pexels-photo

Koffie verkeerd

“Een latte doppio,” zeg ik bij de pastatent op het station waar ik altijd mijn koffie haal. Tenminste, sinds Dennis Gaens vijf jaar geleden zei dat daar de koffie het best was.
Of: meest goed, zoals iedereen tegenwoordig lijkt te zeggen.
Bah.
“Een café latte of een latte machiato?” zegt de jongen achter de balie.
Ik heb net vijftien kilometer gefietst. Het waaide flink en het hagelde af en toe en ik luisterde de podcast Alice isn’t dead. Dus ik kan niet heel goed nadenken.
“Euhm, hè?” zeg ik. “Ik bestel al jaren gewoon een latte doppio. Hier. Aan de balie.”
Mijn mp3-speler valt op de grond. Als ik weer overeindkom na het oprapen hoor ik naast me:
“Een machiato is met minder melk. Een café latte met meer.”
Volgens mij is het andersom. Betekent machiato melk met een vlekje koffie. Maar ik kan het verkeerd hebben. De man spreekt met een kak-accent en veel valse lucht. Ik kijk naar de man. Hij heeft oude geweven en gebatikte kleren aan. Ik ken zijn soort. Van die mensen die het vervelend vinden dat ze met heel veel geld zijn opgegroeid, en zich daarom zijn gaan kleden alsof ze dat niet zijn. Terwijl ze altijd veel geld zijn blijven hebben, omdat ze het steeds zijn blijven aannemen. Van ouders, van echtgenoten. Ik kwam ze vroeger al zo af en toe tegen, in Venlo toen ik daar in het eetcafé werkte. Het waren er niet veel, maar je had ze wel. In Nijmegen zijn ze er in overvloed. Ze zijn simpel te ontmaskeren, want ze verraden zichzelf altijd. Je kunt nu eenmaal niet onder je afkomst uit. Helaas. In het dorp heb ik ze nog niet ontmoet. Daar loopt iedereen in een bodywarmer en bontlaarzen. Je zwaait als je iemand op straat tegenkomt. Dat is helemaal niet veel werk.
Ik heb nog steeds gewoon vijftien kilometer gefietst.
Ik voel dat er damp uit mijn kraag omhoog slaat.
“Gewoon wat jullie altijd doen als iemand een latte doppio besteld,” zeg ik verward tegen de jongen.
“Is echt een heel verschil, hoor,” zegt de man.
Hij lacht schamper.
“Je kunt ze eigenlijk niet met elkaar vergelijken,” zegt hij.
Ik antwoord niet. Hij vroeg immers niks.
“Ik weet het al,” zegt de jongen. “Een latte machiato.”
“Ja, of bemoei ik me er nu mee?” zegt de man.
Ik zucht. Ik zeg niet dat ik zelf ooit een baristadiploma had, dat ligt nu ergens in een kast te verstoffen. Ik heb nooit goed figuurtjes kunnen maken in het melkschuim. Ik weet wél dat ik voor hem per ongeluk een kleine lul met grote ballen had gecreëerd. Of het nu linksom of rechtsom was. Maar ik zet geen koffie meer voor andere mensen. Ja, voor visite. Dat is bijna hetzelfde als in de kroeg, maar toch anders.
Ik denk aan de buurtsuper in het dorp, die na de feestdagen geen groentetaarten meer verkoopt. Die niet over de kop gaat als ieder huishouden in het dorp er wekelijks vijftien euro uitgeeft. We gaan er dus iedere week heen. Voor sap van appels uit het dorp, boerenkool, een potje van dit en een potje van dat, en nu dus niet meer voor de groentetaart.
“Als jij je daar beter bij voelt,” zeg ik. “Dan bemoei jij je er lekker mee.”
“O ja, nee,” zegt de gebatikte kakman.
Er valt een lange stilte.
Ik zeg niks meer.
Ik krijg mijn koffie.
Al dampend neem ik de eerste slok.
Ik zwaai naar de jongen en niet naar de man.
In de trein dampt alleen de koffie nog. De koffie is goed.
Precies zoals ze ‘m altijd voor me maken.

