen.

Ik sliep slecht voordat de hooiman er was. Ik dacht dat het god was die me probeerde te vertellen dat ik een lelijk en stinkend wezen ben dat rust van de nacht niet verdient. Nu lijkt het me plausibeler dat het mijn lijf was dat me probeerde te vertellen dat ik meer naar buiten moest. Dat ik moest bewegen, werken, iets doen. Ook niet bijster snugger van mijn lijf, overigens, om via intense moeheid me te proberen te vertellen dat ik iets moest gaan doen. Mijn lijf codeert nogal omslachtig. Het leek wel een vrouw, dat lijf van mij.

Huilen was na slapen en eten de hoofdactiviteit van mijn dag. Niet zozeer omdat ik niemand had, want ik moest er niet aan denken om iemand om me heen te hebben, maar omdat ik alleen was met mezelf. En dat ik dat was, waar ik mee was. Het leven zou zoveel gemakkelijker zijn geweest als ik iemand anders was geweest. Als ik een blonde vrouw was geweest, met humor en twee meter been, die lekker kon koken en goed kon pijpen, een vrouw met rode lippenstift en een sigaret, die journaliste is en ’s avonds uit gaat dansen. Als ik een vrolijk kind was geweest, dat uit was gegroeid tot een vrolijk mens, dat het leven ziet als een boel uitdagingen, een vrolijk mens dat graag met bejaarden praat, met kinderen, een mens dat niet op is gehouden met naar buiten te gaan omdat ze op straat toch het liefste mensen omver fietste.
Als ik niet opgescheept zou zitten met een bitter iemand, met iemand die geen ander nut kan zien dan het zo rigoureus mogelijk uitschakelen van het gevoel door twaalf uur per dag televisie te kijken, dan had ik niet steeds hoeven huilen.
De laatste vrolijke bui die ik had, was de dag dat de bedrijfsarts me afkeurde. Het laatste gevoel van overwinning voelde ik toen de psycholoog (een blonde vrouw met twee meter been) ook niet meer precies wist wat ze met me aan moest.
Want ik heb niks werkbaars.
Er is niks met mij.
Ik snij niet.
Ik heb een gelukkige jeugd gehad, al moet ik zeggen dat ik me niet kan onttrekken aan het gevoel dat een gelukkige jeugd een oxymoron is. Ik snap wel dat u dat misschien niet zo voelt. Dat u dat echt kent, of hebt gekend: geluk.
Ik ben bang dat ik ongelukkig werd geboren.
De één wordt geboren met een navelstreng om de nek, ik werd geboren met een kuthumeur. Mensen zijn niet graag bij me in de buurt en dat snap ik wel. Zoals ik al zei: ik zat met mezelf en daar was geen fuk aan.
Ik heb niks werkbaars, want in wezen is er niks mis. Behalve ik, ik als mens, in de diepste kern van mezelf, daar waar zelfs bij een kampbeul nog een sprankje hoop gevonden kon worden, zat bij mij gewoon niks.

Hoop bestaat alleen bij de gratie van de afwezigheid van hoop. Ik kon alleen weten dat ik geen hoop had omdat ik toch ergens in de verte hoop moest hebben gekend. Zelfs in sterven had ik geen zin. Ik leefde iedere dag toe naar het punt dat de film afliep en de volgende begon en dat ik broodjes kon eten.
Ik at twee broodjes per dag.
Soms was ik zo blij met het brood dat het me ontroerde en dat ik moest huilen. Huilen en eten is het eenzaamste dat er is. Het heeft iets dierlijks. Net zoals dat neuken en eten eenzaam is.
Laat me alsjeblieft eten.
Laat me alsjeblieft eten, zodat ik niet voel dat ik eet. Ik eet maar, omdat ik niks anders heb. Kijk dan, ik huil en omdat ik zo alleen ben en zo lelijk en gevlekt haal ik het enige plezier in mijn leven uit het eten van mijn broodjes. Ik hou alleen van mijn broodjes. Geloof me, als ik zou kunnen neuken, dan zou ik neuken, ik zou me van binnen helemaal kapot laten rammen en dan zou ik huilen, omdat ik niks anders had dan alleen maar dat gat daaronder.

Maar ik at.
Ik at en ik zag niemand.

Mijn lievelingsfilm was Parenthood.
Waarin een groot gezin met kinderen en kleinkinderen allerlei problemen overwinnen, waarin altijd wat te lachen valt, waarin niemand elkaar in de steek laat, waarin oma overgrootoma is en waarin Mary Steenburgen getrouwd is met Steve Martin.
En alles kwam op het einde gewoon goed.
Voordat alles goed komt, moet alles fout zijn.

