bar

Één jaartje kan er ook nog wel bij

HENRY
de STOMME
BARMAN

 

Een bar in een zeer bruin café.
Aan de bar zitten Henry en de Stomme.
De barman komt op.

 

BARMAN
Nog maar een keer bijschenken, Henry?

Stilte.

BARMAN
Ik neem aan dat dat een ja is.

HENRY
Vrouwen: ze moeten blij zijn dat ze er zelf één zijn.

De barman zucht en schenkt in.

BARMAN
Moet de stomme ook nog wat?

De stomme schudt heftig van nee.

HENRY
Ja, doe maar.

De barman schenkt in, veegt de bar even droog en loopt af. Er gaat ergens een deur open en kort klinkt er luid geluid van een feest in een belendende ruimte.

HENRY
Ik heb als man twee regels:
Niet lulle’ als je glas vol is.
Dat is één.
En geef je hart niet aan de eerste de beste.
Dat twee.
Trouw niet voor je veertig bent.

(stilte)

HENRY
Het glas is halfvol, of half leeg.

De Stomme neemt een slok.

HENRY
Ja, jij ziet het leven alsof je glas altijd vol is, of niet?
Jij hebt geen woorden nodig.
Ik vind dat knap.

Dat zwijgen.

Ik denk dat ik zwijgen een van de mooiste dingen op aarde vind.
Een deugd.
Annemarie hield godverdomme nooit d’r bek.
Werkelijk nooit.
Altijd aan het kakelen.
Dat was het.
Regel twee ook gebroken.
Hart weg.
Ik ben een lul.
Ik ben weer een vrij man.

De Stomme klopt hem op de schouder.

HENRY
Met dat gelul van mij.
Mijn glas is altijd halfleeg.
Als je mij hoort lullen.
Ik ben een lul.

Weer de deur, geluid van het feest. De barman komt weer binnen.

BARMAN
Is het hier dan misschien gezellig?

HENRY
Hier is het altijd gezellig.

BARMAN
Hoe is het nu eigenlijk met je?

HENRY
Met mij gaat het prima.

BARMAN
Ik hoorde dat je helemaal stuk was.

HENRY
Van wie heb je dat nu weer gehoord?

BARMAN
Het woord gaat rond.
Henry weer alleen.
Wie had dat ooit gedacht.

HENRY
Henry vindt het prima zo.

BARMAN
Dat jij Annemarie ooit hebt laten gaan.

HENRY
Dat ik Annemarie ooit heb laten gaan?
Ik heb regels opgesteld.
Niks lukt me.
Ik lul teveel.
Ook als mijn glas nog vol is.

(stilte)

HENRY
En regel twee….
En kan alleen maar scherven geven.
Alleen maar scherven.
Ik heb m’n hart gegeven en ik het godverdomme kapot terug gekregen.

Stilte
What’s another year van Johnny Logan zet in.
Henry staat op.

HENRY
Kom, Stomme.
Laten we dansen.
Alsjeblieft, dans met me.
Laten we dansen.

De Stomme staat op en pakt Henry vast.
Ze schuifelen.

running-815302_960_720

Spandex fukker

Ik fietste mijn straat in en ik zag een man in een strak spandex fluorpak met knipperende lichtjes een paar rondjes rennen rond een mollig meisje in een te groot grijs katoenen trainingspak met een wollen muts op. Ze hijgde. Hij liep licht, alsof hij eigenlijk een balletter was. Gespierde kuiten, slanke armen, zo’n nek met zo’n adamsappel. Hij maakt een huppeltje en stoof in een draf de straat in. Het meisje bleef lopen. Ze was rood en ze had een snotneus. Dat kon ik zien, want ze passeerde net mijn voordeur toen ik het felle licht in ons halletje aanklikte.

En ik had het bijna gedaan, ik dacht: ik doe het gewoon, waarom zou ik het niet doen?

