Gered

Het is nacht en ik kan niet slapen.
Ik draai al een paar uur in bed.
Ik luister radio.
Ik probeer dat niet-slapen gewoon te laten zijn.
Ik probeer gewoon te liggen en te luisteren.
Ik probeer niet te denken aan hoe jij mij ooit wilde.
Ik probeer niet te denken aan hoe ik jou ooit wilde.
Ik probeer niet te denken aan hoe het geweest was, als ik niet had besloten om niks te zeggen.
Ik bedenk hoe het was geweest als jij niet had besloten om niks te zeggen.
De bel gaat.

Hoe nooit iemand me komt redden.
Hoe nooit iemand komt, aanbelt en zegt: “kom mee, ik neem je mee en alles komt goed, want ik ben hier en jij bent hier en nu is alles goed.”
Zoiets gebeurt nooit.

De bel gaat.

Ik sta op en ik open de deur.
De hooiman komt binnen.
“Goddomme,” zegt de hooiman.
“Wat?” zeg ik.
“Je stinkt naar zweet,” zegt de hooiman.
“Ik sliep,” zeg ik. “Nee, wacht, ik kon niet slapen.”
“Watte?” vraag de hooiman.
“Dat doe ik dan.”
“Zweten of slapen?”

Ik wil slapen.
Ik wil dood.

“Niet slapen,” zeg ik.
Ik zucht en laat hem binnen.
“Ik wil dood,” zeg ik.
“Ja, dat is goed,” zegt de hooiman afwezig, ondertussen pakt hij een kan van de tafel en loopt ermee naar de badkamer, “maar nu even niet, want ik moet gewoon even kwijt dat ik er gewoon even klaar mee ben.”
De hooiman vult in de badkamer de kan.
“Ik kan gewoon helemaal niet tegen afwijzing,” zegt de hooiman als hij terugkomt. “Zit ik daar te wachten en ik weet dat ze niet komt, en wist al dat ze niet komen zou en dan nog kan er gewoon niet mee omgaan als ik dan uiteindelijk van haar hoor dat ze niet komt. Terwijl ik het al wist. Dan nóg. Dan nóg voel ik me… Voel ik me…”
“Kut,” zeg ik.
“Ja,” zegt de hooiman.
“Ach,” zeg ik.

Ik pak een schoon shirt en ik kruip onder de dekens om het aan te trekken. Ik heb een schoon shirt aan, ik gooi het ouwe weg en ik kruip verder onder de dekens.
Ik ga slapen.
Ik.
Ik.
Ik.

“Ik moet naar huis,” zegt de hooiman.
“Ik heb het koud,” zeg ik.
De hooiman kruipt onder dekens.
“Ik wil niet meer,” zeg ik.
“Dat zeg je al zolang ik je ken,” zegt de hooiman.
De hooiman pakt me vast.
“Niks wordt nooit zoals ik hoop dat het wordt,” zeg ik.
“Nee,” zegt de hooiman, “zonder hoop verlies je je ziel”
“Ik hoop niks,” zeg ik.
“Je komt wel weer tot leven,” zegt de hooiman.
“Hoop doet leven,” zeg ik.

Hij wiegt me.

“Hoop doet leven,” zegt de hooiman.
“Ik wil dood,” zeg ik.
“Niet zolang ik er ben,” zegt de hooiman.
“Nee, niet zolang jij bestaat,” zeg ik.

Ik heb eigenlijk geen hoop.
Maar ergens is er ergens is er ergens een sprankje dat maakt dat ik hier blijf.
Met adem.
Met muziek en met het feit dat ik in de zon mag liggen en mag zwemmen.
En ja, de hooiman is de hooiman en wat zou ik nou toch hebben gemoeten met mijn alles, hier onder mijn borstbeen, zo zonder hem?
“Je hebt me gered,” zeg ik. “Je redt me.”
De hooiman draait zich van me weg, de dekens in.
“Het komt een andere keer,” zegt hij. “Oké?”
“Ja.”

Ik snap het altijd allemaal.