krets kerst

Krets

~Een Kertsverhaal uit de oude doosch~

Mijn voornemens waren eenvoudig dit jaar:

1 ik ga niet teveel eten
2 ik ga niet teveel drinken
3 ik ga het niet over mezelf hebben

In mijn familie werd niet zoveel gedronken tijdens de kerstdagen.
Dit jaar doe ik het anders want dit jaar slaapt de hooiman al weken op mijn bank. De hooiman ontplopt een kurk terwijl ik de garnalencocktail uit een bakje schep.
Garnalencocktail is eigenlijk heel vies, maar ik werd bevangen door een kerstgevoel toen ik bij de Albert Heijn de bakken in de koeling zag.
“Gatverdamme,” zegt de hooiman en hij pakt zijn glas om de hap weg te spoelen.
“Kersteten,” zeg ik en pak ook mijn glas.
“Gatverdamme,” zegt de hooiman.
Rode wijn hoort niet bij garnalen.

4 ik ga me niet schuldig voelen

“Ik zit vol,” zegt de hooiman.
“Je zit niet vol,” zeg ik, “je bent verzadigd.”
“Ik zit zo vol,” zegt de hooiman, “ik moet er bijna van kotsen.”
“Kinderen in Afrika zitten vol. Jij bent verzadigd.”

De hooiman duwt zijn bord van zich af. De tafel staat vol met glazen, lege flessen, en borden. We luisteren ouwe nummers van cassettebandjes op een taperecorder die klinkt als een ouwe radio.
De hooiman heeft de boxen van de stereo opgeblazen toen hij stond te stofzuigen.

De hooiman heeft niet zoveel familie. Hij heeft een oom in Vlaardingen die hij zo eens in het jaar ziet, op de sterfdag van zijn vader. Dan wil zijn oom altijd bier gaan drinken in de ouwe stamkroeg van het dörp, ter ere van zijn broer.
De hooimans oom heeft geen kinderen en dat is maar goed ook.
Die avonden eindigen altijd met zijn oom die in tranen vertelt over de hooimans vader die uit de boom viel en de hooimans oma die hem dan met het blik van de stoffer en blik tot bloedens toe op zijn kont sloeg.

“Ik snap niet hoe jij altijd alles kwijt, kapot of vies kan krijgen,” riep ik.
“Ik snap niet hoe ik hier kan stofzuigen als alles vol staat,” riep de hooiman.
“Ik ben af aan het leren om iedere zin met ik te beginnen.”
“Mpf, jij!”
“Ik, ja!” riep ik. “Ik moet hier ook altijd alles alleen doen. Zelfs tijdens het poetsen presteer jij het om én geen stof te zuigen én om iets stuk te maken.”
Ik weet niet waarom stofzuigen, en vooral het niet stofzuigen, tegenwoordig zo’n groot en zompig aandeel in mijn leven heeft.
“Het is godverdomme kerst,” riep de hooiman toen ik de walm rond de boxen aan het wuiven was.
“Ik haat kerst. We vieren geen kerst.”
“Jij ging toch kerstboodschappen doen?”
“Dat is gewoon eten.”
“Kersteten.”
“Stofzuigen is geen kerst.”
“Inderdaad.”
De hooiman liet de stofzuiger vallen.

Ik probeer namelijk tegenwoordig om niet meer zomaar toe te geven aan al die neuroses. Waardoor ik dus, op het zojuist beschreven moment, probeerde om niet steeds alles op mezelf te betrekken. Waardoor ik inging op een andere neurose, en dat is die waardoor ik probeer een niet-harmonieuze situatie om te buigen naar iets heul anders. Wat, bij nader inzien, richting mezelf bleek te gaan (ik die niet iedere zin van mezelf met ik mag beginnen), wat weer een neurose was die ik juist met die opmerking probeerde af te ketsen.