Ik had het bijna gezegd: “laat die fukker lekker rennen, kom hier naar binnen, dan trek ik een bier voor je open en dan breken we die worst aan die ik uit Frankrijk heb meegenomen. Misschien heeft de buurvrouw wel borrelnoten, dan leen ik een zak. Zet ik de tv aan en dan plof je gewoon hier op de bank en dan kijken we iets als The Dog Whisperer of een herhaling van een serie met iedere aflevering hetzelfde plot, met iedere aflevering dezelfde moord en dan laat je die gast van jouw lekker die fukking berg oprennen, kan jou het schelen. Wat een lul, in z’n spandex fluorpak.”
Ik had het bijna gedaan.

ball-field-grass-114296

Sjraar

Woensdag ‘s middags train ik de Ceetjes. Ik train de Ceetjes al een jaar of vier en ik doe het graag. En ook best wel goed. Ik vind, je mag jezelf best eens een pluim geven. Dan zeg ik, Sjraar, je doet het goed. Een positieve kijk op het leven is belangrijk. Dat probeer ik de Ceetjes ook bij te brengen. Dus niet afkatten als er eens een fout wordt gemaakt, maar juist zeggen van: “Nou, de volgende keer doe je het heus goed”. Want van fouten leert men. En bij goed krijgen ze een van m’n pluimen. Dan spreid ik mijn vingers en dan zet ik mijn duim als de stam van een boompje op hun hoofd. Dan denk ik, kijk, zo groeien ze. En dat boompje, dat symboliseert juist het groeien van die jongens.
Ik doe het denk ik wel goed.

Soms dan kijk ik naar mijn vriendin en dan moet ik slikken. Moet ik gewoon slikken. Want mijn vriendin is een aardige meid. Ze is rustig en dat is wat ik zoek in mijn vriendin. ‘s Avonds dan kijken we samen op de bank naar de televisie. Het was anders, ooit. Toen van voor de Ceetjes, van voor mijn vriendin. Want vóór de Ceetjes en vóór mijn vriendin deed ik niks. Ik zat thuis voor de Tellsell en ik dronk blikjes Schultenbräu bij mijn boterhammen met leverpastei. En friet. De frietpan stond alle dagen op het aanrecht.

Toen moeder stierf liep ik niet graag lang tussen al die schappen en die vreemde mensen. Maar ik ging, ik moest toch mijn eten en mijn bier hebben. Zonder bier ging ik trillen. Dat zag ik aan de afstandsbediening en dan moest ik naar buiten. Moest ik er op uit. Mijn handen schudden dan zo, dat ik bijna niet het sleuteltje in het fietsslot kreeg. Gauw naar de Aldi, ik ging altijd naar de Aldi. In de Aldi lopen de mensen tenminste niet zo met de neus omhoog als bij de Albert Heijn. Daarbij hoefde ik toch niks luxe als cervelaat of Franse kaas. Maar eenmaal bij de kassa zag ik mezelf dan staan, met twee dozen Schultenbräu en een zak friet en een brood en vier bolletjes leverworst. Dan dacht ik aan moeder. Hoe ze zou zuchtten. “Oh Sjraar,” zou ze zeggen en naar haar wenkbrauwen kijken. Moeder keek liever naar haar wenkbrauwen dan naar mij. En dan fietste ik weer terug.
Maar op een dag begaf het canvas van de linkertas het en rolden al mijn blikjes Schultenbräu over de straat. Reed ik ook nog met mijn achterwiel over een van de bolletjes leverworst heen, die de blikken bier achterna stuiterden. Allemaal paté aan mijn fiets. Iedereen die voorbij kwam moest lachen.
En ineens zag ik twee schoenen met benen naast me. Ik keek op. Er bleek een man op de benen te staan, hij bukte als een knipmes. Zonder een woord raapten we het bier van de straat. Met de armen vol blikken liepen we terug naar mijn fiets met de kapotte fietstas.
“Ik loop wel mee. Woon je ver?”
“Om de hoek.”
“Prima.”
En zo liepen we naar huis. Sjon en ik.

Sjon die bleef. Hij praatte met me, haalde de boodschappen bij de groenteboer en de slager en als we een pilsje dronken dan deden we dat samen. Langzaam veranderden de blikjes bier in pijpjes en die pijpjes die veranderden in koffie. Heel langzaam aan. Soms vroeg hij of ik mee wilde helpen met koken. En dan hielp ik. Boodschappen gingen we samen doen en dan zag ik hoe Sjon een praatje maakte met de slager en het meisje van de bakkerij. Ik merkte dat ze mij ook groetten als ik eerder binnen kwam, als Sjon geld in de parkeermeter deed. Dus ging ik daarna alleen. Op de fiets, mijn canvas fietstas had Sjon geplakt met een stuk tentzeil.