Ik weet dat jij er toen ook was.
Ik weet dat jij me toen ook wilde.
Ik luister naar de radio.
Ik luister naar hoe de gekken praten, naar hoe de slapeloze mensen besluiten om naar de radio te bellen en te praten.
Ik ben bang dat ik daar ook ooit toe behoor.
Ik mis je.
Ik wil dat je me komt redden.
En ik bedenk dat ik niet iedere zin met ‘ik’ mag laten beginnen.

Aan de telefoon met Thijs

“Batman? Ik had vroeger Batman-boterhamworst.”
“Gaaf. Echt heel gaaf. Wauw, what ever happened to Batman-boterhamworst? Ik wil die!”
“Doet Prince weer de soundtrack?”
“Hè, gatver. Ik haat Prince.”
“Eindelijk! Ik word altijd omgeven door Prince-liefhebbers!”
“Ik háát Prince!”
“Ik ook!”
“Ja, niet z’n oude werk natuurlijk.”
“Nee, dat niet. Natuurlijk.”
“Natuurlijk. Maar goverdómme wat is dat Batman-nummer van Prince slecht.”
“Ongelofelijk.”
“Ongelofelijk. Ik ga het meteen opzoeken en op m’n weblog zetten.”
“Oké.”
“En de boterhamworst, natuurlijk.”
“Natuurlijk. En de boterhamworst.”


Slechte theatermakers doen dit ook: “we weten niet wat we willen doen, het moet ongeveer over dit-en-dit-en-dit gaan, kom we maken een collaaaaaaaaaaaaage.” Bah! Hanneke háát het!.

Top drie van levensreddende liedjes aangaande het voortzetten van mijn miezerig schrijversschapjes bestaantje

1.

You just haven’t earned it yet, baby
You must suffer and cry for a longer time

2.

When you’re knocked on your back – an’ your life’s a flop
and when you’re down on the bottom there’s nothing else
but to shout to the top – shout!

3.

I cried myself to sleep last night
And the ghost of Carl, he approached my window
I was hypnotized, I was asked
To improvise
On the attitude, the regret
Of a thousand centuries of death

Even with the heart of terror and the superstitious wearer
I am riding all alone
I am writing all alone

Even in my best condition, counting all the superstition
I am riding all alone
I am running all alone

And we laughed at the beatitudes of a thousand lines
We were asked at the attitudes
They reminded us of death

Even with the rest belated, everything is antiquated
Are you writing from the heart?
Are you writing from the heart?

Huiver

Soms word je van alle kanten bestookt met hetzelfde nummer.

***

I keep throwing it down two-hundred at a time
It’s hard to find it when you knew it
When your money’s gone
And you’re drunk as hell

***

Inkomende mail, het Dronken Schip, 8 juli 2008:
(Niet de clip, want die is er niet, maar het nummer. En zijn plaat. Ik
heb uiteraard nauwelijks een idee, maar dit lijkt me zeer wel mogelijk
jouw ding. Bon Iver. “Onthoud die naam,” zou een sportverslaggever
zeggen.)
gegroet,
het Dronken Schip

***

I’ve twisting to the sun I needed to replace
The fountain in the front yard is rusted out
All my love was down
In a frozen ground

***

Ik stond een tijd geleden bij de platenboer plaatjes te luisteren bij Jnnk aan de toog. Naast me stond P de DJ, met een koptelefoon op zijn hoofd.
Ik hing aan de toog.
“Maar wát wil je dan horen?” vroeg Jnnk.
“Ik weet het niemeer,” zuchtte ik. “Iets met trompetten. Ofzo. Ik heb last van korte spanningsboog.”
“Ik weet al wat.”
Ik kreeg een koptelefoon op en een cd werd gestart.
Na een nummer zette ik ‘m weer af.
“Ik ga. Ik heb geen zin meer.”
P de DJ zette nu ook zijn koptelefoon af.
“Bon Iver, dat moet je d’r laten horen.”
“Nah! Dat laat ik d’r net horen!”
“Nietes!”
“Jawel!”
“Ik ga d’r vandoor.”
“Echt géwéldig!”
“Doei…”
“Echt, hè!”
“Zo mooi!”
“Kan gewoon niet, zo mooi!”

Nu goed.
Ik verliet zonder cd’s de zaak.

