Homerische hoestbuien

Omdat ik door een homerisch hoestende dochter (echt wonderlijk, ze klonk als een perfecte combinatie van alle ouwe stamgasten die ik vroeger aan de toog had) maar een paar uur geslapen heb, vind ik mezelf twee uur te vroeg op het kantoor waar ik dacht een afspraak te hebben.
In de uitgestorven kantine drink ik gratis koffie en drink ik gratis Cup-a-Soup. De kantine oogt industrieel ingericht en is immens. Vroeger (hoor mij: oma) namen we hier in de kelder hoorspelen op, toen was de kantine krap en wit. Toen wist ik nog niks. Keek ik naar dezelfde bomen als nu, buiten, terwijl een icoon als Eric van der Donk anekdotes vertelde. Ooit zei hij: “Ja, ja, mensen zijn altijd zo somber. Ik heb dat nooit begrepen. Ik heb dat gewoon niet.” Waarna hij flux op een tafel sprong om liggend een scène in te spreken. Later zag ik op een contract dat hij 82 was. Ik heb daar vaak aan moeten denken, als ik somber was: wees als Eric van der Donk. Haal je schouders op en spring op een tafel.

Om stipt twaalf uur vormt zich een lange rij voor het buffet met salades en broodjes en soep en yoghurt. Hoe komt het toch dat een heel kantorencomplex stipt om 12u gaat lunchen? Grote borden sla komen langsgewandeld. Links verderop zit een mager meisje dat haar sneetje roggebrood met een gekookt ei met precisie in zes stukken snijdt, alsof iemand haar filmt terwijl ze een kikker moet ontleden. Bij mij aan tafel roddelen mensen over een domme regie-assistent die steeds de statieven bij opnames van een show met een bekende Nederlander verkeerd verstopt. De bekende Nederlander wordt consequent bij de voornaam genoemd, maar ik weet wie ze bedoelen. Tegenover me zit een jongen die zich in het gesprek probeert te mengen door vragen te stellen, maar steeds wordt hij afgeblaft met een antwoord als “Neehee, dat moet je echt niet zo doen, Jochem.” Een van de roddelaars drinkt alleen een shake die ze van huis heeft meegenomen in een plastic beker, voor haar een leeg en schoon bord met schoon bestek. Jochem wendt zich maar tot zijn smartphone.
Ik denk na, over hoe ik ’s middags vaak een kwartier uit het keukenraam kijk, terwijl ik koffie drink. Ik denk aan Appie en John, mijn lievelingsstamgasten van toen ik nog in de kroeg werkte. Hoe ik daarmee espressootjes dronk. Ik zag die mannen nou nooit sla of shakes of roggebrood met ei eten, maar misschien is dat ook wel waarom ze er al heel lang niet meer zijn.
Ik ontsteek in een evenzo homerische hoestbui.
“Wij zijn de familie Hoest,” zei de dochter vanochtend blij. “Kijk! Hetzelfde!”
Ooit zei iemand dat het goed is, als vastzittende hoest loskomt. Ik weet niet meer wie het was, het was in elk geval niet Eric van der Donk.
Ik stik er bijna in. De roddelaars kijken op en Jochem poetst de plaat.
Ik mis de kroeg. Maar tegelijkertijd ben ik op dit moment godsgruwelijk blij dat ik normaliter eenzaam en alleen in mijn eigen huis kantoor hou, met alleen een keukenraam om me gezelschap te houden.

Dodenherdenking 2019

De man en de dochter waren naar de Dodenherdenking in het dorp. Dat is hun traditie, voor zover je van tradities kunt spreken als je jaarlijks iets doet met iemand die twee jaar is. Ik stond bouillabaisse te koken, van de mosselen die we die dag in Borsele in de zee naast de kerncentrale hadden geplukt. De televisie stond aan in de woonkamer en toen ik er met de GFT-emmer voorbij liep bleek het klokslag acht uur te zijn. Met de emmer in mijn hand bleef ik voor de televisie staan en luisterde naar de vogels die ergens in het land aan het fluiten waren en nu in woonkamers door de statische ruis van de geluidskabels heen hun lied floten. Ik dacht aan dood en pijn en marteling en dat ik ooit een toneelstuk zag waarin een soldaat beschreef hoe er een merel floot, terwijl hij op het slagveld lag en maar niet stierf, terwijl hij dat heel graag wilde. De afzuigkap loeide. Ik wou op dat moment dat ik goed was in het herkennen van vogelgeluiden.
Daarna klonk het volkslied.
Ik leegde de emmer in de Kliko en ging weer verder met koken.