Ach. Het heet kerst, niet waar?
Frappant hoe ik met kerst mezelf altijd weer in het hoofd van een meisje van twaalf weet te persen.
Één stap over de drempel van het ouderlijk huis en er wordt weer in de grote valkuil die dochter of zoon of broer of zus getrapt.
De hooiman en ik deden er dit jaar niet aan mee.

“Stofzuigen,” beet ik hem die ochtend toe, terwijl ik de stofzuigerslang op zijn dekens gooide. “En van die bank af!”
“Ja, wat moet ik nou eerst?” zei de hooiman. Er zat een kwijlvlek op zijn kussen.
Ik deed mijn jas aan om inkopen te gaan doen.

Als de hooimans oom klaar is met het verhaal van de boom en het blik en met oma dan begint de hij meestal te lonken naar de meisjes in de bar en als de meisjes zich omdraaien dan lonkt hij naar de oudere dames en als de oudere dames zich omdraaien dan grijpt hij de dame met de blauwste tanden en fluistert hij haar zoete woorden met zijn zoete alcoholadem.
De hooiman drinkt dan zijn bier en staart dan naar de ventilatoren die boven de bar hangen.
Op het einde van de avond valt de hooiman dan van dronkenschap van de kruk.
Soms niet, als zijn oom snel genoeg een dame met blauwe tanden weet te paaien.
Maar meestal valt hij gewoon.
Zoals het hoort.

“Ik zit ook vol,” zeg ik.
“Ik weet niks meer,” zegt de hooiman.
De cassetterecorder vreet een bandje op.
“Ik haat kerts!” roep ik.
“Kerts!”
“Kers!”
“Krets!”

De hooiman valt van zijn stoel.
Ik lach.
Ik ben misselijk.
Ik sla op de radio, pak een nieuw bandje en draai nog een liedje.
Ik kijk naar de hooiman die slaapt op de grond.
Ik bedenk dat het dit jaar helemaal anders gaat.
Ik schenk nog een glas.
Ik rook een sigaret.
Ik kijk naar de kwijlvlek die zich onder de lippen van de hooiman op het tapijt vormt.
Ik heb het koud.
Ik wil niet naar bed.

De radio is stil.
Ooit doe ik het beter.

“Het spijt me,” fluister ik de hooiman in zijn oor als ik een deken over hem heen leg.
Hij wuift me slaperig weg.

winkelwagens

De trolleyrace

We horen de geluiden van een sportevenement. Joelende mensen, gesnuif en gehijg, geblieb van portofoons. Er hangt spanning in de lucht. Een wedstrijd die bijna gaat beginnen.