Zingend trapte ik me op een middag een weg naar huis toe, want ik had met wat mijn vriendin zou worden gepraat. Gewoon over het rottige weer en haar winterdepressie. Dat het lastig was in een bakkerij te werken met een winterdepressie. Al die koolhydraten. “Die koolhydraten staan je goed,” had ik gezegd en ze had toen heel hard gelachen en me een gratis hamkaascroissant gegeven. Eenmaal thuis vond ik een briefje op de koelkast.
“Ik ben weg,” stond er.
Met het briefje in mijn hand heb ik voor het raam gestaan tot het donker werd. Toen ben ik gaan koken. De volgende dag heb ik gereageerd op het briefje dat op het bord bij de supermarkt hing. Ik mocht toen op woensdag de Ceetjes gaan trainen. Sjon had gelijk. Het ging prima alleen.

Nu mogen die luxe dingen wel. Smeert mijn vriendin zaterdag ‘s avonds toastjes met zalmsalade of kruidenkaas in de keuken. Ik zet dan de tv zachter om het getik van haar mes op een bord vanuit te keuken te kunnen horen. Of kijk ik naar hoe ze met haar hoofd schudt als ze telefoneert. Sta ik wel eens een uur in de deuropening en voel ik de wind die langs mijn wangen waait. Ik heb het goed, nu. En toch word ik ‘s nachts wel eens wakker. Zwetend. Mis ik de blikjes Schultenbräu met een frietje op de bank. Mis ik het staren en het denken. Mis ik de Tellsell reclames. Want nu vouw ik overdag dozen in de negerzoenenfabriek en praat ik met mijn collega’s als we koffie mogen om half tien en onze boterhammen eten aan lange tafels tijdens de middagpauze. Dan denk ik aan de benen van Sjon en zijn handen en hoe goed het voelde om hem om me heen te hebben. En dan draai ik me nog maar eens om en kijk ik naar het achterhoofd van mijn vriendin. Hoe haar slierten haar over het kussen vallen. Ik heb het goed, heus. Ik zeg altijd maar zo tegen de jongens: korstjes op wondjes die jeuken. Het is heerlijk om aan die korstjes te krabben, maar op een dag dan vallen ze er af en blijft er alleen maar een stukje glad vel over. Het glanst dan wel wat meer, denk ik er achteraan, maar het voelt toch ook wel weer hetzelfde als alle andere huid op mijn lijf.

pexels-photo-796605

Dinsdaag

Waat hes-ste ôs toch in det glaas gedaon, ober, ober ?
Det alles heej zoë op ziene kop geit staon, ober waat hesse gedoan ?
Woar kûmp det grei vandan ? Doar lös ik waal suupke van !
Waat hes-ste ôs toch in det glaas gedaon, ober waat hesse gedoan ?

D’n ober, 1953/1954
Tekst: Frans Boermans – muziek: Thuur Luxembourg

pexels-photo-796605

Maondaag

Er is een aantal zaken die je niet moet doen tijdens de vasteloavend.
En wel:
1. Te weinig laagjes kleding
2. Te veel of te weinig eten
3. Denken: ik ga heel even thuis op de bank zitten.

1.
“Ik ben een boa verloren,” zei ik, terwijl we naar de optocht stonden te kijken. “Koud.”
Je moet niet onderschatten hoe warm zo’n laag veren is. De zon scheen, maar wij stonden aan de schaduwkant van de straat. We hadden een etalage met een afdak, wat weer handig was bij de korte hagelbuien. Het begon me langzaamaan te dagen. Ik had een vest te weinig aangetrokken. Ik zag ‘m gewoon hangen, bij ‘t Mannetje thuis over de stoel. Maar tijdens het aankleden had ik het warm. Trap op, trap af, paniek toen ik een theelepel aan wimperlijm op mijn echte wimpers liet vallen.
Dan maar dansen.
Joekskappelen, mooie wagens, mooie tractors die ze trokken. Grote groepen in mooie pekskes, kleine kindjes in pekskes in bolderwagens.
Ondertussen kropen de kleintjes die bij ons hoorden steeds verder weg in een hoekje. Eentje zat te knikkebollen. De ander kroop de buggy in en viel in slaap, hoe hard de muziek die voorbij kwam ook stond.
Bij wagen 50 ging de helft van de goegemeente met de kindjes naar De Klep.
Wij bleven nog even wachten, want ‘t Mannetje was een vervanger bij de raad. We moesten toch even zwaaien.
Totaal verkleumd belandde ik uiteindelijk ook in De Klep.

