1984

In de Tuinen struin ik door de honderden soorten pillen en capsules. Ik hoef alleen maar een tubetje crème, maar ik vind het altijd erg interessant om potjes te lezen, vooral bij maaltijdvervangers en afslankmiddelen. Ik heb wel eens repen gevonden waarin het hoofdingrediënt glycerine was. Kon je ook mooi de vloer boenen, met zo’n reep.
Ik hoor de jongen achter de kassa de boodschappen van de andere klanten afrekenen, waarbij hij bij elke aankoop vraagt of de klant misschien ook hun tijdschriftje wil kopen. Bij ‘zon’ in ‘gezóndheidsmagazine’ gaat zijn stem steevast een beetje omhoog.
Niemand maakt de jongen los.
Ik besluit af te gaan rekenen.

“Heeft u misschien ook interesse in ons gezondheidsmagazine?” vraagt de jongen.
“Nee hoor,” zeg ik.
De jongen scant mijn tubetje crème.
“Moet je dat nu aan elke klant vragen?” vraag ik hem.
De jongen buigt voorover.
“O mijn god, het is echt verschrikkelijk,” zegt hij fluisterend. Zijn stem is ineens een stuk lager. “Zelfs mensen die hier gister ook waren en toen geen gezondheidsmagazine wilden moet ik vandaag wéér vragen of ze er een willen.”
“Och, arme jongen,” zeg fluister ik terug. Hij wijst onder zijn arm naar een camera die boven hem zoemt.
“En niemand koopt die krengen. Ja, ja, misschien als er net een nieuwe uit is, maar nu, nee, echt niemand.”
“Heb je er vandaag al verkocht dan?”
“Drie! En ik moet er nog zeven. Zéven. Hoe moet ik dat gaan doen? Ik ben een robot!”

Achter me sluit een oudere mevrouw aan.
De jongen schrikt op en klikt weer terug in zijn rechte positie.
Ik gooi mijn beste Marge-uit-Fargo-glimlach naar hem als ik de te grote papieren tas met het tubetje crème aanpak.
Als ik de zaak uitloop hoor ik hem de dame vragen of ze een gezondheidsmagazine wil.
“Wát?” roept de dame. “Een wát?”

Ik denk dat ik maar eens een bak friet ga eten.
Qua gezondheid.