COMMENTATORSTEM
En de spanning is te snijden rond de start. Nu zal het er om gaan spannen na een druk en bewogen seizoen en over enkele minuten zal dan eindelijk de jaarlijkse en dit jaar kei-har-de wedstrijd zijn hoogtepunt bereiken.
De baan is vanochtend door de experts nog een laatste maal gecheckt en nu staat het bom-me-tje vol langs het parcours door het dorpspark van Abbegaasterketting.
Wedstrijd der wedstrijden.
De scheiding van het kaf en het koren.
De strijd der Titanen.
Of moet ik Titanettes zeggen?
De dames hebben zich warm gelopen en na wat rek- en strekoefeningen nemen ze nu dan eindelijk plaats in de startblokken.
(Er klinken voeten over het gravel, het gesnuif wordt luider, coaches schreeuwen nog laatste aanwijzingen.)
Hun gezichten verbeten van de spanning. Dit is pure concentratie, dames en heren. Topsport in zijn puurste vorm. José van de Pasch heeft haar  startpositie ingenomen en ook Annie van de Laar lijkt nu er helemaal klaar voor te zijn . Van de Laar geeft een kusje op het medaillon met een haarlokje van haar dochtertje, haar talisman die ze altijd om haar nek heeft hangen en die haar dit seizoen nog geen windeieren heeft gelegd. De laatste wedstrijd, het hoogtepunt, hier, nu in Abbegaasterketting.
En wat is het een seizoen geweest, mensen, wat een seizoen. Een laatste sjor aan de winkelkarretjes en dan…
(Stilte, gevolgd door een luide knal.)
Het startschot!
(Ratelende wielen van winkelwagentjes over een parcours vol gravel.)
En Annie van de Laar gaat meteen aan kop!
Vaak al de gedoodverfde winnaar genoemd!
En wat gáát ze hard met die winkelwagen, dames en heren.
Maar ze is dan ook een expert op het gebied van gravel.
Een paar meter achter haar hijgt de hete draadjesvlees met jus-adem van José van de Pasch in de nek van Van de Laar.
Oh! Van de Pasch valt bijna, maar weet zich nog net overeind te houden aan haar winkelwagen. Of moet ik eigenlijk trolley zeggen, zoals de dames het zelf tegenwoordig prefereren.
Er gaat een golf van opwinding door het publiek dat leuzen scandeert vanaf de zijlijn.
Van de Pasch heeft toch nog een verbazingwekkende snelheid weten te behalen, bedenkende dat ze eigenlijk pas net hersteld is van een zware blessure aan haar knieën. Ze komt met haar voorwieltjes akelig dicht bij de voeten van Van de Laar.
Wat een kracht heeft deze vrouw, wat een souplesse.
Bij haar laatste training wist Van de Pasch me te vertellen dat haar voorliefde voor een glanzend parket haar kansen op het kampioenschap danig had doen slinken, maar dat ze alles op alles had gezet om haar eeuwige rivaal te verslaan.
Mensen, gaat het haar lukken?
(Harder gejuich.)
Abbegaasterkettingers langs de kant kunnen de spanning nauwelijks aan.
En uw commentator zit op dit moment ook op het puntje van zijn stoel hoor, dames en heren.
De eerste lastige bochten zijn met glans doorstaan en nu denderen de dames met hun roestvrij stalen trolleys verder over het gravelparcours, met in de verte al de eindstreep in zicht.
O!
(Gegil en geschreeuw.)
Van de Laar kijkt om! En schampt met de zijkant een hooibaal!
En dat zo vlak voor de finish!
Maar ze herstelt zich, en nog steeds op kop is ze toch een half metertje bij gehaald door van de Pasch.
Nieuwsgierig Aagje, die Annie!
Nieuwsgierig Aagje!
(Lacht luid.)
De dames zijn ondertussen met de fíets niet eens meer bij te houden.
Verbeten trekken rond hun mond.
Maar o!
Wat nu?
Annie van de Laar spuugt!
En José van de Pasch krijgt de klodder in haar oog!
Met nog maar één oog om mee te zien wordt de strijd nu echt heel grimmig.
En Van de Pasch zet nu een extra tandje bij!
Nog maar tientallen meters.
Maar!
Wat nu!
Nee!
Haal dat kind daar weg!
Haal dat kind!
Nee!
O!
Annie van de Laar kijkt weer om!
Nee!
Niet omkijken!
Haal dat kind weg!
Dames en heren!
Annie van de Laars dochtertje is zojuist vlak voor de finish het parcours komen opgelopen!
O! Annie!
(Luid gegil van het publiek. Paniek.)
Met een bosje bloempjes in haar handjes!
Annie’s grote trolley blokkeert het zicht op dat kleine kleine meisje!
Neeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeee!
(Stilte. Fluistert.)
Een doodse stilte.
Alleen het geluid van van de Pasch’s winkelwagenwielen over het parcours.
José van de Pasch breekt het lint bij de finish.
(Stilte.)
Mensen.
We hebben een winnaar.
(Zucht.)
We hebben een winnaar.
 