Bij De Klep trok een vrouw haar bontjas uit, waaronder weer een bontjas verscheen.
“Kan ik er niet eentje kopen?” zei ik.
“Nae,” zei de vrouw.
“Jammer,” zei ik.
De vrouw haalde haar schouders op en klopte op mijn rug.
“Morgen is het boerenbruiloft,” zei ze.
Ik knikte.

2.
“Kunnen we niet nu al gaan eten?” zei de man. “Saté ofzo? Ergens.”
“O,” zei ik. “Ik weet nog wel iets.”
We liepen naar Hemingway, daar waar ik in 1998 voor het eerst in mijn leven achter de bar ging staan. We stapten naar binnen en de eerste twee personen die ik zag achter de bar waren de enige twee mensen die er nu nog werken die er toen ook al waren.
“Hoera!” riepen we allemaal.
We aten saté, ik zwaaide naar de jongens van vroeger aan tafel 11.
We dronken bier.
We praatten over vroeger.
Op de wc liep ik het herentoilet op. Die bleken omgewisseld.
Twintig jaar.

Daarna wandelden we weer van kroeg naar kroeg.
In De Loco zat het toilet nog op de zelfde plek en vertelde ik aan de man dat ik daar dan ook zo stond toen ik op de middelbare school zat. Op zoek naar degene op wie ik dan dat jaar weer verliefd was. Aan de bar waren ze bezig om met een stoomstrijkijzer zonder kabel over de toog tien meter verderop een rij plastic bekers om te gooien. Ik moest ook een keer. Het was niet echt een keus. De barman verderop zette net zes bier op de bar en een jongen kon nog net met blote handen het strijkijzer tegenhouden. Mocht hij iets aan zijn hand hebben overgehouden: sorry.
Ik was als herfsttafereel verkleed dus ik heb hem getroost met een piepschuimen eikel.
Was alles maar zo simpel.
“Wao gaon we haer?”
We gingen naar de Baek.

3.
De Baek was vol.
“Anders héél even naar huis,” zei ik. “Mijn vest halen?”
Dat was immers vlakbij.

Thuis troffen we ‘t Mannetje ineengedoken op de bank aan.
“Ik heb het zo koud,” zei hij. “Ik heb zes uur op die wagen gestaan in de wind. Daarna werden in de Maaspoort alleen mijn oren heel heet en dat was het.”
“Och jongen toch,” zei ik.
“Wat heb je gegeten?” zei de man.
“Niks,” zei ‘t Mannetje.
Ik besloot om broodjes voor hem te gratineren.
We ploften op de bank.
Héél even zitten.
Héél maar.
Buiten liep een joekskapel voorbij.
De fluitketel floot.
Op de televisie vertelde Oscar van den Boogaard dat Prins Bernhard zijn vader was.
Ik zette mijn hoedje af.
De batterij van mijn lampjes was leeg.

4.
Vandaag is het dinsdag.
Ik heb heerlijk geslapen.
Buiten is het krakend koud, maar ik heb mijn konijnenbonten jasje.
Dinsdag.
Mijn lievelingsdag.

pexels-photo-796605

Zondaag

De vriendin waarmee ik al 33 jaar (drie keer elf, joeksig!) mee bevriend ben, moest een paar seconden kijken voordat ze me herkende. Ik had een zwarte pruik met lampjes op en een goud geschminkt gezicht met een scheve krul in het paars hier en daar. Naast haar zat iemand met een prachtig geschilderd gezicht.
“Dit is de allereerste keer dat ik ooit iets heb geschminkt,” zei ik tegen de buurvrouw van mijn vriendin.
“Morgen gewoon alles goud en alleen nepwimpers,” zei ze.
Zeven zinnen laten hadden we het over de invloed van het brein op het lijf en het leven. Om ons heen aten mensen blokjes kaas en werd er bier gedronken, deinde de massa op en neer. Daarna gingen we weer verder: de man, ‘t Mannetje en ik.