Twaalf dingen die plaats hadden toen ik van Nijmegen naar Maastricht naar Amsterdam naar Nijmegen moest

1. Thuis kijk ik of alle treinen rijden. Alle treinen rijden. Op het station aangekomen rijdt mijn trein niet en de emmer koffie die ik kocht is slap. Het regent en het is heiïg. Mijn lievelingsweer.

2. Op het perron van mijn volgende reismogelijkheid komt een ouder echtpaar met rolkoffers aangelopen. Als de man zich posteert laat de vrouw haar koffer bij hem staan en wandelt ze verder. Eerst moet ik nog kijken of ze wel echt bij de meneer hoorde, dat ze niet iemand blijkt te zijn die met een bom station Nijmegen wil opblazen. Zul je net zien, echt iets voor mij, dat ik doodga omdat mijn trein niet reed. Dat ik doodga met een enorme beker slappe koffie in mijn hand. Opgeblazen door een babyboomer.
Ik volg de vrouw. Misschien zoekt ze een prullenbak of de gele borden. Ze loopt naar het einde van het perron en daarna loopt ze weer terug, zegt ze wat tegen de meneer en loopt ze weer het perron af. Ik denk na. Misschien heeft ze etalagebenen. Of was dat nu juist als je stil moest blijven staan? Ja, dat was als je stil moet staan van de pijn in je benen. Misschien heeft ze ook wel, net als ik, omdat ze te dik werd een stappenteller gekocht. Ik bestudeer haar als ze weer voorbij loopt. Netjes in de vloeibare make-up, sjaaltje om, keurig gewatteerd jackje, beige sneakers: ze oogt niet als een vrouw die ooit te dik werd.
Het moet iets medisch zijn.
In de trein ga ik bij ze in de buurt zitten, in de hoop op informatie, maar ik kan ze net niet verstaan.

3. Naast me zit een docent Grieks schriftelijke overhoringen na te kijken. Daarna rekent ze de punten per student uit. Sofie heeft een 9,8 en Sander een 1,2. Ik haat Sofie: altijd maar roepen dat ze “echt wel een onvoldoende” heeft omdat ze “echt helemaal niet geleerd” had.

4. In de trein tussen Utrecht en Amsterdam is iedereen knap, met baardjes en knotjes en blauwe maatpakken en mooie haren en broeken die in de taille uitkomen zonder dat het lijkt alsof ze zwanger zijn en grote jassen en ik denk: ik moet ook een grote jas kopen. Ik kijk op mijn stappenteller. Op veel dagen zet ik minder stappen dan een bejaarde.
Vandaag ben ik op de goeie weg.

5. In Amsterdam val ik voor een stoplicht van mijn OV-fiets. Ik weet ook niet hoe het kwam. Het zadel is stroef en raar en ik wring me op mijn eigen omafiets nu al twee jaar tussen het kinderzitje en mijn zadel door, iets dat maar op één manier kan, zodat ik mezelf een hele onorthodoxe manier van op- en afstappen heb aangeleerd.
Gelukkig rijden er geen auto’s.
Klote provinciaal, zie ik de andere fietsers denken, op je klote OV-fiets.
Een meisje helpt me overeind.
“Ik wist ineens niet meer hoe ik moest afstappen,” zeg ik, de gêne weglachend.
Ze lacht niet terug.
“Dank je,” zeg ik.
Ze knikt en loopt verder.
Een mimiekloos meisje.
Misschien heeft ze ook wel een aandoening, want anders snap ik het niet.

6. Daarna moet ik vier straten lang door zwermen toeristen heen fietsen. Er is geen stad in Nederland waar ik me zo Nederlands voel als in Amsterdam. Een man met een Go Pro op zijn pols springt opzij omdat een scooter voorbij raast, drie meisjes die gekleed zijn op een fiks Poolklimaat staan giebelend op een vluchtheuvel te gillen naar elke fiets, alsof ze op een eilandje in een oceaan vol haaien staan. Dan zie ik Tom Egbers en meteen daarna die ene van The Opposites. Groepen mensen splijten uiteen en komen weer samen, ik hoor duizend talen. Mijn knie klopt en ik zie alles superscherp. Misschien moet ik vaker van mijn fiets donderen.

7. Steeds denk ik dat ik mensen herken. Mensen waarvan ik denk dat ze van vroeger zijn, mensen waarbij ik twijfel of ze van vroeger zijn of dat ik ze herken van tv. (Met uitzondering van Tom Egbers en die van de Opposites dan, natuurlijk).
Misschien word ik wel gek.

