Ik ben even naar Barcelona

barcaneeskens.jpg

Ik ga vier dagen alleen maar boeken lezen, in de zon zitten, koffie drinken bij Shilling (of hoe dat tegenwoordig ook heten mag), in bad liggen in het veel te dure hotel dat ik heb geboekt, appeltaart eten bij Buenas Migas, door de stad lopen, kijken of de Sagrada al af is, mijmeren over ‘t leeven, stukjes schrijven met pen en gewoon op papier in een opschrijfboek, cava drinken met een veel te grote zonnebril op en een kek jurkje aan, klompen-spaans praten, Ducados roken en in de rij staan bij La Fonda.

Opgeven

Ik sta aan het aanrecht en ik klop tarwezemelen door het beslag.
Ik bak pannekoeken.

“Wat doe je?” vraagt de hooiman.
Ik antwoord niet. Sommige dingen zijn duidelijk genoeg.
“Waarom gooi je die zooi door het beslag?”
Ik antwoord niet.

Dat is iets dat ik doe.
Zooi door het beslag gooien.
Zodat zoiets als een pannekoek iets minder lekker is, maar dat je er dan wel gewoon vier van kan eten zonder dat je heel erg dik wordt. Zo werkt het in het leven, dat je iets gewoon wat minder lekker moet maken zodat je er gewoon heel erg veel van kunt eten.
Ik hou van veel eten en ik heb ook altijd haast.
Als ik ergens ben, dan ben ik altijd alweer bezig met waar ik daarna zal zijn.
Net zoals met bakken.

“Het gaat om het eten,” zeg ik na een tijdje. “Het gaat niet om het bakken.”
Ik heb honger.
“Moet je d’r nou één of niet?”
De hooiman zucht.
Hij houdt niet van zemelen.
“Ik hoef geen koeken met prut.”
“Van deze word je dun,” zeg ik.
“Ik hoef niet dun,” zegt de hooiman, “en ik ben niet dik.”

We eten pannekoeken.
We praten niet.
Ik smeer stroop, de hooiman strooit suiker.
Poedersuiker, alsof zijn leven er vanaf hangt.
Alsof er tegen het zemelen op te strooien valt.
Als de pannekoeken op zijn (vijf voor de hooiman, drie voor mij) legt de hooiman zijn bestek neer.
“Ik moet kotsen,” zegt hij.
Ik sta op.
Ik kijk door het raam.
Ik kijk naar de ouwe meneer met het ouwe hondje die altijd voorbij loopt zo net na etenstijd. Ik zwaai door het keukenraam, maar hij ziet me niet.

Soms weet ik niet meer wat ik moet. Want wat valt er nog te redden als je gelooft dat ieder mens alleen in zijn hoofd zit? Wat valt er nog te redden dan? Hoe zit dat dan met hoop? Hoe kan ik hopen als ik weet dat ik altijd alleen zal zijn?

“Jij zit daar wel,” zeg ik. “Jij zit daar wel, maar je hebt geen flauw idee wie die schijt-pannekoeken nou heeft gebakken.”
De hooiman laat een boer.
Hij kijkt me aan.
“Ja, jij,” zegt hij, “en ze zijn inderdaad schijt.”
Ik leun maar op de vensterbank.

De hooiman en ik staan voor het keukenraam.
Ik huil, maar ik huil maar een beetje.
Ik huil knap, zoals in de film.
Ik huil zodat het eigenlijk nep lijkt, want ik heb geen zin om hem droevig te maken.
De hooiman klopt op mijn rug.

“Je moet maar gaan,” zeg ik.
“Vanwege die pannekoeken?” vraagt hij.
“Nee,” zeg ik.

Gewoon.

De hooiman draait zich om en loopt naar de deur.
Ik sta daar maar.
Soms ben ik bang dat ik oud word, dat ik alleen en oud ben.
Dat ik dan maar een hondje neem.

Nu is het genoeg.
“Ik ga hoor,” zegt de hooiman.
“Ga maar weg,” zeg ik.
De hooiman gaat weg.