bar

Het vierde drankje

Op een maandagmiddag tijdens de markt, zaten aan een tafel achterin de kroeg drie dames van tegen de zestig. Voor hen op tafel stonden drie biertjes en een glas port en achter hen scheen een flets zonnetje door het glas-in-loodraam. Ze leken in ouwe documentaire te zitten, zo eentje in zwart-wit met een polygoonstem als voice-over. Het portje was onaangeraakt en stond voor de enige lege stoel aan de tafel. De biertjes werden in rap tempo gebodemd en toen de laatste haar lege glas neerzette, stak meteen de eerste die haar lege glas had neergezet drie vingers naar de barman op.
“Is de portdrinker te laat?” vroeg ik, toen de barman weer achter de bar stond.
“Nee,” zei hij. “Ze kwamen hier vroeger altijd met z’n vieren, iedere zaterdag en dan bestelden ze bij elk rondje drie bier en een portje. Maar op een dag was de portdrinker dood, en nu bestellen ze nog altijd haar drankje voor haar. Iedere maandag.”
“Wat mooi,” zei ik.
Het is even stil.
“Ach,” zei de barman. “Volgens mij lusten ze gewoon geen port. Als één van de drie bierdrinkers de pijp was uitgegaan, dan had dat ene fluitje het heus niet tot het einde van hun borrel gehaald. Als je dat maar weet.”
Toen de dames waren vertrokken gooide de barman het glas port leeg in de gootsteen.
“Zonde,” zei ik.
“Ach,” zei de barman. “Wil je nog een thee?”
“Nee,” zei ik. “Doe maar een portje.”
De barman keek met een vleugje treurnis naar de rode plas in de gootsteen.
“Die symboliek die mensen altijd zoeken,” verzuchtte hij. “Ik zal dat nooit begrijpen. Je mag er eentje, zolang je ‘m maar opdrinkt.”
Ik proostte op de vierde dame en dronk in mijn eentje tergend langzaam het portje. De barman schudde zijn hoofd. Het was een middag welbesteed.

down-1838133_1920

Op de bank

Vader lag zeven dagen per week op de bank. Ik weet niet of hij dat altijd al gedaan had, de film van herinnering in je hoofd gaat pas lopen op het moment dat je als kind beseft dat er over het leven iets gevonden kan worden, en toen lag hij er al. Op die bank. Dat dingen niet gewoon zijn, maar dat je er iets van kunt vinden en dat je je daar op een bepaalde manier op kunt of moet reageren. Volgens mij zeggen de antroposofen dat je eerste herinnering altijd gekoppeld is aan een heftige ervaring. Hoe eerder je eerste herinnering, hoe onbevangener je start. Maar pin me daar niet op vast. Ik heb dat voor de helft zelf bedacht.

Mijn moeder deed alsof hij daar niet lag. Praatte over hem alsof hij er niet bij was en alsof hij helemaal niet op de bank lag. “Je vader vindt het ook goed, dus ga maar.”
Soms vroeg ik het na aan hem en dan bleek dat ze gelijk had.
“Mag ik eten bij Janske?”
“Ja, ga maar.” En dan wuifde hij met zijn hand.
Als we aten kwam hij even aan tafel, dan at hij mechanisch zijn bord leeg dat mijn moeder voor hem vol had geschept. Hij moet een uitstekende spijsvertering hebben gehad, want hij was niet dik of pafferig. Je hoort wel eens mensen vertellen over een opa die zijn hele leven zware shag rookte of een oma die iedere dag vijftien Jupilertjes (mannen weten waarom) dronk en die gewoon van ouderdom stierven. Mijn vader was misschien de immobiliteitsvariant. Eten, liggen, eten, liggen, kopje thee, liggen, de afstandsbediening in de hand, zappen, liggen, omdraaien, liggen, naar bed gaan, liggen, opstaan, ontbijten, liggen, douchen, liggen, eten, liggen en herhaal, herhaal, herhaal.