8. Op de terugweg val ik weer bijna van mijn fiets. Vloekend fiets ik verder naar het station.

9. Bij een stoplicht staan twee mensen op een Segway te praten alsof ze niet op een Segway staan. Alsof niet iedereen denkt: O god, daar heb je twee mensen op een Segway. Maar goed, ik mag niks zeggen want ik ben vandaag al twee keer van mijn fiets gevallen, ook al voel ik me in Amsterdam altijd zo heel erg een Nederlander. Misschien is dit wel het punt vanaf waar het allemaal mis gaat met mij. Zeggen we later: Ja, en toen je van die fiets viel steeds, toen had er toch wel een belletje moeten gaan rinkelen.

10. Was ik maar Sofie.

11. Het is niet druk in de trein naar Utrecht. Er zijn veel zitplaatsen vrij, dus ik merk het pas laat als een vrouw naast me haar keel schraapt. Ze knikt zuur naar mijn tas. Ik til mijn tas op. Zuchtend pakt ze een stukje van mijn sjaal, tussen duim en wijsvinger alsof het een vaatdoekje is waarvan ze niet meer weet hoelang het er al ligt en of iemand daar ook de vloer mee heeft gedaan, en laat het op mijn schoot vallen. Ik glimlach. “Dank je,” zeg ik.
Mensen die uit principe op de stoel willen zitten waar een tas op staat: ook voor hen is er een plekje in het Rijk Gods.

12. Op het perron waar ieder moment de trein naar Nijmegen kan aankomen zie ik drie mensen voorbij komen waarvan ik eerder vandaag dacht ik ze van vroeger kende. Ik heb zin om naar ze te zwaaien. Om te roepen: kijk, ik ben niet gek! Jullie zijn echt!
Maar ik doe het niet.
Ik ben niet gek.
Nog niet.
Ik zeg niks.
Eenmaal in de trein ziet iedereen eruit zoals ik.
Bijna thuis.

Hoera! Een verse Ik ken iemand die…

De Oudersjaarspecial 2018

Zo vlak voor het uitluiden van 2018 nemen we in onze tweede Oudersjaarspecial het jaar door. Wat waren onze beste oudermomenten? Wat waren onze slechtste? En wat waren onze – en jullie! – beste opvoedtips van het jaar? Dat, en onder meer ook Nynkes Karwei-catastrofe, Hannekes oproep, Annes Al Bundy en Alex’ Tip der Tips (nu ook voor niet-bejaarden!) luister je allemaal in de laatste Ik Ken Iemand Die van 2018!

Oh, en ook Partysticks.

Als je dit nou leuk vond, laat dan alsjeblieft een review achter op iTunes.

(Wil je meer weten over onze awardwinningpodcast? Alhier.)

aswoensdag

Donderdagavond? Aswoensdag leesfragment-avond!

Marit is bezig met een laatste ivf-poging, wanneer ze terugkeert naar haar Limburgse geboortedorp. Ze gaat voor haar moeder met alzheimer zorgen, maar ziet op tegen de confrontatie met de kille vrouw die getekend is door een rampzalige gebeurtenis uit de geschiedenis van het dorp.

Aswoensdag is vanaf vandaag overal te koop. Vraag ernaar bij uw lievelingsboekwinkel!

 

Een leesfragment:

 

Ze kwamen er snel achter dat iedereen een idee heeft wat ivf is, maar dat niemand weet wat iui is. En dat dit zo was omdat de meeste mensen het woord insemineren niet over hun lippen kunnen krijgen.

‘Morgen moet ik naar het ziekenhuis.’
‘O, plaatsen ze dan de eitjes terug?’
‘Nee, dat is bij ons nog niet. Er wordt niks teruggeplaatst.’
‘Wat gaan ze doen, dan?’
‘Ik moet geïnsemineerd worden.’
‘Geïnsemineerd?’
‘Ja, geïnsemineerd.’

Zoiets zeg je niet zomaar even bij de koffieautomaat. Het doet denken aan vee, aan koeien en stieren en rietjes. Morgen moeten de eitjes teruggeplaatst worden is een vele malen ingewikkelder behandeling, maar gemakkelijker om te zeggen.

‘Dus jullie doen ivf?’
‘Zover zijn we nog niet, we zitten nog een stap voor dat traject.’

Vaak liet Marit het er dan maar bij. Ze wilde niemand confronteren met het beeld van haar benen in de beugels en een arts met een rietje in de handen.
Zwanger proberen te worden via het ziekenhuis loopt via een vast stramien, zo bleek. In de eerste fase moest ze de derde dag van haar cyclus beginnen met het slikken van kleine tabletjes Clomid. Ze merkte van de pillen zelf, buiten wat misselijkheid, niet zoveel. Het was meer de week erna, nadat ze op dag zeven de laatste pil had genomen. Dan leek het net alsof haar lijf dacht: wat is hier aan de hand? Dan kreeg ze de neiging om mensen aan te vallen, liep ze op straat opzettelijk voorbijgangers omver en deed ze gemeen tegen iedereen die haar voor de voeten liep. Vooral Maarten moest het ontgelden.