***

This my excavation and today is Kumran
Everything that happens is from now on
This is pouring rain
This is paralyzed

***

Inkomende mail, de jongen met het slecht passende vel, gisteren:
Graag gebruik ik deze gelegenheid om jou te besprenkelen met een wonderschoon plaatje. Ik hield het niet droog in ieder geval. Misschien dat je het al kent…

***

Drie maal is scheepsrecht.
En nu ben ik overstag.
Ik kan er met mijn kop niet bij hoe dit nummer het kan presteren om elke draaironde wéér mooier te worden.
Terwijl ik toch echt denk dat het toch echt niet mooier kan.

***

This is not the sound of a new man or crispy realization
It’s the sound of the unlocking and the lift away
Your love will be
Safe with me

***

Luister en huiver, luister en huiver, luister en huiver en ik beloof, m’n besten, dat ik voortaan eerder zal luisteren.

***

On your back with your racks as the stacks as your load
In the back and the racks and the stacks are your load
In the back with your racks and you’re un-stacking your load

***

Voor iedereen zoals ik…

… die bang is en denkt dat men op een dag ondekt dat hij het niet kan, niet durft of niet waar maakt.
We kunnen het.
We kunnen het allemaal.
Jij ook.

Met dank aan Eefa, die me wees op wijze woorden die ik al lang weer vergeten was.
white_square1.jpg
Uit: Life of Pi, Yann Martel

Hoofdstuk 56

Hier moet ik even iets over angst zeggen. Angst is de enige echte tegenstander van het leven. Alleen angst kan het leven eronder krijgen. Het is een sluwe, verraderlijke vijand, en ik kan het weten. Angst kent geen fatsoen, geen respect voor wetten of overeenkomsten, geen genade. De angst zoekt je zwakste plek en vindt die met onfeilbaar gemak.

Het begint in je hoofd, altijd.

Het ene moment ben je nog kalm, beheerst, gelukkig. Dan sluipt de angst, vermomd als onschuldige twijfel, als een spion naar binnen. De twijfel stuit op ongeloof, en dat ongeloof probeert de twijfel eruit te werken. Maar het ongeloof is een slecht bewapende infanterist. Daar maakt de twijfel zonder moeite korte metten mee.
Je wordt zenuwachtig.
De rede komt je te hulp. Je laat je weer geruststellen. De rede is uitgerust met de nieuwste technologische wapens. Maar tot je verbijstering wordt de rede verslagen, ondanks een superieure tactiek en een aantal onweerlegbare overwinningen. Je voelt dat je verzwakt, dat je krachten tanen. Je zenuwachtigheid slaat om in vrees.

Dan begint de angst aan je lichaam te vreten, dat al heeft gemerkt dat het helemaal de verkeerde kant uit gaat. Je longen zijn als vogels weggevlogen en je darmen zijn als slangen weggekronkeld. Nu ligt ook je tong als een oppossum dood in je mond en je onderkaak begint als een razende pas op de plaats te maken. Je oren worden doof. Je spieren beginnen te bibberen alsof ze malaria hebben en je knieën gaan trillen alsof ze aan het dansen zijn.
Je hart spant zich te veel in terwijl je sluitspier zich juist te veel ontspant.
En zo gaat het ook met de rest van je lichaam. Ieder onderdeel laat het afweten, op de manier die er het best bij past.
Alleen je ogen doen het nog naar behoren. Die letten altijd goed op bij angst.
Snel neem je overhaaste beslissingen. Je laatste bondgenoten, hoop en vertrouwen, stuur je weg.

Zo.
Nu heb je jezelf verslagen.

De angst, die alleen maar een indruk is, heeft je overwonnen.

Het proces is moeilijk onder woorden te brengen. Want angst, echte angst die je tot in je diepste grondslagen doet trillen, zoals wanneer je oog in oog staat met het eind van je aardse bestaan, sluipt je als gangreen je geheugen in: die angst wil alles aanvreten, zelfs de woorden waarmee je erover spreekt.
Daarom moet je jezelf desnoods dwingen om er uitspraak aan te geven. Je moet je uiterste best doen om het licht van je woorden erop te laten schijnen.
Want als je dat niet doet, als je angst een woordeloze donkerte wordt die je mijdt, die je misschien zelfs kunt verdringen, word je kwetsbaar voor nieuwe aanvallen van angst, omdat je een tegenstander die je heeft verslagen nooit helemaal vergeet.

