Dog,_running_LCCN2008681184

Wormgat met honden

We zitten in de auto op weg naar de supermarkt en we rijden over een bochtige landweg, in de richting van de vijfsprong als ik een oude jackrusselterriër zie rennen. Hij rent niet soepel, maar hij kijkt evengoed blij. Hij kijkt voor zicht uit, ziet ons niet als we langzaam voorbijrijden. De weg maakt een flauwe bocht en dan zie ik waar de oude hond naar keek: een bordercollie rent voorop, minder blij. Hij kijkt de hele tijd om, om te zien waar zijn vriend nu blijft of zijn vader of moeder of wat die honden dan ook voor banden met elkaar kunnen hebben. Hij blaft naar me als we voorbij rijden. Ik volg de twee honden in mijn achteruitkijkspiegel zo lang het kan. Ze doen zo menselijk aan. Ik schud mijn hoofd even.

We rijden de vijfsprong over.
Achterin zingt mijn dochter liedjes die op bestaande liedjes lijken, maar dan met haar lievelingswoorden.
Springkussen, springkussen, graafmachien.

Ik weet niet waarom ik zo graag over de vijfsprong rijd.
Er staan elektriciteitsmasten in een aangrenzend veld en regelmatig staan er vrachtwagens stationair te draaien met in de cabine een chauffeur die een route opzoekt of een boterham eet, maar toch doet de plek aan alsof er een wormgat zit naar een andere dimensie, terug in de tijd.

We rijden verder. Links en rechts grote boerderijen met nette erven.

Dan staat er een hond op een oprit rechts. Een slanke trotse zwarte hond, ik weet niet wat voor soort. Hij is zenuwachtig en drentelt op zijn plaats op en neer. Hij lijkt mij tegemoet te kijken, maar ik weet wel beter. Hij staat te wachten op die twee. Die twee, die altijd te laat zijn omdat die kleine zo traag is. Daar kan ‘ie niks aan doen, dat weet de trotse hond ook wel, maar het blijft toch vreselijk irritant als je een dagprogramma hebt.
Sommige honden hebben ook een leven, weet je wel.

Eenmaal in de supermarkt is alles weer normaal. Mijn dochter zeurt om een banaan.
Op de terugweg nemen we de rijksweg.
Je weet maar nooit.
Voor hetzelfde geld waren we nooit meer teruggevonden.

bar

Één jaartje kan er ook nog wel bij

HENRY
de STOMME
BARMAN

 

Een bar in een zeer bruin café.
Aan de bar zitten Henry en de Stomme.
De barman komt op.

 

BARMAN
Nog maar een keer bijschenken, Henry?

Stilte.

BARMAN
Ik neem aan dat dat een ja is.

HENRY
Vrouwen: ze moeten blij zijn dat ze er zelf één zijn.

De barman zucht en schenkt in.

BARMAN
Moet de stomme ook nog wat?

De stomme schudt heftig van nee.

HENRY
Ja, doe maar.

De barman schenkt in, veegt de bar even droog en loopt af. Er gaat ergens een deur open en kort klinkt er luid geluid van een feest in een belendende ruimte.

HENRY
Ik heb als man twee regels:
Niet lulle’ als je glas vol is.
Dat is één.
En geef je hart niet aan de eerste de beste.
Dat twee.
Trouw niet voor je veertig bent.

(stilte)

HENRY
Het glas is halfvol, of half leeg.

De Stomme neemt een slok.

HENRY
Ja, jij ziet het leven alsof je glas altijd vol is, of niet?
Jij hebt geen woorden nodig.
Ik vind dat knap.

Dat zwijgen.

Ik denk dat ik zwijgen een van de mooiste dingen op aarde vind.
Een deugd.
Annemarie hield godverdomme nooit d’r bek.
Werkelijk nooit.
Altijd aan het kakelen.
Dat was het.
Regel twee ook gebroken.
Hart weg.
Ik ben een lul.
Ik ben weer een vrij man.

De Stomme klopt hem op de schouder.

HENRY
Met dat gelul van mij.
Mijn glas is altijd halfleeg.
Als je mij hoort lullen.
Ik ben een lul.

Weer de deur, geluid van het feest. De barman komt weer binnen.

BARMAN
Is het hier dan misschien gezellig?

HENRY
Hier is het altijd gezellig.

BARMAN
Hoe is het nu eigenlijk met je?

HENRY
Met mij gaat het prima.

BARMAN
Ik hoorde dat je helemaal stuk was.

HENRY
Van wie heb je dat nu weer gehoord?