Een half uur later stonden we in de Maaspoort. Op het podium speelde een saxofonist de sterren van de hemel, zong een man nieuwe versies van ouwe liedjes. Er stonden kinderen tussen de bandleden die dansten of rondkeken met in hun hand een koek of een zakje chips. Naast de saxofonist stonden twee kleine jongens met serieuze snoetjes de zaal in te kijken en mee te zingen. Volgens ‘t Mannetje is de Maaspoort zo gebouwd dat met de vastelaovend ze zaal zo omgegooid kan worden dat de bühne voor het publiek is en het publieksgedeelte voor de band. Wij waren ondertussen alweer halverwege onze bonnen. Voor me stond een oude mevrouw met een witte suikerspin en een witte bontjas. Ik zag mensen die twintig jaar geleden achter de bar van mijn stamkroeg in Venlo stonden, toen ik nog ieder weekend terug naar mijn ouders ging en dan thee dronk aan de bar voordat ik de bus naar het dorp pakte. Ik voelde me toen al een hele wereldreiziger. Nu logeerde mijn kind bij mijn ouders en keek ik naar de dansende kindjes tussen de muzikanten. En wie weet sta ik er over twintig jaar wel weer en dan denk ik aan toen ik daar stond met die kindjes en dat ik nog maar zo pas moeder was en dat ik dacht dat ik al een hele dame was, met mijn koophuis en auto en dagopvang en werk en belastingaangiften, de invloed van mijn brein op het nu.
Maar nu was de zondaag. En dat scheelde.

Een flits later stonden we buiten en was ‘t Mannetje aan het schmoozen met de mannen met de lange pluimen op hun muts en belanden de man en ik in de kroeg ernaast waar weer muzikanten aan het spelen waren alsof de wereld elk moment kon vergaan. Ik zwaaide naar iemand van de boekhandel en iemand die de zus is van iemand die ik ooit kende. Ze herkenden me niet, maar zwaaiden toch maar terug. Ooit ging iemand in mijn stamkroeg in Venlo elk jaar verkleed als Poolse boerin, ik hoorde pas dat hij dood is gegaan. De zaal deinde uit en kromp weer, met elke zin, met elke ademhaling, zoals soms op feestjes, als iedereen in de te kleine keuken is gaan staan. Buiten was het plein leeg. ‘t Mannetje schoof weer aan. We zongen alle liedjes.
We deelden kruidenbitter uit een platvink met de mensen naast ons.

De man en ik eindigden in D’n Gaaspiep, want ik wil altijd naar D’n Gaaspiep. Waar ‘t Mannetje was gebleven dat weet ik niet meer. We gingen binnen op een bankje zitten en keken naar de oude dames die dansten. Af en toe kwam er eentje voor ons staan en dan zongen we de teksten naar elkaar toe.

Zo kun je in een dag je leven aan je voorbij zien schieten en je hoeft er nog niet eens dood voor te gaan.

Nu zit ik op de bank, bij ‘t Mannetje die al de stad in is omdat hij op de wagen van de prins moet staan in zijn mooie pak. De man en ik zitten nog in trainingspak. Op de televisie schiet een vrouw alle gaten dicht.
Op Facebook vraagt Lean waar ik ben.
“Nog nurges,” antwoord ik.
Ik ga me maar weer eens in kostuum hijsen.

Het is alweer maandag.

Lingelbach_Karneval_in_Rom_001c

Nao ‘t zuuje

Voor Dennis Gaens’ Ondercast maakte ik vorig jaar een item over vastelaovend in Venlo en waarom ik niet zou gaan.
Euver pekses, euver de prins, wie ‘t brôns greun bleef lokke.

Dao wint ‘t verstand toch neet van.
En waarom ik uiteindelijk natuurlijk wel ging.
white-square.jpg

white-square.jpg

Beluister hier de hele uitzending van de desbetreffende Ondercast.

bar

Observaties van een barvrouw

Het stel aan de bar haat de wereld. Of ja, de man kan ik door de tap niet goed zien, maar zijn mevrouw haat de wereld zeer zeker. Ze is nog niet eens zou oud, ze is netjes gekleed, blond, met nette rustige make-up en met mondhoeken die diep naar beneden hangen. Het lijkt bijna of ze er moeite voor moet doen om ze zo laag te krijgen. Elk normaal mens zou moeite moeten doen om die mondhoeken zo laag te krijgen.
Misschien heeft ze dit gezicht getrokken toen de klok twaalf uur sloeg, bedenk ik.
Ze heeft haar gedrag er in elk geval op aangepast.
Als de groep aan het tafeltje meteen achter hen in luid gelach uitbarst, draait de vrouw met die omlaaggetrokken mondhoeken zich om en bekijkt ze met een paar korte op en neer bewegingen van haar hoofd het meisje dat het dichtst bij hen zit.
Als ze wegkijkt snuift ze.
Ik kan door de herrie steeds net niet verstaan wat ze zeggen, maar de vrouw is het meest aan het woord. De man hoor ik alleen maar af en toe soort van instemmend mompelen. Ze is het ergens niet mee eens, haalt een stuk papier uit haar tas en wijst erop met een perfect gemanicuurde vingernagel. De mondhoeken blijven naar beneden.