Pas toen ik het huis uit ging, en de film van de herinnering al een dikke vijftien jaar film draaide door de projector, snapte ik dat het raar was. Ik zat zelf op de bank en ik dacht: zal ik gaan liggen? Ik had een ouwe televisie met dikke knoppen, tien zenders, zonder afstandsbediening, die ik met een stok kon van zender kon laten verwisselen. Ik dacht: ik kan gaan liggen. Ik keek mijn eerste studentenkamer rond. Het plafond, de spiegel met wasbak, de deur, mijn hoogslaper. Buiten toeterde een bus. Ik keek naar mijn telefoon, een oranje, met een draaischijf en ik dacht: zal ik mijn moeder bellen en het vragen? Buiten ging het stoplicht weer op rood. De bus haalde het stoplicht niet en remde. Rook trok door de straat. Het was een koude dag. Ik liet me op mijn zij op de bank vallen en daar bleef ik een hele tijd liggen. Het stoplicht verwisselde steeds van kleur. Groen, oranje, rood, groen, oranje, rood. Weer een bus, weer een bus, weer een bus. Langzaam werd het donker en ik kreeg honger.
Toen ben ik opgestaan.
Naar de winkel gegaan.
Iets simpels gekocht.
Dat opgegeten, zittend voor de televisie.
Eenzaamheid en inactiviteit gaan niet goed samen, als je iemand bent die grote borden eten eet.
De volgende dag schoof ik mijn bank in de achtertuin. Het regende.
Daarna belde ik mijn moeder, zittend op mijn bureaustoel.
Ik kreeg de groeten van mijn vader.
“Hij mist je,” zei ze.
“Ik mis hem ook,” zei ik.
Ik zei niets over de bank. Nooit gedaan. Ik heb het nooit gevraagd. Nooit iets over gezegd, over dat liggen.
Maar hij had het vast goed gevonden. Ik zal dat nog eens aan mijn moeder moeten navragen.

tumblr_ooa2k8fysI1sfie3io1_1280

Angst

Ik sta te koken en ik durf de afzuigkap niet aan te zetten. Ik denk er niet eens echt bij na. Ik ga gewoon uit de weg dat ik dat ding moet aanzetten. Waarom weet ik niet: niemand van de nieuwe buren kan de afzuigkap horen, mijn dochter zit met mijn man ergens verderop in de woonkamer van ons nieuwe huis te spelen en ik heb net een paar tenen in de braadpan geknepen, dus dat ding moet wel aan.
Terwijl ik naar de knoppen kijk, besef ik het voor het eerst in mijn leven.
Dit heb ik altijd.
Altijd als er iets groots in mijn leven is veranderd.
Dan raak ik versteend bij tijd en wijle.

Het was al aan de hand toen ik op mijn zeventiende op kamers ging in een prima studentenhuis. Met leuke mensen, daar lag het niet aan, maar de eerste maanden durfde ik nauwelijks de gang op. Dan luisterde ik een hele tijd aan de deur en pas als ik niemand hoorde in huis sloop ik de gang op. Ik hield de gordijnen dicht, deed alsof ik er niet was. Terwijl ik verder prima functioneerde: ik at met mijn huisgenoten samen, we gingen samen uit, we waren vrienden, niets vreemds. Ik heb zelfs altijd een grote mond. Doe alsof ik nooit bang ben. Niemand me ook maar iets kan maken.
Maar tussen al die activiteiten door stond ik als versteend bij iets eenvoudigs als over de gang naar het toilet moeten.
Dan wachtte ik. En wachtte ik. En als het huis dan muisstil was, sloop ik de gang op.

Soms hoor je wel eens dat iemand in een studentenhuis een huisgenoot had die klaarblijkelijk in plastic zakken poepte. Ik heb dat gelukkig nooit gedaan, maar als je ‘t een graadje erger had dan ik, dan snap ik dat iemand zoiets gaat overwegen.
De grootste vijand van de mens is zijn brein. Niet het dier dat in een zak schijt.