BARMAN
Het woord gaat rond.
Henry weer alleen.
Wie had dat ooit gedacht.

HENRY
Henry vindt het prima zo.

BARMAN
Dat jij Annemarie ooit hebt laten gaan.

HENRY
Dat ik Annemarie ooit heb laten gaan?
Ik heb regels opgesteld.
Niks lukt me.
Ik lul teveel.
Ook als mijn glas nog vol is.

(stilte)

HENRY
En regel twee….
En kan alleen maar scherven geven.
Alleen maar scherven.
Ik heb m’n hart gegeven en ik het godverdomme kapot terug gekregen.

Stilte
What’s another year van Johnny Logan zet in.
Henry staat op.

HENRY
Kom, Stomme.
Laten we dansen.
Alsjeblieft, dans met me.
Laten we dansen.

De Stomme staat op en pakt Henry vast.
Ze schuifelen.

running-815302_960_720

Spandex fukker

Ik fietste mijn straat in en ik zag een man in een strak spandex fluorpak met knipperende lichtjes een paar rondjes rennen rond een mollig meisje in een te groot grijs katoenen trainingspak met een wollen muts op. Ze hijgde. Hij liep licht, alsof hij eigenlijk een balletter was. Gespierde kuiten, slanke armen, zo’n nek met zo’n adamsappel. Hij maakt een huppeltje en stoof in een draf de straat in. Het meisje bleef lopen. Ze was rood en ze had een snotneus. Dat kon ik zien, want ze passeerde net mijn voordeur toen ik het felle licht in ons halletje aanklikte.

En ik had het bijna gedaan, ik dacht: ik doe het gewoon, waarom zou ik het niet doen?

Ik had het bijna gezegd: “laat die fukker lekker rennen, kom hier naar binnen, dan trek ik een bier voor je open en dan breken we die worst aan die ik uit Frankrijk heb meegenomen. Misschien heeft de buurvrouw wel borrelnoten, dan leen ik een zak. Zet ik de tv aan en dan plof je gewoon hier op de bank en dan kijken we iets als The Dog Whisperer of een herhaling van een serie met iedere aflevering hetzelfde plot, met iedere aflevering dezelfde moord en dan laat je die gast van jouw lekker die fukking berg oprennen, kan jou het schelen. Wat een lul, in z’n spandex fluorpak.”
Ik had het bijna gedaan.

ball-field-grass-114296

Sjraar

Woensdag ‘s middags train ik de Ceetjes. Ik train de Ceetjes al een jaar of vier en ik doe het graag. En ook best wel goed. Ik vind, je mag jezelf best eens een pluim geven. Dan zeg ik, Sjraar, je doet het goed. Een positieve kijk op het leven is belangrijk. Dat probeer ik de Ceetjes ook bij te brengen. Dus niet afkatten als er eens een fout wordt gemaakt, maar juist zeggen van: “Nou, de volgende keer doe je het heus goed”. Want van fouten leert men. En bij goed krijgen ze een van m’n pluimen. Dan spreid ik mijn vingers en dan zet ik mijn duim als de stam van een boompje op hun hoofd. Dan denk ik, kijk, zo groeien ze. En dat boompje, dat symboliseert juist het groeien van die jongens.
Ik doe het denk ik wel goed.

Soms dan kijk ik naar mijn vriendin en dan moet ik slikken. Moet ik gewoon slikken. Want mijn vriendin is een aardige meid. Ze is rustig en dat is wat ik zoek in mijn vriendin. ‘s Avonds dan kijken we samen op de bank naar de televisie. Het was anders, ooit. Toen van voor de Ceetjes, van voor mijn vriendin. Want vóór de Ceetjes en vóór mijn vriendin deed ik niks. Ik zat thuis voor de Tellsell en ik dronk blikjes Schultenbräu bij mijn boterhammen met leverpastei. En friet. De frietpan stond alle dagen op het aanrecht.