Ik hoor haar het woord “rekening” noemen, nog voordat haar man halverwege zijn biertje is. Haar witte wijntje heeft ze al op, wat me best lastig lijkt met zulke omlaag getrokken mondhoeken. De man klokt haastig zijn Koninkje naar binnen, terwijl zijn vrouw de jas al aan heeft. Met een licht geërgerde blik wacht ze tot haar man zijn jas heeft aangetrokken. Dat gaat door de haast een beetje stuntelig. Hij rekent af. Een bleke grijze man. Met eerder een treurige dan een geërgerde blik.
De blik van iemand die vele jaren geleden heeft besloten om gewoon niet meer deel te nemen.
De vrouw loopt alvast naar de deur.
Ze haat de wereld.
Ze lust waarschijnlijk niet eens witte wijn.
De man struikelt een beetje over een kruk.
Ze kijkt niet om.
De man wel.
Ik knik hem toe.
Voor eeuwig op weg naar slachtbank, denk ik.
Tevreden drink ik mijn kouwe thee op.
We hebben het maar goed.

pexels-photo-796605

Venlonaren dansen geen polonaise

Het is midden op vastelaovesmaandag als mijn vader ontwaakt uit zijn narcose en een delier krijgt. Ik sta buiten in een steeg met een plastic beker brand in mijn hand en mijn mobiel aan mijn oor. Binnen in de kroeg klinkt een joekskapel. Er wordt gezongen. Ik kijk de straat in. Het is nog licht.
“Hij wil steeds uit bed en dat mag niet,” zegt mijn moeder aan de andere kant van de lijn. “En ze kunnen ook niet iemand van de verpleging de hele nacht naast zijn bed zetten.”
“Nee,” zeg ik.
Mijn ogen voelen zwaar. Overal klinkt muziek en gezang en ergens hoor ik kerkklokken slaan. Terwijl mijn moeder praat, kijk ik op mijn telefoon. Het is half vijf.  Als ik de telefoon weer aan mijn oor houd, zegt mijn moeder: “Han? Han?”
“Ja?” zeg ik. Normaal kan ik haar op bed leggen en een hele wasmand was ophangen zonder dat ze het merkt. Mijn moeder vraagt nooit iets. Nooit gedaan. Behalve vandaag.  Mijn moeder zegt dat ik mijn broers moet zoeken en dat we naar het ziekenhuis moeten komen.

Na drie kroegen heb ik mijn broers gevonden. Ik ga niet meer zo vaak terug naar Venlo, voor de vastelaovend, ik kan er niet meer zo goed tegen als vroeger, al die dagen zoveel zuipen. Ik word er ziek van.  Mijn broers hangen aan de bar van De Klep en zijn verkleed als Fidel Castro en Prins Willem Alexander.
“We moeten naar het ziekenhuis,” zeg ik, terwijl ik mijn telefoon omhoog hou, alsof dat iets betekent, die telefoon. Ik heb een goedkoop zigeunerachtig pak aan waar ik me eigenlijk voor schaam, buiten frommel ik een sigaret uit een geplet pakje Belinda. Yolante Cabau van Kasbergen, had ik mezelf maar gedoopt. Maar ik zag er eerder uit als een vergeten popster uit de jaren tachtig die madonna na probeert te doen. We lenen een fiets en met z’n drieën rijden we op één fiets de Tegelseweg in, de stad uit, op weg naar het ziekenhuis.

In het ziekenhuis is het een drama op de kamer van mijn vader. Mijn moeder houdt hem vast, samen met een verpleegster, maar mijn vader is sterk en mijn moeder al in de zeventig. Mijn moeder laat los als ze ons ziet, ze begint te huilen en zet een stap naar achter. Ik word altijd boos als mijn moeder huilt, ik weet niet hoe dat kan. De verpleegster roept dat we het over moeten. We pakken hem vast. Fidel Castro, Willem Alexander en Yolanthe Cabau van Kasbergen houden mijn vader in een houdgreep. Mijn broers hebben zijn armen en zijn benen en ik leg een hand in zijn warme nek, die nat van het zweet is. Mijn vader is een man die nooit veel zegt, die zich nooit verzet heeft en ergens achterin mijn hoofd, ergens achter diegene die hier aan het handelen is, die haar vader probeert te kalmeren, verbaas ik me erover dat deze man zo op mijn vader lijkt, maar zo totaal anders doet dan mijn vader. Het lijkt of na al die jaren, dat hele leven stilte, ineens alles eruit wil. Hij schreeuwt, brult en alles aan hem slaat en schopt met alles wat hij in zich heeft.  Dan komt er iemand binnen die iets in zijn infuus spuit. Mijn vader valt in slaap. Ik kan me niet meer herinneren dat ik hem ooit zo stevig heb vastgehouden. Mijn vader is geen knuffelaar.