Toen mijn dochter net was geboren, was het ’t ergst ooit, realiseer ik me daar voor die afzuigkap. Ik durfde maandenlang niet de radio aan te zetten, terwijl ik mijn hele leven ’s ochtends Radio 1 aan heb staan. In bed las ik ineens alleen nog maar wielerboeken omdat ik niet verder wilde gaan in het boek dat ik aan het lezen was voor de geboorte (iets van Stephen King, mijn lievelings), ik durfde mijn haar niet meer los te doen als ik ging slapen en ik speelde geen Tetris meer op de gameboy, want ik wist zeker dat ze zou gaan huilen en zou blijven huilen tot het einde der tijden en dat ik gek zou worden. Echt gek. Niet gewoon een beetje bang. Maar gek. Voor altijd gek.

Mijn man komt naast me staan.
‘Wat doe je?’ zegt hij, terwijl hij de afzuigkap aanzet.
‘Ik durf de afzuifkap niet aan te zetten,’ zeg ik verbaasd.
Ik krijg een kus.

Ik open de gangkast, sla met wat deuren, stamp de trap op.
Een half uur later zet ik zingend de potten op tafel. Mijn dochter zingt mee vanuit haar stoel, mijn man trekt een fles wijn open. Mensen die geen moeite hebben met ruimte innemen.
En zo kom ik tot het volgende besef van die dag: dat ik kan concluderen dat verhuizen veel minder heftig een impact op een mens heeft, dan het krijgen van een kind.

Iemand zei ooit dat je elke dag iets moet doen dat je eigenlijk niet durft. Vandaag zijn dat simpele dingen, als herrie maken. Aanwezig zijn.

jaymantri-free-stock-photos-1024x678

Geen idee wie dit schreef

(Lange stilte. Ze kijken beiden de open koelkast in.)

OOM HEIN:
Jan

JAN:
Ja

OOM HEIN:
Zie je wat daar ligt daar naast de oude kaas?

JAN:
Ja

OOM HEIN:
Wat dan?

JAN:
Een toneelstuk

OOM HEIN (lachend):
Een komedie
Jazeker een komedie

tumblr_oihkeqJl9R1sfie3io1_1280

U bent niet alleen

En dit!
“In 2006 plaatste ik een fotootje op mijn weblog, dat mij afgelopen week een dikke rekening opleverde. Deze podcastaflevering is het verhaal van deze foto, hoe het afliep en hoe een Belgische machine rechthebbend materiaal opspoort en daar dikke rekeningen over verstuurt waar je niet of nauwelijks onderuit komt.”
Door Botte Jellema. Alhier: Klik.

De heg

“Wat is een liguster?”, vroeg ik mijn moeder. We stonden in de bieb en mijn moeder stond bij de biografieën. Mijn moeder leende altijd stapels biografieën, al kan ik me niet herinneren dat ze er een ooit uitlas.
Ik drukte een boek tegen mijn borst.
Als ik de bloeiende liguster ruik.
Ik vond het de mooiste titel die ik ooit had gehoord.
“Dat is gewoon de heg”, zei mijn moeder zonder op te kijken van de achterflap van het boek in haar hand. Heg klonk gewoon als klei, als de zandbak en als de houten blokken waarvan ik splinters kreeg en waar ik dan naar keek. Heg klonk als de geroeste kruiwagen, waar mijn broers me in rondreden en een achtbaan nadeden en waarbij het altijd minder spectaculair bleek als dat ik dacht wanneer ik in de kruiwagen klom.
Liguster was een ander verhaal.
Dat klonk als Barbie.
Ik had geen Barbies, ik had een biebpas.

En als ik dan vandaag langs zo’n struik loop, zo’n heg in bloei, dan zitten die titel en die dorpsbieb en die kinderboeken die altijd een beetje plakkerig waren aan de kaft meteen weer in mijn hoofd.

Als ik de bloeiende liguster ruik bleek een kutboek.
Na drie pagina’s legde ik het naast me neer.
Ik zag nog net mijn moeder opkijken van haar biografie en diep zuchten.
Deze zou het ook niet redden.