Toen moeder stierf liep ik niet graag lang tussen al die schappen en die vreemde mensen. Maar ik ging, ik moest toch mijn eten en mijn bier hebben. Zonder bier ging ik trillen. Dat zag ik aan de afstandsbediening en dan moest ik naar buiten. Moest ik er op uit. Mijn handen schudden dan zo, dat ik bijna niet het sleuteltje in het fietsslot kreeg. Gauw naar de Aldi, ik ging altijd naar de Aldi. In de Aldi lopen de mensen tenminste niet zo met de neus omhoog als bij de Albert Heijn. Daarbij hoefde ik toch niks luxe als cervelaat of Franse kaas. Maar eenmaal bij de kassa zag ik mezelf dan staan, met twee dozen Schultenbräu en een zak friet en een brood en vier bolletjes leverworst. Dan dacht ik aan moeder. Hoe ze zou zuchtten. “Oh Sjraar,” zou ze zeggen en naar haar wenkbrauwen kijken. Moeder keek liever naar haar wenkbrauwen dan naar mij. En dan fietste ik weer terug.
Maar op een dag begaf het canvas van de linkertas het en rolden al mijn blikjes Schultenbräu over de straat. Reed ik ook nog met mijn achterwiel over een van de bolletjes leverworst heen, die de blikken bier achterna stuiterden. Allemaal paté aan mijn fiets. Iedereen die voorbij kwam moest lachen.
En ineens zag ik twee schoenen met benen naast me. Ik keek op. Er bleek een man op de benen te staan, hij bukte als een knipmes. Zonder een woord raapten we het bier van de straat. Met de armen vol blikken liepen we terug naar mijn fiets met de kapotte fietstas.
“Ik loop wel mee. Woon je ver?”
“Om de hoek.”
“Prima.”
En zo liepen we naar huis. Sjon en ik.

Sjon die bleef. Hij praatte met me, haalde de boodschappen bij de groenteboer en de slager en als we een pilsje dronken dan deden we dat samen. Langzaam veranderden de blikjes bier in pijpjes en die pijpjes die veranderden in koffie. Heel langzaam aan. Soms vroeg hij of ik mee wilde helpen met koken. En dan hielp ik. Boodschappen gingen we samen doen en dan zag ik hoe Sjon een praatje maakte met de slager en het meisje van de bakkerij. Ik merkte dat ze mij ook groetten als ik eerder binnen kwam, als Sjon geld in de parkeermeter deed. Dus ging ik daarna alleen. Op de fiets, mijn canvas fietstas had Sjon geplakt met een stuk tentzeil.

Zingend trapte ik me op een middag een weg naar huis toe, want ik had met wat mijn vriendin zou worden gepraat. Gewoon over het rottige weer en haar winterdepressie. Dat het lastig was in een bakkerij te werken met een winterdepressie. Al die koolhydraten. “Die koolhydraten staan je goed,” had ik gezegd en ze had toen heel hard gelachen en me een gratis hamkaascroissant gegeven. Eenmaal thuis vond ik een briefje op de koelkast.
“Ik ben weg,” stond er.
Met het briefje in mijn hand heb ik voor het raam gestaan tot het donker werd. Toen ben ik gaan koken. De volgende dag heb ik gereageerd op het briefje dat op het bord bij de supermarkt hing. Ik mocht toen op woensdag de Ceetjes gaan trainen. Sjon had gelijk. Het ging prima alleen.

Nu mogen die luxe dingen wel. Smeert mijn vriendin zaterdag ‘s avonds toastjes met zalmsalade of kruidenkaas in de keuken. Ik zet dan de tv zachter om het getik van haar mes op een bord vanuit te keuken te kunnen horen. Of kijk ik naar hoe ze met haar hoofd schudt als ze telefoneert. Sta ik wel eens een uur in de deuropening en voel ik de wind die langs mijn wangen waait. Ik heb het goed, nu. En toch word ik ‘s nachts wel eens wakker. Zwetend. Mis ik de blikjes Schultenbräu met een frietje op de bank. Mis ik het staren en het denken. Mis ik de Tellsell reclames. Want nu vouw ik overdag dozen in de negerzoenenfabriek en praat ik met mijn collega’s als we koffie mogen om half tien en onze boterhammen eten aan lange tafels tijdens de middagpauze. Dan denk ik aan de benen van Sjon en zijn handen en hoe goed het voelde om hem om me heen te hebben. En dan draai ik me nog maar eens om en kijk ik naar het achterhoofd van mijn vriendin. Hoe haar slierten haar over het kussen vallen. Ik heb het goed, heus. Ik zeg altijd maar zo tegen de jongens: korstjes op wondjes die jeuken. Het is heerlijk om aan die korstjes te krabben, maar op een dag dan vallen ze er af en blijft er alleen maar een stukje glad vel over. Het glanst dan wel wat meer, denk ik er achteraan, maar het voelt toch ook wel weer hetzelfde als alle andere huid op mijn lijf.

pexels-photo-796605

Dinsdaag

Waat hes-ste ôs toch in det glaas gedaon, ober, ober ?
Det alles heej zoë op ziene kop geit staon, ober waat hesse gedoan ?
Woar kûmp det grei vandan ? Doar lös ik waal suupke van !
Waat hes-ste ôs toch in det glaas gedaon, ober waat hesse gedoan ?