Eefa en Nora

Ze zijn net weg.
Naast me aan het toetsenbord ligt nog een vorkje dat ik eerder op de avond liet liggen toen ik iets ging googlen omdat Eefa niet meer wist wat er ook alweer was met die man waarnaar de leeuw in Life of Pi was vernoemd. Na het verliezen van mijn vork at ik, terug aan tafel, vrolijk verder met Nora’s vork. Want zo gaat dat.

Ik heb met huisgenote een fijne leefkeuken, dus Nora, Eefa en ik aten en ik kookte en we aten en ik kookte en terwijl ik kookte praatten we, over ons, over ons leven en over waar we staan en wat we doen.
Wat kennen we elkaar toch goed.
En nu staat de keuken vol, met lege portflessen en goeie stinkkaas die uitgelopen is. En ik drink een duur biertje uit een portglas, want dat deden we toen de port eenmaal op was.
white_square.jpg
Inkomende sms, Nora en Eefa, zojuist:
Hebben de trein gehaald. Alles gaat recht kom! Hoe dan ook! Dikke kus, Nora en Eefa

Uitgaande sms, zojuist:
Ik vond het zo gezellig! Ik ben trots! Op ons en op wie we geworden zijn! Dames, het is echt een luxe: jullie als vrienden hebben, al zo lang! Kus! Uitroepteken!

white_square.jpg
Soms dan geloof ik het bijna niet, wat een geluk ik heb met deze twee dames. Wat een geluk ik heb dat er twee zijn die me al kenden toen ik nog een klein en onzeker fruupke was. Dat ze er altijd waren, tijdens de eerste tranen, de eerste mannen, de eerste boeken, de eerste studie, de eerste keuzes om te doen wat we doen. Ook al is het nieuw, is het eng en zijn we bang, dat we er altijd zijn om te zeggen dat het recht gaat kom.
Dat we alles van elkaar hebben gezien, de eerste tranen, de eerste gierlachen, de eerste kutbaantjes, kakken met de deur open en de eerste scheten, de eerste keer single malt whiskeys bij liefdesverdriet, de eerste sigaretten, het eerste kind, de eerste twee huwelijken (nu ik nog en ik wil niet), de eerste kapotte en oude auto’s en de eerste vakanties met die oude en kapotte auto’s.

En dat we er nu nog steeds zijn.
Met elkaars zorgen en ziekten en elkaars neuroses en hartepijnen.

En dat we er nu nog steeds zijn.
Na vierentwintig jaar.

Ik drink nog een portglas bier. Ik rook nog een sigaret. Ik proost.
Op waar we vanavond op proostten.
Op over tien jaar.
Op over twintig jaar.
Op over dertig jaar.
En op over veertig jaar, dat we dan proosten, met een portje uit een hand die al een beetje mag trillen omdat we oud geworden zijn.

Dat we er dan nog steeds zijn.

Lang leve de onsympathieke, vals zingende zak hooi!

Joepie!

In de Lowlandseditie van NRC Next noemt Leon Verdonschot op nummer 3 van zijn tips voor het komende festival ons aller HIM!
En wat een gelijk heeft hij!
Ik zag ze al eerder, en ik ga weer kijken.
Ik quote:

white_square1.jpg

3. HIM
Verbijsterend slechte band, misschien wel de beroerdste die ooit op Lowlands stond. De zanger is een onsympathieke, vals zingende zak hooi. Voor het podium staan hysterische pubermeisjes die onophoudelijk gillen en krijsen, alsof ze iets (en iemand) heel anders horen en zien dan wij.
De band kun je missen als een soa, het tafereel niet.


white_square1.jpg
Baby, join me in death!
Gaat u mee?

In mijn hoofd na een nacht bierschenken



This fact not fiction
For the first time in years
And all the girls in every girlie magazine
Can’t make me feel any less alone
I’m reaching for the phone

To call at 7:03 and on your machine I slur a plea for you to come home
But i know it’s too late
I should have given you a reason to stay
Given you a reason to stay

This is fact not fiction
For the first time in years

Met dank aan d’n Lee.