Alles was fout.
Alles was fout voordat de hooiman er was.
Er was geen hoop, er was een vaag vermoeden van afwezigheid van hoop, dus ergens school het in een kleine kier, achter de plinten van mijn muffe bed.
Alles was fout en toch:
Het was een soort van wachten.

Grafrede

avonddienstflyer.jpg
Reden te meer, zou ik zeggen.

De jongens zijn niet meer en ik ga een grafrede houden.
Wat zou u willen horen op uw eigen begrafenis?

Evy zorgt ook voor ‘n schoon huis

De depressiefste dag van de week leidde (of in dit geval: leed) tot de volgende gebeurtenissen:

06u30: Het negeren van de wekker en in halfslaap besluiten om te verslapen.
12u02: Wakker worden en denken van “lui mens”.
12u05: De klaptop die nog aanstaat openklappen en een blockbuster aanzetten.
13u15: Ontbijten in bed bij de blockbuster en denken “luie zeug”.
13u55: Drie keer alle websites in mijn favorieten bekijken.
14u07: Te doen-lijst met twaalf punten bekijken.
14u30: In slaap vallen.
15u55: Wakker worden, denken “luie, luie… what ever”.
16u10: Besluiten om te gaan rennen.
16u30: Jnnk bellen om voor die avond de auto te lenen.
16u35: Blij verheugd zijn om Jnnk in, weliswaar stukken actievere, soortgelijke gemoedstoestand vinden.
16u40: Niet heus, maar toch een soort van dood willen.
16u45: Uit bed stappen en renkleren aantrekken.
16u55: Rennen met Evy, van wie ik met hart en ziel hou. Vandaag zei ze “Ik zeg start en jij rent, we zijn een echt team!” met haar fijne Vlaamse accent.
17u20: Besluiten twee renschema’s te rennen en een rondje fietsbrug-waalbrug te doen.
17u25: Evy zegt: “Vandaag gaat het een stukje zwaarder worden!”, twee minuten rennen, één minuut wandelen, een half uur lang.
17u40: Bijna dood gaan, soort van, maar niet meer niet-heus dood willen.
17u45: Uitgelachen worden door bemanning van tankschip op Waalkade.
17u46: Uitgelachen worden door twee ouwe mannetjes op bankje op Waalkade.
17u47: Nagewezen worden door jungske dat obert op een slecht terras op de Waalkade.
17u50: Rennen alsof in Footloose, maar dan zonder knievallen en gebruik van fabrieksinterieur.
17u58: Thuiskomen, moeite met traplopen, koningin van de wereld voelen, douchen.
18u30: Autosleutels halen bij Roy Santiago.
18u35: Koffie en pindarotsjes krijgen.
19u10: Naar de supermarkt. Potplant kopen.

solanum.jpg
Weet iemand misschien hoe je deez’ moet verzorgen? Kan het niet op internet vinden. Het arme beestje heet Solanum Megaball

19u40: Uitgebreid koken en gans lege koelkast volstouwen.

vol.jpg
Vol! Rechtsonder de beste pastasalade van de afgelopen 5 maanden.

20u30: Dan toch ook maar stofzuigen en dweilen.
21u00: Dan toch ook maar de afwas van de hele week doen.

afwas1.jpg
Schoon!

21u20: Wederom met zelf afspreken om in geval van depressie meteen te gaan rennen, in plaats van in bed te liggen en eerst blockbuster met Shia LeBeouf te kijken en het leven te vervloeken.
21u22: Afvragen of dit dan misschien een manie is.
21u40: Foto’s van alles gaan knippen.
21u41: Besluiten dat rennen tot manies leidt.
21u55: Stukje schrijven, onderwijl thee met Sint Janskruid drinken.

Ik weiger

Zoals voorgedragen tijdens de presentatie van het eerste nummer van de achtste jaargang van Op Ruwe Planken.