D’n ober, 1953/1954
Tekst: Frans Boermans – muziek: Thuur Luxembourg

pexels-photo-796605

Maondaag

Er is een aantal zaken die je niet moet doen tijdens de vasteloavend.
En wel:
1. Te weinig laagjes kleding
2. Te veel of te weinig eten
3. Denken: ik ga heel even thuis op de bank zitten.

1.
“Ik ben een boa verloren,” zei ik, terwijl we naar de optocht stonden te kijken. “Koud.”
Je moet niet onderschatten hoe warm zo’n laag veren is. De zon scheen, maar wij stonden aan de schaduwkant van de straat. We hadden een etalage met een afdak, wat weer handig was bij de korte hagelbuien. Het begon me langzaamaan te dagen. Ik had een vest te weinig aangetrokken. Ik zag ‘m gewoon hangen, bij ‘t Mannetje thuis over de stoel. Maar tijdens het aankleden had ik het warm. Trap op, trap af, paniek toen ik een theelepel aan wimperlijm op mijn echte wimpers liet vallen.
Dan maar dansen.
Joekskappelen, mooie wagens, mooie tractors die ze trokken. Grote groepen in mooie pekskes, kleine kindjes in pekskes in bolderwagens.
Ondertussen kropen de kleintjes die bij ons hoorden steeds verder weg in een hoekje. Eentje zat te knikkebollen. De ander kroop de buggy in en viel in slaap, hoe hard de muziek die voorbij kwam ook stond.
Bij wagen 50 ging de helft van de goegemeente met de kindjes naar De Klep.
Wij bleven nog even wachten, want ‘t Mannetje was een vervanger bij de raad. We moesten toch even zwaaien.
Totaal verkleumd belandde ik uiteindelijk ook in De Klep.

Bij De Klep trok een vrouw haar bontjas uit, waaronder weer een bontjas verscheen.
“Kan ik er niet eentje kopen?” zei ik.
“Nae,” zei de vrouw.
“Jammer,” zei ik.
De vrouw haalde haar schouders op en klopte op mijn rug.
“Morgen is het boerenbruiloft,” zei ze.
Ik knikte.

2.
“Kunnen we niet nu al gaan eten?” zei de man. “Saté ofzo? Ergens.”
“O,” zei ik. “Ik weet nog wel iets.”
We liepen naar Hemingway, daar waar ik in 1998 voor het eerst in mijn leven achter de bar ging staan. We stapten naar binnen en de eerste twee personen die ik zag achter de bar waren de enige twee mensen die er nu nog werken die er toen ook al waren.
“Hoera!” riepen we allemaal.
We aten saté, ik zwaaide naar de jongens van vroeger aan tafel 11.
We dronken bier.
We praatten over vroeger.
Op de wc liep ik het herentoilet op. Die bleken omgewisseld.
Twintig jaar.

Daarna wandelden we weer van kroeg naar kroeg.
In De Loco zat het toilet nog op de zelfde plek en vertelde ik aan de man dat ik daar dan ook zo stond toen ik op de middelbare school zat. Op zoek naar degene op wie ik dan dat jaar weer verliefd was. Aan de bar waren ze bezig om met een stoomstrijkijzer zonder kabel over de toog tien meter verderop een rij plastic bekers om te gooien. Ik moest ook een keer. Het was niet echt een keus. De barman verderop zette net zes bier op de bar en een jongen kon nog net met blote handen het strijkijzer tegenhouden. Mocht hij iets aan zijn hand hebben overgehouden: sorry.
Ik was als herfsttafereel verkleed dus ik heb hem getroost met een piepschuimen eikel.
Was alles maar zo simpel.
“Wao gaon we haer?”
We gingen naar de Baek.

3.
De Baek was vol.
“Anders héél even naar huis,” zei ik. “Mijn vest halen?”
Dat was immers vlakbij.

Thuis troffen we ‘t Mannetje ineengedoken op de bank aan.
“Ik heb het zo koud,” zei hij. “Ik heb zes uur op die wagen gestaan in de wind. Daarna werden in de Maaspoort alleen mijn oren heel heet en dat was het.”
“Och jongen toch,” zei ik.
“Wat heb je gegeten?” zei de man.
“Niks,” zei ‘t Mannetje.
Ik besloot om broodjes voor hem te gratineren.
We ploften op de bank.
Héél even zitten.
Héél maar.
Buiten liep een joekskapel voorbij.
De fluitketel floot.
Op de televisie vertelde Oscar van den Boogaard dat Prins Bernhard zijn vader was.
Ik zette mijn hoedje af.
De batterij van mijn lampjes was leeg.