“Jij hoeft hier niet te blijven slapen,” zegt mijn oudste broer tegen mijn moeder. “Wij doen het wel.”
Ik kijk mijn broer aan. Ik wil helemaal niet in het ziekenhuis slapen.
“Ja,” zeg ik.
Ik vraag ook nooit iets. Nooit gedaan ook.
“Ga maar,” zeg ik.
Mijn moeder pakt haar tas en we krijgen allemaal een kus.
“Hij lijkt op jou, als je dronken bent,” zegt mijn ene broer tegen mijn andere broer als mijn moeder weg is.
“Inderdaad,” zegt mijn andere broer.
Op de kamer hangen ballonnen. We kijken televisie en om de beurt gaan we een sigaretje roken. Over de gang rollen karretjes, alles ruikt zoals je verwacht dat het ruikt in een ziekenhuis. Ik denk aan mijn dode tantes, aan sommige vriendinnen, aan iedereen die hier lag, aan iedereen die hier huilde. Ik ga naast mijn broer in het bed naast mijn vader liggen. Op de tv loopt een vrouw met een geweer door een steeg, de carnavalszender hebben we afgezet. Mijn pruik hangt aan de kapstok. Ik val in slaap.

Mijn vader rent als een dronkenman de gang over en mijn oudste broer heeft hem bijna. Hij heeft een punt van mijn vaders ziekenhuisjurk al vast. Ik ren er achteraan om de infuusstok overeind te houden, die hij achter zich aan sleept. De standaard krast over het linoleum. Achter me hoor ik mijn andere broer uitglijden, ik voel zijn handen zich nog vastgrijpen aan mijn kuiten.
We lijken wel een kroeg in polonaise, maar venlonaren dansen geen polonaise.
Al worstelend krijgen we mijn vader terug naar de ziekenhuiskamer. Zijn katheter is losgesloten en overal ligt bloed. Mijn vader slaat me. We wachten op de verpleging. Ik leg mijn wang tegen zijn warme hoofd, zijn schokkende hoofd, het ruikt naar een oud mannetje. Ik kan me niet herinneren dat ik hem ooit zo stevig heb vastgehouden. Ik duw mijn wang strak tegen hem aan, bij zijn oor en ik wieg hem, zo goed en kwaad als het kan en ik zing mijn lievelings vastelaovendsliedjes.
Ik zing: Dich maks de kachel met mich aan Marieke, waat ofste van mich dinks det luut mich kalt, me kan de roëze neet verbeeje det ze bleuje en auk mien hert neet det ik raozend van dich halt.
En dan, als laatst: Zoë is ‘t laeve, waat kan ‘t gaeve. We doon maar allemaol wat water beej de wién. Op idder paedje ein roéze-blaedje en nao `t straevele ein bietje zônneschien.
Mijn vader valt in slaap. Hij heeft nooit veel om vastelaovend gegeven.

Ik word wakker omdat een verpleegkundige de ontbijtkar naar binnenrolt.
“Wat wil hij drinken?” Vraagt de verpleegster.
“Ik denk chocomel,” zeg ik.
Ik weet dat nog van vroeger, dat hij graag chocomel dronk. Ineens moet ik huilen, alleen omdat ik aan die chocomel van vroeger denk. De verpleegkundige geeft me een klopje op mijn schouder.
Ik smeer de boterhammen. Ik zet een rietje in de chocomel. Ik voer mijn vader kleine stukjes boterhammen met kaas en af en toe duw ik het rietje tussen zijn lippen. Hij heeft honger. Hij eet gretig.
Honger is goed, denk ik.
“Lekker,” zegt mijn vader.
Hij is er wel, maar hij is er niet, denk ik en voor het eerst in mijn leven voel ik me op mijn gemak bij mijn vader. Want euver hônderd jaor, jao jao des iérlik waor, dan bisse deeze tiéd, veur altiéd kwiét, zing ik, dicht bij zijn oor, ik zie de stugge rode haren die uit zijn oor steken. Mijn vader grijpt met zijn hand in de lucht en pakt dan mijn pols. Hij zegt niets. Hij knijpt alleen maar. Ik leg mijn hand op zijn hand en zo zitten we daar.
Als mijn broers wakker worden, steek ik een duim op.
“Is het allemaal goed?” vraagt mijn oudste broer.
Ik knik.
Ik zeg: het is allemaal goed.
Het is allemaal goed.