white_square.jpg

Ik zal nooit dezelfde unisex trainingspakken gaan dragen als de man die ik huw, net zoals dat ik nooit een Hartman tuinset zal aanschaffen, waarop ik zit, met een Libelle in de zomervakantie terwijl mijn man op een lullig tractortje het gras maait.
Ik huw geen man met een snor die Henk heet.
Ik huw geen man die ’s ochtends om half acht fluitend op zijn fiets springt, met een appeltje in zijn aktetas, een aktetas die hij in een speciale beugel aan zijn bagagedrager klemt, en dan, met zijn snor, naar zijn saaie kantoorbaan fietst.
Ik huw geen lunchwandelaar.
Ik huw geen man die naar kledingkast ruikt, geen man die op feestjes verlekkerd kijkt als ze vragen wat hij wil drinken en hij mag zeggen dat hij graag een pilsje wil omdat ik, zijn vrouw, heeft aangeboden om terug te rijden.
Ik word geen onderdeel van een stel dat op de derde zaterdag van de maand het buurmeisje als oppas heeft om dan uit eten te gaan en te zwijgen onder het mom van “wij zijn niet bang zijn voor stiltes”, waarbij de vrouw zich verheugt op de chocola bij het toetje en de man zich verheugt op het volgende biertje, want het is weekend, dus het mag.
Ik zal nooit, nooit, nooit niet bang zijn voor stiltes.
Ik word geen onderdeel van een stel dat na het eten op die derde zaterdag in de auto terug naar huis de oppas belt om te zeggen dat we er zo aankomen.
Ik zal geen man huwen die graag de oppas naar huis rijdt, ook al is het maar een stukje verderop.
Ik zal geen vrouw zijn die een dikke reet krijgt.
Ik zal geen man huwen die zich onder de douche aftrekt bij de gedachte aan de oppas met haar kleine pronte tietjes door een wit bloesje, die naast hem in de auto zit omdat ze bang is voor enge mannen.
Ik zal geen man huwen die mij gaat haten, omdat ik zoals alle vrouwen verander in een aubergine geverfd, kort harig zeikwijf met een te dikke kont in een taps toelopende spijkerbroek en een katoenen trui met beertjesopdruk.
Ik zal nooit een vrouw worden die denkt dat het bij een huwelijk hoort, dat ze een goede vrouw is als hij ’s nachts op haar kruipt en hij het licht uitlaat.
Ik zal nooit lelijke kinderen baren van mijn suffe man.
Ik zal nooit lelijke kinderen baren waarvan de familie bij ieder exemplaar zegt: wat een lief kind!
Ik zal nooit naar mijn kinderen kijken en denken, ver weg, ergens ver weg, diep in mijn hart: god wat heb ik gedaan?
Ik zal nooit een tuinlaaf kopen.
Nooit een leren hoekbank.
Nooit een zwaar eiken salon tafel.
Nooit een keuken op tweede paasdag in een keukencentrum.
Ik zal nooit verteerd worden door tv, nooit wegzinken in de eindeloze leegte van mijn mans ogen, gericht op diezelfde tv, ik zal nooit niet meer bang zijn voor de sleur omdat die angst bedekt is door tien jaar van diezelfde sleur.

Ik doe er niet aan mee, ik word niet zoals mijn ouders, mijn ooms en mijn tantes, mijn buren, mijn klasgenoten, vrienden en collega’s.
Niet zoals Henk en Marjan, Heinz en Agnes, Peter-Paul en Chantal, Francien, Elcke, Annemarie, Marc, Marloes, Fred, Frank en Sjors.
Nee.

Ik zal het nooit.
Ik huw een muzikant, die me midden in de nacht rondzwiert over een dansvloer, die graag wil dat ik jurkjes draag, die me optilt op straat, die me draagt, die me kust alsof ik ieder moment dood kan gaan en als dat dan allemaal niet kan dán nog liever een man die me slaat.
Want ik weiger.
Geen Henk, geen Sjors.
Ik sterf nog liever alleen.

Terwijl ik naar de sterren door het raam van mijn eenpersoons bejaardenflat kijk en ik voel dat het leven altijd, altijd pijn heeft gedaan.

Op de MSN met d’n Lee

Anna zegt:
Ik heb iets verrekt in mijn rechterschouder.

Anna zegt:
Maar weet niet hoe en waar.

Lea zegt:
Ik heb een blindedarmontsteking denk ik. Oh. En ik ga dood.

Lea zegt:
Weet ook niet hoe en waar.

Anna zegt:
O jeetje.

Anna zegt:
Nou.

Anna zegt:
Jij wint!

Lea zegt:
Ik ben daarentegen wel aan het roken en koffie drinken.

Anna zegt:
Dus dat wil zeggen dat je nog leeft.

Anna zegt:
Winnaar!

Anna zegt:
Ik bedoel:

Anna zegt:
Een blindedarmontsteking kan ook bij een dooie.

Anna zegt:
Toch?

Anna zegt:
Soort van?

Anna zegt:
Of is dat gewoon rotten?

Anna zegt:
Weet ik eigenlijk niet.

Anna zegt:
Gaat dat gewoon door?

Anna zegt:
Onsteken?

Anna zegt:
Als je dood bent?

Anna zegt:
Lea?

Anna zegt:
Lee?

Anna zegt:
Ben je daar nog?

Anna zegt:
Hallo?