4.
Vandaag is het dinsdag.
Ik heb heerlijk geslapen.
Buiten is het krakend koud, maar ik heb mijn konijnenbonten jasje.
Dinsdag.
Mijn lievelingsdag.

pexels-photo-796605

Zondaag

De vriendin waarmee ik al 33 jaar (drie keer elf, joeksig!) mee bevriend ben, moest een paar seconden kijken voordat ze me herkende. Ik had een zwarte pruik met lampjes op en een goud geschminkt gezicht met een scheve krul in het paars hier en daar. Naast haar zat iemand met een prachtig geschilderd gezicht.
“Dit is de allereerste keer dat ik ooit iets heb geschminkt,” zei ik tegen de buurvrouw van mijn vriendin.
“Morgen gewoon alles goud en alleen nepwimpers,” zei ze.
Zeven zinnen laten hadden we het over de invloed van het brein op het lijf en het leven. Om ons heen aten mensen blokjes kaas en werd er bier gedronken, deinde de massa op en neer. Daarna gingen we weer verder: de man, ‘t Mannetje en ik.

Een half uur later stonden we in de Maaspoort. Op het podium speelde een saxofonist de sterren van de hemel, zong een man nieuwe versies van ouwe liedjes. Er stonden kinderen tussen de bandleden die dansten of rondkeken met in hun hand een koek of een zakje chips. Naast de saxofonist stonden twee kleine jongens met serieuze snoetjes de zaal in te kijken en mee te zingen. Volgens ‘t Mannetje is de Maaspoort zo gebouwd dat met de vastelaovend ze zaal zo omgegooid kan worden dat de bühne voor het publiek is en het publieksgedeelte voor de band. Wij waren ondertussen alweer halverwege onze bonnen. Voor me stond een oude mevrouw met een witte suikerspin en een witte bontjas. Ik zag mensen die twintig jaar geleden achter de bar van mijn stamkroeg in Venlo stonden, toen ik nog ieder weekend terug naar mijn ouders ging en dan thee dronk aan de bar voordat ik de bus naar het dorp pakte. Ik voelde me toen al een hele wereldreiziger. Nu logeerde mijn kind bij mijn ouders en keek ik naar de dansende kindjes tussen de muzikanten. En wie weet sta ik er over twintig jaar wel weer en dan denk ik aan toen ik daar stond met die kindjes en dat ik nog maar zo pas moeder was en dat ik dacht dat ik al een hele dame was, met mijn koophuis en auto en dagopvang en werk en belastingaangiften, de invloed van mijn brein op het nu.
Maar nu was de zondaag. En dat scheelde.

Een flits later stonden we buiten en was ‘t Mannetje aan het schmoozen met de mannen met de lange pluimen op hun muts en belanden de man en ik in de kroeg ernaast waar weer muzikanten aan het spelen waren alsof de wereld elk moment kon vergaan. Ik zwaaide naar iemand van de boekhandel en iemand die de zus is van iemand die ik ooit kende. Ze herkenden me niet, maar zwaaiden toch maar terug. Ooit ging iemand in mijn stamkroeg in Venlo elk jaar verkleed als Poolse boerin, ik hoorde pas dat hij dood is gegaan. De zaal deinde uit en kromp weer, met elke zin, met elke ademhaling, zoals soms op feestjes, als iedereen in de te kleine keuken is gaan staan. Buiten was het plein leeg. ‘t Mannetje schoof weer aan. We zongen alle liedjes.
We deelden kruidenbitter uit een platvink met de mensen naast ons.

De man en ik eindigden in D’n Gaaspiep, want ik wil altijd naar D’n Gaaspiep. Waar ‘t Mannetje was gebleven dat weet ik niet meer. We gingen binnen op een bankje zitten en keken naar de oude dames die dansten. Af en toe kwam er eentje voor ons staan en dan zongen we de teksten naar elkaar toe.

Zo kun je in een dag je leven aan je voorbij zien schieten en je hoeft er nog niet eens dood voor te gaan.

Nu zit ik op de bank, bij ‘t Mannetje die al de stad in is omdat hij op de wagen van de prins moet staan in zijn mooie pak. De man en ik zitten nog in trainingspak. Op de televisie schiet een vrouw alle gaten dicht.
Op Facebook vraagt Lean waar ik ben.
“Nog nurges,” antwoord ik.
Ik ga me maar weer eens in kostuum hijsen.

Het is alweer maandag.