pexels-photo

Koffie verkeerd

“Een latte doppio,” zeg ik bij de pastatent op het station waar ik altijd mijn koffie haal. Tenminste, sinds Dennis Gaens vijf jaar geleden zei dat daar de koffie het best was.
Of: meest goed, zoals iedereen tegenwoordig lijkt te zeggen.
Bah.
“Een café latte of een latte machiato?” zegt de jongen achter de balie.
Ik heb net vijftien kilometer gefietst. Het waaide flink en het hagelde af en toe en ik luisterde de podcast Alice isn’t dead. Dus ik kan niet heel goed nadenken.
“Euhm, hè?” zeg ik. “Ik bestel al jaren gewoon een latte doppio. Hier. Aan de balie.”
Mijn mp3-speler valt op de grond. Als ik weer overeindkom na het oprapen hoor ik naast me:
“Een machiato is met minder melk. Een café latte met meer.”
Volgens mij is het andersom. Betekent machiato melk met een vlekje koffie. Maar ik kan het verkeerd hebben. De man spreekt met een kak-accent en veel valse lucht. Ik kijk naar de man. Hij heeft oude geweven en gebatikte kleren aan. Ik ken zijn soort. Van die mensen die het vervelend vinden dat ze met heel veel geld zijn opgegroeid, en zich daarom zijn gaan kleden alsof ze dat niet zijn. Terwijl ze altijd veel geld zijn blijven hebben, omdat ze het steeds zijn blijven aannemen. Van ouders, van echtgenoten. Ik kwam ze vroeger al zo af en toe tegen, in Venlo toen ik daar in het eetcafé werkte. Het waren er niet veel, maar je had ze wel. In Nijmegen zijn ze er in overvloed. Ze zijn simpel te ontmaskeren, want ze verraden zichzelf altijd. Je kunt nu eenmaal niet onder je afkomst uit. Helaas. In het dorp heb ik ze nog niet ontmoet. Daar loopt iedereen in een bodywarmer en bontlaarzen. Je zwaait als je iemand op straat tegenkomt. Dat is helemaal niet veel werk.
Ik heb nog steeds gewoon vijftien kilometer gefietst.
Ik voel dat er damp uit mijn kraag omhoog slaat.
“Gewoon wat jullie altijd doen als iemand een latte doppio besteld,” zeg ik verward tegen de jongen.
“Is echt een heel verschil, hoor,” zegt de man.
Hij lacht schamper.
“Je kunt ze eigenlijk niet met elkaar vergelijken,” zegt hij.
Ik antwoord niet. Hij vroeg immers niks.
“Ik weet het al,” zegt de jongen. “Een latte machiato.”
“Ja, of bemoei ik me er nu mee?” zegt de man.
Ik zucht. Ik zeg niet dat ik zelf ooit een baristadiploma had, dat ligt nu ergens in een kast te verstoffen. Ik heb nooit goed figuurtjes kunnen maken in het melkschuim. Ik weet wél dat ik voor hem per ongeluk een kleine lul met grote ballen had gecreëerd. Of het nu linksom of rechtsom was. Maar ik zet geen koffie meer voor andere mensen. Ja, voor visite. Dat is bijna hetzelfde als in de kroeg, maar toch anders.
Ik denk aan de buurtsuper in het dorp, die na de feestdagen geen groentetaarten meer verkoopt. Die niet over de kop gaat als ieder huishouden in het dorp er wekelijks vijftien euro uitgeeft. We gaan er dus iedere week heen. Voor sap van appels uit het dorp, boerenkool, een potje van dit en een potje van dat, en nu dus niet meer voor de groentetaart.
“Als jij je daar beter bij voelt,” zeg ik. “Dan bemoei jij je er lekker mee.”
“O ja, nee,” zegt de gebatikte kakman.
Er valt een lange stilte.
Ik zeg niks meer.
Ik krijg mijn koffie.
Al dampend neem ik de eerste slok.
Ik zwaai naar de jongen en niet naar de man.
In de trein dampt alleen de koffie nog. De koffie is goed.
Precies zoals ze ‘m altijd voor me maken.