‘Terwijl ik helemaal niet in hormonen geloof’, riep ze een keer tegen hem. ‘Het is toch allemaal gedrag? Een mens kan zich toch inhouden?’

Maar ze kon zich niet inhouden.
Na het slikken van de tabletjes kwam de week van de echo’s, om te beoordelen of de eitjes het goed deden. De meeste mensen denken bij een echo aan zwangere vrouwen in de film, maar zo’n buikecho laat niet genoeg zien bij zoiets kleins als eierfollikels, dus je krijgt een pook, zoals dat heet. De naam zegt alles. Bij de eerste paar pogingen dacht Marit dat ze nooit zou wennen aan het ding tussen haar benen. Ze voelde zich keer op keer aangerand. Ochtenden op rij moest ze naar het ziekenhuis om te kijken of de follikels groot genoeg waren en of het er niet teveel of te weinig waren. Bij te weinig had het geen zin, maar bij teveel, bijvoorbeeld bij vier al, was het gevaar op een meerling te groot en moest de behandeling worden afgebroken. Marit had soms wel acht eieren. Als ze een goed paar eieren had, dan kon ze gaan afspreken wanneer ze de spuit voor de eisprong zou gaan zetten.

‘Nothing says goodmorning like a vers kopje koffie en een vaginale echo’, zei Marit een keer toen ze voor de vierde ochtend op rij met een beker koffie in de hand om half negen ’s ochtends in de stoel met de beenbeugels klom.

Na de derde mislukte poging was ze gewend geraakt aan de pook. Ze kon het zelf niet geloven. Ze was er echt aan gewend geraakt.

“De Grote Hanneke Hendrix Gaat Met Aswoensdag On Tour”-Tour! ~ deel 1: Friesland ~

Vandaag de eerste dag van “De Grote Hanneke Hendrix Gaat Met Aswoensdag On Tour”-Tour!
En wel naar het Rustieke Goënga, alwaar ik de eerste Aswoensdag ga overhandigen aan Sibbel, Ambassadeur-extraordinaire te Friesland.

Ik ben gewapend met een opnameapparaat en heb speciaal als smartphoneloze een fototoestel gekocht.
Nu nog even goeie vlaai scoren (ik heb als Limburger in Gelderland een geheim adresje voor mijn stash) en dan op pad.

Morgen staat Brabant op het program!

Wormgat met honden

We zitten in de auto op weg naar de supermarkt en we rijden over een bochtige landweg, in de richting van de vijfsprong als ik een oude jackrusselterriër zie rennen. Hij rent niet soepel, maar hij kijkt evengoed blij. Hij kijkt voor zicht uit, ziet ons niet als we langzaam voorbijrijden. De weg maakt een flauwe bocht en dan zie ik waar de oude hond naar keek: een bordercollie rent voorop, minder blij. Hij kijkt de hele tijd om, om te zien waar zijn vriend nu blijft of zijn vader of moeder of wat die honden dan ook voor banden met elkaar kunnen hebben. Hij blaft naar me als we voorbij rijden. Ik volg de twee honden in mijn achteruitkijkspiegel zo lang het kan. Ze doen zo menselijk aan. Ik schud mijn hoofd even.

We rijden de vijfsprong over.
Achterin zingt mijn dochter liedjes die op bestaande liedjes lijken, maar dan met haar lievelingswoorden.
Springkussen, springkussen, graafmachien.

Ik weet niet waarom ik zo graag over de vijfsprong rijd.
Er staan elektriciteitsmasten in een aangrenzend veld en regelmatig staan er vrachtwagens stationair te draaien met in de cabine een chauffeur die een route opzoekt of een boterham eet, maar toch doet de plek aan alsof er een wormgat zit naar een andere dimensie, terug in de tijd.

We rijden verder. Links en rechts grote boerderijen met nette erven.

Dan staat er een hond op een oprit rechts. Een slanke trotse zwarte hond, ik weet niet wat voor soort. Hij is zenuwachtig en drentelt op zijn plaats op en neer. Hij lijkt mij tegemoet te kijken, maar ik weet wel beter. Hij staat te wachten op die twee. Die twee, die altijd te laat zijn omdat die kleine zo traag is. Daar kan ‘ie niks aan doen, dat weet de trotse hond ook wel, maar het blijft toch vreselijk irritant als je een dagprogramma hebt.
Sommige honden hebben ook een leven, weet je wel.

Eenmaal in de supermarkt is alles weer normaal. Mijn dochter zeurt om een banaan.
Op de terugweg nemen we de rijksweg.
Je weet maar nooit.
Voor hetzelfde geld waren we nooit meer teruggevonden.