Door het keukenraam zie ik hem gaan.
Ik zwaai.
Hij zwaait terug.
Ik moest maar eens een hondje nemen.

Ik zet de beslagkom in de gootsteen en draai de hete kraan open.
Stoom waait na een tijdje naar boven.
De beslagkom stroomt over.

Als de keuken schoon is ga ik op een stoel zitten.
Midden in de keuken.
Dit is mijn keuken.
Ik ben hier alleen en dat is goed want zo is zoals ik het wil.

Op een dag dan komt iemand me halen en die maakt dan alles goed.
Dan heb ik een mooie jurk aan en dan heb ik blosjes op mijn wangen en een keer geen kringen onder mijn ogen en dan kijk ik en dan zie ik dat het goed is en dan sta ik op van die verrotte keukenstoel.

Ik sta op.

“Daar ben ik dan,” zeg ik als ik de huiskamer inloop.
Ik ga op de bank liggen.
Ik ben misselijk.
Ik word altijd misselijk van pannekoeken en dat wist ik van tevoren, want dat is wat mensen doen, misselijk worden van pannekoeken. Ik ben een wandelend cliché.
Er wordt op mijn raam geklopt.

Als ik de voordeur open staat de hooiman daar.
“Ik ben misselijk,” zegt de hooiman.
“Ik ben een wandelend cliché,” zeg ik.
“Jij ook?” zegt de hooiman.
“Ik ook.”
De hooiman klopt op mijn schouder.
“Ben je ongelukkig?” vraagt hij.
“Ik ben moe,” zeg ik.
“Moet ik gaan?”
“Jij bent misselijk.”
“Moet ik gaan?”
“Waarom kwam je terug?”
“Ik had geen zin om op de singel te kotsen.”
“Je moet niet zoveel eten.”
“Ik kan nooit stoppen.”
Dat snap ik wel.
“Dat snap ik.”

De hooiman slaapt op de bank.
Er zit een kwijlvlek op de leuning.
Iemand moet me redden.
Ik knip het licht uit en naast de bank ga ik op de grond liggen.
Dan maar slapen.

Het houdt niet op.
Ik geef het op.

Nieuws

Mijn vork bleef even in de lucht hangen toen ik dit nieuws zojuist op de radio hoorde.

Wel gepamperd maar niet getemperd

Lang leve de Contrabas die vandaag het volgende schreef naar aanleiding van Amsterdam Wereldboekenstad:

Ook Hagar Peeters (voor zover mij bekend geen stadsdeeldichteres, maar wel een dichteres, tenminste, dat hoor je wel eens mensen beweren) doet mee, in een filmpje waar zelfs een literatuurliefhebber met eelt op de ziel heel zachtjes om moet huilen. Let op de woordspeling die draait om ‘getemperd en gepamperd’.

Amsterdam Wereldboekenstad begint vandaag aan zijn subsidieverslindende werk.

Een duidelijk teken dat ik een verstrooid persoon ben II

“Één maal graag.”
“Waarvoor?”
“Voor te zwemmen.” Natuurlijk, stomme koe, dit is een toch zwembad? dacht ik er achteraan.
“Wat voor zwemmen?”
“Dameszwemmen.”
Ik hou niet van die vieze ouwe mannetjes in mijn water.
“Dat is morgen.”
“Oh.”
“Op dinsdag.”
“Oh. En vandaag is het…
“Maandag.”
“Juist.”
Een stilte.
“Dan ga ik maar weer naar huis.”

Ik heb vandaag de tijden van het dameszwemmen wel vier keer gechecked.
Op de verkeerde dag.

Nu ga ik maar een stuk lopen.
Ofzo.

Verder nog wat trivia aangaande het bovenstaande:
Pluspunt: ik bleek geen droog ondergoed voor na het zwemmen bij me te hebben.
Minpunt: de besjes in de bejaardenflat hier tegenover zullen het er morgen wel over hebbendat ik vandaag drie keer met een andere outfit naar buiten kwam.

How it ends

Vanavond was ik met Jnnk naar Devtochka en het was zo mooi dat het mijn hart brak.


And you already know
You already know
How this will end